Hoofdstuk 7: Bodemecologie
Inhoud
1.1 Belang van bodemecologie.................................................................2
1.2 Abiotiek...............................................................................................2
1.3 Biotiek.................................................................................................6
1.4 Primaire productie (PP).....................................................................14
1
,Ecologie Bodemecologie
1.1 Belang van bodemecologie
Kwantitatief belang
Aantal organismen ondergronds groter dan bovengronds
o Biodiversiteit
o Biomassa
Kwalitatief belang= functies
Nutriëntenrecyclage, structuur, watervasthoudend vermogen etc.
Invloed op bovengrondse diversiteit en productie
Bepalend=>De hoeveelheid organisch materiaal in de bodem stuurt
het kwantitatieve en het kwantitatieve en is dus economisch belang van al
dat bodemleven
Een gezond en biodiverse bodem levert vele ecosysteemdiensten:
Nutriëntenrecyclage
Bodemstructuur
Watervasthoudend vermogen
CEC(Het CEC-vermogen van de bodem is de capaciteit van de
bodem om positief geladen voedingsstoffen (kationen zoals calcium,
magnesium, kalium) vast te houden en af te geven aan planten)
Doorlaatbaarheid
Voorkomen en bestrijden van ziektes en plagen
Compostvorming
Bodemsanering
1.2 Abiotiek
Randvariabelen die een rol spelen in het bodemeecosysteem bij de
interactie tussen abiotiek en biotiek.
Poriëngrootte en -volume
Bepaald door
o Korrelgrootte
o Aandeel organisch materiaal
Microbieel leven situeert zich grotendeels in poriën
Water- en nutriëntenvasthoudend vermogen
Beïnvloed wortelgroei
Textuur
Invloed op poriëngrootte
Zo ook invloed op ad- en adsorptie van organisch materiaal en
nutriënten
2
, Ecologie Bodemecologie
Klei zoals bentoniet heeft intern oppervlak van meer dan 800m²/g
bodem
Bacteriën in waterfilm rond partikels (dus meer mogelijk in klei/leem
dan in zand)
Bodemlucht
Ook bodemleven heeft zuurstof nodig!
Verzadiging= 0-25% lucht
o Verzadiging is volledig onder water=> onder grondwatertafel
Kruimelstructuur= meer lucht (ook als bodem verzadigd is)
Zuurstof neemt af met de diepte
Weinig zuurstof
Veel koolzuurgas
o 2/3 van bodemorganismen
o 1/3 van plantenwortels
Veel anorganische en organische verbindingen zoals ammoniak,
methaan, zwavelwaterstof
Bodemwater
Zeer belangrijke en dominante variabele
Atmosfeer in luchtdroge bodem heeft een relatieve vochtigheid van
98%
Water is oplosmiddel voor nutriënten
Water als levensmilieu voor flagellaten, ciliaten, raderdiertjes,
tardigraden=> bij droogte encysteren ze
Andere organismen: hygrofiel
o Hoge vochtigheidsgraad nodig
o Periode van droogte overbruggen
Migreren bv. regenwormen
Oprollen bv. pissebedden
Inkapselen in schaal of hulsje
o Regenwormen
Overwinteren dieper in grond of als cocon
Anekische soort Aporrectodea longa gaatin zomer in
hormonaal gestuurde rust=> 20 cm diep=> niet terug
te vinden in staal
Migraties zijn belangrijker in akkerbodems doordat daar
de schommeling in bodemvochtigheid het grootst zijn
3