HISTOLOGIE VAN HET
PARODONTIUM
HISTOLOGIE VAN DE GINGIVA
Gingiva = de orale mucosa die een deel van de tanden en van de alveolaire botkam bedekt
Tussen de tanden vormt de gingiva de interdentale papil
BK: gingiva bedekt het alveolaire bot → biedt steun aan
gebitselementen en ook hard gehemelte is bedekt door gingiva
OK: beperkt zich tot het gedeelte dat de tandkassen gaat
bedekken
Coronaire grens w gevormd door marginale
gingiva (= niet verbonden met de tand/het
alveolair bot = LOSSE GINGIVA)
Apicale grens w gevormd door de
mucogingivale grens (= maakt onderscheid
tussen vaste en losse gingiva
Gingiva = Epitheel + bindweefsel
- Oraal gingivaal epitheel
- Sulculair gingivaal epitheel
- Aanhechtingsepitheel
ORAAL GINGIVAAL EPITHEEL
= meerlagig, ortho- of paragekeratiniseerd plaveisel epitheel dat met zijn vrije oppervlak gericht is
naar de mondholte
1
, Oraal gingivaal epitheel loopt helemaal
door tot waar de vaste gingiva overgaat in
beweeglijke mucosa (mucogingivale
grens)
BW is het grootste gedeelte van het
complex
Plaveiselepitheel
- 4 cellagen (strata)
- Papillaire ingroei lamina propria
(= betere verbinding)
- Basale cellen migreren naar het
oppervlak
- Celpopulatie uit 2 groepen =>
keratinocyten en niet-
keratinocyten
Keratinocyt = basis cel die uiteindelijk een
verhoornde cel wordt na deling in de
basale laag ondergaan de dochtercellen
een maturatieproces (volumeverandering,
stijging van cytoplasmatische en granulaire
inclusies en van intercellulaire desmosale
verbindingen)
Het is belangrijk dat er een dik laagje keratine
op aanwezig is = uitstekende bescherming
tegen bv. Het schurend voedsel dat we eten,
kauwkrachten, tanden poetsen…
→ Indien het er niet is => continu wonden in
mondholte
2
, Niet-keratinocyt = groep met melanocyten (= synthese en transport van melanine), de
langerhanscel (= immunologische functies), de Merkelcel (= tastgevoelige cel), de
lymfocyt, polymofonucleaire leukocyt (= ontstekingscellen) en de mastcel (= secretie
van inflammatoire mediatoren en vasoactieve stoffen)
L => merkelcel in
basale laag =
tastgevoelig
R => Langerhanscel →
voor de immunologie
Liggen tussen
keratinocytlaag
Epitheel staat in verbinding met de lamina propria. De verbinding met de LP is gekenmerkt door het
basaal complex (hemidesmosomen, lamina lucida, lamina densa, verankeringsfibrillen en een
band reticuliene vezels). Deze vertoont een sterk onregelmatig gegolfd patroon door de papillaire
ingroei van de LP.
Basale lamina is op zijn beurt met filamenten en
hemidesmosomen diep verankert in basale laag
van het plaveiselepitheel.
3
,SULCULAIR GINGIVAAL EPITHEEL
Het is dit korte gedeelte van het
epitheliale stuk van de gingiva dat
zich van de top van het gingivale
complex in de sulcus- of
tandvleespocket gaat begeven. Dit
kan in gezonde omstandigheden
slechts 1mm zijn + slecht enkele
cellagen (er is niet meer nodig om
pathogene cellen af te weren)
Bij PA die een paro-verleden hebben,
kan dat 4-6 of meer mm in diepte
betreffen
- Vormt de laterale wand van de gingivale sulcus = virtuele ruimte rond de tandhals van 0,2-
0,7 mm diep (van de top, gevormd door de rand van de marginale gingiva tot de bodem
gevormd door het vrije oppervalk van het aanhechtingsepitheel)
- Meerlagig plaveiselepitheel met tendens tot
keratinisatie zonder vorming van een echt stratum
granulosum en corneum
Niet of zeer weinig gekeratiniseerd
Keratinisatie: ideaal middel en eenvoudig middel
van het organisme om zich te beschermen tegen
intrusie, invasie van afweercellen. Anderzijds komt
daardoor een mogelijk belangrijk beschermend
element van het sulculair gingivaal epitheel in het
gedrang, nl. het doorlekken van afweercellen, van
immunoglobulines en andere proteïnes die voor de
immuniteit instaan
- Vorm en breedte niet statisch → Veranderlijk ngl. infectie (bij acute/chronische
ontstekingen zal de sulcus verdiepen tot een tandvleeszak/pocket)
- ‘Tendens’ tot keratinisate: migratie afweercellen
- Kan apicaal doorlopen naast aanhechtingsepitheel
4
, - Coronair doorstroomd door sulcusvocht (= gemodifieerd en verdund
serumexsudaat afkomstig van de gingivale vasculaire plexus) =
AFWEERMECHANISME
o Er lekken een aantal stoffen door: leukocyten (WBC), ook Ig (G,A,M) en
antibodies die specifiek tegen pathogene kiemen vervaardigt worden
in het lichaam
Humoraal = immunoglobulines en antibodies
Cellulair = leukocyten
Neutrofiele granulocyten en monocyten ook aanwezig in de
sulcus => migratie door aanhechtingsepitheel (rol bij ontstekingsmechanismen)
AANHECHTINGSEPIRHEEL
= verbinding van de gingiva met het glazuur en/of het cement, tussen het epitheel en zijn substraat
is bij 75% een tandcuticle of coronair cement aanwezig.
