INHOUDSTAFEL
1. Algemene inleiding tot parasitologie
2. Malaria (Plasmodium species)
3. Toxoplasmose (Toxoplasma gondii)
4. Cryptosporidium
5. Amoeben (Entamoeba histoly8ca en andere)
6. Flagellaten (Giardia lamblia, Trichomonas vaginalis en de slaapziekte)
7. Nematoden (rondwormen Enterobius vermicularis)
8. Trematoden — Schistosomiase
9. Cestoden — Taenia (lintwormen)
1. ALGEMENE INLEIDING TOT PARASITOLOGIE
1.1. Definitie
Een parasiet is een eukaryoot die zich in stand houdt en vermenigvuldigt ten koste van een ander organisme (de gastheer)
waarmee het samenleeN. Etymologie: Grieks parasitos / LaSjn parasitus = "hij die eet aan de tafel van een ander."
1.2. Parasitologie in de microbiologie
Organisme Celtype
Bacteriën prokaryoten
Virussen —
Gisten/schimmels eukaryoten (maar toch historisch apart)
Parasieten eukaryoten (eencellig of meercellig)
1.3. Symbiose: soorten samenleving
• Commensalisme: één organisme is a]ankelijk van het andere, zonder schade aan te richten
• Mutualisme: beide organismen halen voordeel uit de situaSe (vb. ons microbioom)
• Parasi5sme: het ene organisme haalt voordeel ten koste van het andere
1.4. Gastheer-terminologie
Term Defini5e
Obligate parasiet volledig a]ankelijk van gastheer voor ontwikkelingscyclus
Faculta5eve parasiet kan zich als parasiet gedragen maar ook buiten gastheer overleven
Tussengastheer draagt de larven of de aseksuele fase
Eindgastheer draagt de volwassen parasiet of de seksuele fase
Vector brengt de parasiet rechtstreeks over tussen gastheren (bv. mug, kever); kan tussen- of eindgastheer zijn
Reservoir species (vaak wilde dieren/vee) die de pathogeen dragen maar (vaak) niet ziek worden
! Parasitaire levenscycli zijn vaak ingewikkeld, met meerdere gastheren en verschijningsvormen. Het is evoluSonair beter
eindgastheer dan tussengastheer te zijn (de parasiet kan zich er seksueel voortplanten en wil niet dat die sterN).
1.5. Specifieke terminologie
Term Betekenis
Trofozoïet geacSveerd, zich voedend stadium (trephein = voeden)
Sporozoïet infecSeus stadium dat de mens infecteert
(Oö)cyste kystevorm van de zygote; kan buiten het lichaam overleven; infecSeus
1.6. Behandelingen
• AnSparasitaire middelen zijn veel schaarser dan anSbioSca
• Vaak toxischer dan anSbioSca (parasiet is evoluSonair dichter bij de mens dan bacteriën/virussen)
• Resisten5e: groeiend probleem bij malaria; ook toenemend bij worminfecSes bij dieren (bij mensen voorlopig beperkt)
1
,1.7. Diagnostiek
Methode Gebruik
Microscopie directe idenSficaSe (experSse vereist), momenteel meest voorkomend
Serologie anSstoffen; nudg bij invasieve fase; intesSnale wormen geven vaak géén anSstofrespons, minder bij
herhaalde funcSes
PCR DNA-amplificaSe; steeds meer beschikbaar; extracSe uit eieren soms moeilijk, hoog volume nodig
AnSgeendetecSe sneltesten
Eosinofilie ondersteunend, maar niet bij alle parasitaire infecSes
! ExperSse in microscopie neemt af door dalende prevalenSe in het
Westen; moleculaire technieken worden belangrijker.
Klimaatopwarming en globalisaSe beïnvloeden de epidemiologie.
1.8. Verschillende manieren van indeling
1.8.1. Ectoparasieten vs. endoparasieten
• Ectoparasieten: leven op de buitenkant van de gastheer → Arthropoda (geleedpoSgen): luizen, scabies (mijten)
• Endoparasieten: leven in het maagdarmkanaal, de bloedbaan of weefsels
o Protozoa: eencellige organismen
o Metazoa: meercellige organismen (bv. wormen)
1.8.2. Indeling naar compartiment
Compar5ment Kenmerken
Bloedparasieten diagnose via bloeduitstrijkje; vaak ernsSge systemische ziekte
GI-parasieten meest frequent wereldwijd; te vinden in stoelgang (parasieten, eieren of cysten)
Weefselparasieten moeilijk op te sporen; rol voor serologie; diagnose via biopt, pus, lumbaalvocht
1.8.3. Taxonomische indeling
Protozoa (eencellig):
• Sporediertjes (sporozoa): Plasmodium (= bloed, malaria), Toxoplasma gondii (= weefsel), Cryptosporidium (= GI)
• Amoeben: Entamoeba histoly8ca (= GI en weefsel) ), Naegleria fowleri (= weefsel)
• Flagellaten: Giardia lamblia (= GI), Trichomonas vaginalis (= genitaal), Leishmania (= weefsel) , Trypanosoma brucei (=
bloed, slaapziekte)
Metazoa (meercellig):
• Nematoden (rondwormen): intesSnale soorten, filaria…
• Platwormen: cestoden (lintwormen), trematoden (zuigwormen)
• Ectoparasieten: luizen, scabiës (niet in de les)
2. MALARIA
2.1. Epidemiologie
• Één van de dodelijkste ziektes ter wereld: 249 miljoen gevallen, ~608.000 overlijdens per jaar
• Hoge mortaliteit in sub-Saharisch Afrika, vooral bij kinderen < 5 jaar (bij ons eerder suitcase malaria)
2.2. Verwekkers: Plasmodium species
Species Bijzonderheden
P. falciparum ernsSgste vorm; infecteert alle leeNijden van RBC
P. vivax geografisch meest verspreid; prefereert
reSculocyten; hypnozoïeten mogelijk
P. ovale ook hypnozoïeten; vooral West-Afrika
P. malariae chronische infecSe mogelijk; lage parasitemie
(P. knowlesi) (zeldzaam, apenmalaria)
2
,2.3. Levenscyclus
1. In de mens — leverfase (asymptoma5sch)
• Mug injecteert sporozoïeten in de huid
• Sporozoïeten bereiken via bloed de lever → ontwikkeling tot leverschizonten
• Na 6–16 dagen barst de levercel open → merozoïeten komen vrij
• P. vivax / P. ovale: kunnen als hypnozoïeten sluimerend aanwezig blijven in de lever → reacSvaSe mogelijk tot jaren later
2. In de mens — erytrocytaire fase (symptoma5sch)
• Merozoïeten invaderen rode bloedcellen (RBC) → ontwikkeling tot trofozoïeten (vivax en vivale vnl. reSculocyten)
• De parasiet voedt zich met hemoglobine en glucose
• Vorming van toxische metabolieten: hemozoïne, lactaat
• Parasiet verandert RBC-membraan → hemolyse + "plakkerige" RBC → microtromboses
• Verdere deling tot schizont → barst open → nieuwe merozoïeten
• Lysis om de 48–72 uur = koortsgolven
3. Gametocyten en mug
• Enkele merozoïeten differenSëren tot gametocyten (micro = mannelijk, macro = vrouwelijk)
• Mug neem gametocyten op → bevruchSng in muggedarm → zygoot → oöcyste → duizenden sporozoïeten migreren naar
speekselklier
2.4. Kliniek
P. falciparum:
• IncubaSeperiode: 8–25 dagen
• Geen specifiek koortspatroon (asynchrone ruptuur)
• Symptomen: koorts, braken, diarree, hoofdpijn, spierpijnen
• Erns5ge complica5es:
o Cerebrale malaria (verwardheid, coma, stuipen)
o ErnsSge anemie (massieve hemolyse)
o Splenomegalie
o Hypoglycemie, coagulopathie, metabole acidose
o Nierfalen, hemoglobinurie ("blackwater fever")
o Leverfalen
Andere species (vivax > ovale > malariae):
• Koorts in patroon (synchrone ruptuur)
• Langere incubaSeperiode
• Minder ernsSge ziekte (voornamelijk koorts, braken, griepaal syndroom)
• Lagere parasitemie
• ErnsSge infecSe zeldzaam: vivax > ovale > malariae
• P. vivax/ovale: relapse mogelijk door hypnozoïeten
• P. malariae: chronische infecSe; kan bij kinderen leiden tot nefro5sch syndroom
3
,Immuniteit (P. falciparum)
• ParSeel, opgebouwd door conSnue herinfecSe
• ErnsSge infecSes: vooral kinderen en
zwangere vrouwen
• Volwassenen in endemisch gebied: low-grade
parasitemie zonder symptomen
• Immuniteit verdwijnt bij verblijf in niet-
endemisch gebied!