Na een parodontale behandeling (SRP)
zouden we graag het aanhechtingsepitheel
zien terugkeren om de gingiva als complex
terug aan de tand te kleven → minimale kans
op invasie van pathogene kiemen
(herbesmetting)
Coronair: 15-30 celrijen dik
Apicaal: 1-3 celrijen dk
- Niet-gekeratiniseerd (anders geen migratie van afweercellen, Ig, … uit epitheelcomponent
verwachten)
- Niet-gedifferentieerd (staat altijd klaar om in tijden van onraad/infectie/bedreiging zich te
gaan differentiëren om een grotere massa op te bouwen en een grotere barrière te vormen
tegen die ongewenste binnendringers)
- Deel tegen de gingiva/lamina propria = STRATUM BASALE
Kubische cellen
Tussen stratum basale en BW gingiva => rechtlijnig, typisch basaal complex
- Deel tegen het glazuur/tandcuticle = STRATUM SUPRABASALE
Afgeplatte cellen (lengteas evenwijdig met die van de tand)
Grote intercellulaire ruimten
Verbinding stratum suprabasale –
gemineralisaarde tandstructuur/cuticle =>
atypisch basaal complex (bevat vnl
hemidesmosomen, GEEN verankeringsfibrillen
of reticulienevezels. Het omvat de 3 lamina =
lamina lucida, lamina densa en sublamina
lucida)
5
PARODONTIUM
HISTOLOGIE VAN DE GINGIVA
Gingiva = de orale mucosa die een deel van de tanden en van de alveolaire botkam bedekt
Tussen de tanden vormt de gingiva de interdentale papil
BK: gingiva bedekt het alveolaire bot → biedt steun aan
gebitselementen en ook hard gehemelte is bedekt door gingiva
OK: beperkt zich tot het gedeelte dat de tandkassen gaat
bedekken
Coronaire grens w gevormd door marginale
gingiva (= niet verbonden met de tand/het
alveolair bot = LOSSE GINGIVA)
Apicale grens w gevormd door de
mucogingivale grens (= maakt onderscheid
tussen vaste en losse gingiva
Gingiva = Epitheel + bindweefsel
- Oraal gingivaal epitheel
- Sulculair gingivaal epitheel
- Aanhechtingsepitheel
ORAAL GINGIVAAL EPITHEEL
= meerlagig, ortho- of paragekeratiniseerd plaveisel epitheel dat met zijn vrije oppervlak gericht is
naar de mondholte
1
, Oraal gingivaal epitheel loopt helemaal
door tot waar de vaste gingiva overgaat in
beweeglijke mucosa (mucogingivale
grens)
BW is het grootste gedeelte van het
complex
Plaveiselepitheel
- 4 cellagen (strata)
- Papillaire ingroei lamina propria
(= betere verbinding)
- Basale cellen migreren naar het
oppervlak
- Celpopulatie uit 2 groepen =>
keratinocyten en niet-
keratinocyten
Keratinocyt = basis cel die uiteindelijk een
verhoornde cel wordt na deling in de
basale laag ondergaan de dochtercellen
een maturatieproces (volumeverandering,
stijging van cytoplasmatische en granulaire
inclusies en van intercellulaire desmosale
verbindingen)
Het is belangrijk dat er een dik laagje keratine
op aanwezig is = uitstekende bescherming
tegen bv. Het schurend voedsel dat we eten,
kauwkrachten, tanden poetsen…
→ Indien het er niet is => continu wonden in
mondholte
2
, Niet-keratinocyt = groep met melanocyten (= synthese en transport van melanine), de
langerhanscel (= immunologische functies), de Merkelcel (= tastgevoelige cel), de
lymfocyt, polymofonucleaire leukocyt (= ontstekingscellen) en de mastcel (= secretie
van inflammatoire mediatoren en vasoactieve stoffen)
L => merkelcel in
basale laag =
tastgevoelig
R => Langerhanscel →
voor de immunologie
Liggen tussen
keratinocytlaag
Epitheel staat in verbinding met de lamina propria. De verbinding met de LP is gekenmerkt door het
basaal complex (hemidesmosomen, lamina lucida, lamina densa, verankeringsfibrillen en een
band reticuliene vezels). Deze vertoont een sterk onregelmatig gegolfd patroon door de papillaire
ingroei van de LP.