Evolu5onaire impact van malaria op het menselijk genoom
• Sikkelcelanemie: heterozygoten beschermd tegen P. falciparum
• Thalassemie: beschermend effect
• G6PD-deficiën5e: beschermend effect
• P. vivax bindt op de Duffy-bloedgroep → Duffy-negaSef (frequent bij mensen van Afrikaanse origine) = bescherming
• P. ovale bindt niet op Duffy → verklaart voorkomen in Duffy-negaSeve populaSes (West-Afrika)
2.5. Diagnostiek
Methode Details
Microscopie (dikdruppel) detecSelimiet 10–50 trofozoïeten/µL; parasitemie correleert met ernst
Uitstrijkje morfologie parasiet + RBC → speciesbepaling
Sneltest (RDT) detecteert pLDH, HRP-II, aldolase; >95% sensiSef bij >200 trofozoïeten/µL; goed voor P.
falciparum, minder goed voor andere species
Serologie minder gebruikt voor acute diagnose
PCR hoge gevoeligheid
Microscopische kenmerken per species:
Species Kenmerken
P. falciparum hoge parasitemie; ringvormen met "koptelefoontje", meerdere per RBC; schizonten zeldzaam; banaanvormige
gametocyten
P. vivax/ovale grotere RBC, fimbriae (comet cells), Schüffner-sSppen, bruinpigment (hemozoïne); mature trofozoïeten
zichtbaar; ronde gametocyten, microscopisch onderscheid zeer moeilijk enkel geografisch
P. malariae lage parasitemie; veel pigment; bandvormen; schizonten in rosetpatroon
2.6. Preventie
• Bednejen
• Medicamenteuze profylaxe (reizigers): atovaquon/proguanil (minder: doxycycline, mefloquine (Lariam®), chloroquine)
• Vaccins (lokale bevolking):
o RTS,S/AS01 (Mosquirix®, GSK) — goedgekeurd 2021: 39% effecSef t.a.v. symptomaSsche malaria
o R21/Matrix-M — goedgekeurd 2023: 75% effecSef bij hoge transmissie-intensiteit
4
, 2.7. Behandeling
Species Behandeling
P. malariae, P. vivax, P. ovale, P. knowlesi Chloroquine of artemisine-combina5epreparaat (ACT)
P. vivax / P. ovale + primaquine (voor hypnozoïeten in lever)
P. falciparum Artemisine-combina5epreparaat (ACT)
! ACT-resisten5e is een toenemend probleem, met name in Zuidoost-Azië.
3. TOXOPLASMOSE
3.1. Verwekker & epidemiologie
• Toxoplasma gondii
• Wereldwijd; ¼ van de wereldbevolking is ooit geïnfecteerd
3.2. Levenscyclus
• Eindgastheer = kat → excreSe besme{elijke oöcysten in feces
• Tussengastheer (veel dieren, incl. mens): na ingesSe van oöcyste ontwikkeling tot tachyzoïet → migreert via bloed/lymfe
naar weefsels → vormt cysten met bradyzoïeten bij intact immuunsysteem
3.3. Transmissieroutes
1. IngesSe weefselcysten in onvoldoende doorbakken vlees (vb. varkensvlees uit aarde)
2. IngesSe oöcysten uit omgeving (ka{enfeces, besme{e groenten/fruit)
3. Transplacentaire overdracht (moeder → foetus)
4. Orgaantransplanta5e
3.4. Kliniek
• Immuuncompetent: meeste infecSes asymptomaSsch; eventueel koorts, gezwollen halsklieren, spierpijn
• Na infecSe: latente bradyzoïetencysten in weefsels
• Immuungecompromijeerd (vooral HIV):
o ErnsSge toxoplasmose door acute infecSe of reacSvaSe
o Aangetaste organen: hersenen (abcessen, encefaliSs), ogen (chorioreSniSs), longen (pneumoniSs), hart
(myocardiSs)
3.5. Congenitale toxoplasmose
• Risico bij acute infec5e 5jdens zwangerschap (niet bij reacSvaSe)
• Ernst ↑ bij infecSe in eerste trimester (maar kans op transmissie kleiner)
Presenta5e Frequen5e
Subklinische infecSe bij geboorte 70–90%
Milde ziekte minder frequent
ErnsSge neonatale ziekte zeldzaam
• Klassieke triade (< 10% van gevallen): chorioreSniSs + hydrocefalie + intracraniale calcificaSes
• Overige: spontane abortus, mentale retardaSe, epilepsie, micro-/macrocefalie, anemie...
• Late uiSngen (bij schijnbaar gezonde neonaten): chorioreSniSs, ontwikkelingsachterstand, gehoorverlies, endocriene
stoornissen
3.6. Diagnostiek
• Serologie (IgG/IgM)
• IgG-aviditeit:
o Hoge aviditeit = infecSe waarschijnlijk > 4 maanden geleden
o Lage aviditeit = mogelijk recente infecSe
• PCR op bloed, biopt, CSF, voorkamervocht oog
5