Basale lamina is op zijn beurt met filamenten en
hemidesmosomen diep verankert in basale laag
van het plaveiselepitheel.
3
,SULCULAIR GINGIVAAL EPITHEEL
Het is dit korte gedeelte van het
epitheliale stuk van de gingiva dat
zich van de top van het gingivale
complex in de sulcus- of
tandvleespocket gaat begeven. Dit
kan in gezonde omstandigheden
slechts 1mm zijn + slecht enkele
cellagen (er is niet meer nodig om
pathogene cellen af te weren)
Bij PA die een paro-verleden hebben,
kan dat 4-6 of meer mm in diepte
betreffen
- Vormt de laterale wand van de gingivale sulcus = virtuele ruimte rond de tandhals van 0,2-
0,7 mm diep (van de top, gevormd door de rand van de marginale gingiva tot de bodem
gevormd door het vrije oppervalk van het aanhechtingsepitheel)
- Meerlagig plaveiselepitheel met tendens tot
keratinisatie zonder vorming van een echt stratum
granulosum en corneum
Niet of zeer weinig gekeratiniseerd
Keratinisatie: ideaal middel en eenvoudig middel
van het organisme om zich te beschermen tegen
intrusie, invasie van afweercellen. Anderzijds komt
daardoor een mogelijk belangrijk beschermend
element van het sulculair gingivaal epitheel in het
gedrang, nl. het doorlekken van afweercellen, van
immunoglobulines en andere proteïnes die voor de
immuniteit instaan
- Vorm en breedte niet statisch → Veranderlijk ngl. infectie (bij acute/chronische
ontstekingen zal de sulcus verdiepen tot een tandvleeszak/pocket)
- ‘Tendens’ tot keratinisate: migratie afweercellen
- Kan apicaal doorlopen naast aanhechtingsepitheel
4
, - Coronair doorstroomd door sulcusvocht (= gemodifieerd en verdund
serumexsudaat afkomstig van de gingivale vasculaire plexus) =
AFWEERMECHANISME
o Er lekken een aantal stoffen door: leukocyten (WBC), ook Ig (G,A,M) en
antibodies die specifiek tegen pathogene kiemen vervaardigt worden
in het lichaam
Humoraal = immunoglobulines en antibodies
Cellulair = leukocyten
Neutrofiele granulocyten en monocyten ook aanwezig in de
sulcus => migratie door aanhechtingsepitheel (rol bij ontstekingsmechanismen)
AANHECHTINGSEPIRHEEL
= verbinding van de gingiva met het glazuur en/of het cement, tussen het epitheel en zijn substraat
is bij 75% een tandcuticle of coronair cement aanwezig.
Na een parodontale behandeling (SRP)
zouden we graag het aanhechtingsepitheel
zien terugkeren om de gingiva als complex
terug aan de tand te kleven → minimale kans
op invasie van pathogene kiemen
(herbesmetting)
Coronair: 15-30 celrijen dik
Apicaal: 1-3 celrijen dk
- Niet-gekeratiniseerd (anders geen migratie van afweercellen, Ig, … uit epitheelcomponent
verwachten)
- Niet-gedifferentieerd (staat altijd klaar om in tijden van onraad/infectie/bedreiging zich te
gaan differentiëren om een grotere massa op te bouwen en een grotere barrière te vormen
tegen die ongewenste binnendringers)
- Deel tegen de gingiva/lamina propria = STRATUM BASALE
Kubische cellen
Tussen stratum basale en BW gingiva => rechtlijnig, typisch basaal complex
- Deel tegen het glazuur/tandcuticle = STRATUM SUPRABASALE
Afgeplatte cellen (lengteas evenwijdig met die van de tand)
Grote intercellulaire ruimten
Verbinding stratum suprabasale –
gemineralisaarde tandstructuur/cuticle =>
atypisch basaal complex (bevat vnl
hemidesmosomen, GEEN verankeringsfibrillen
of reticulienevezels. Het omvat de 3 lamina =
lamina lucida, lamina densa en sublamina
lucida)
5