DEEL 1: maaltijdzorg
Comfortzorg of Passiviteiten van het Dagelijks Leven
De Essentie van Comfortzorg en PDL in de Ergotherapie
Ergotherapeuten richten zich op het verbeteren van de levenskwaliteit van individuen via gerichte
interventies. Binnen dit domein zijn comfortzorg en Passiviteiten van het Dagelijks Leven (PDL)
cruciaal.
Comfortzorg richt zich op het creëren van een omgeving die zowel fysiek als emotioneel comfort
biedt. Dit gebeurt door het begrijpen van de unieke behoeften van cliënten en door samenwerking
met het multidisciplinaire team. Het doel is comfort op alle niveaus van ervaring te bevorderen via
observatie, communicatie en gerichte interventies.
Passiviteiten van het Dagelijks Leven (PDL) zijn activiteiten die essentieel zijn voor het dagelijks
functioneren, maar waarbij cliënten mogelijk hulp nodig hebben (bv. persoonlijke hygiëne, mobiliteit,
voeding). Het aanpakken van PDL vereist een holistische benadering, rekening houdend met
individuele capaciteiten, beperkingen en omgevingsfactoren.
Het verdiepen in comfortzorg en PDL stelt ergotherapeuten in staat interventies te ontwikkelen die
de levenskwaliteit maximaliseren en zelfstandigheid bevorderen.
Passiviteiten van het Dagelijks Leven – Definitie
Complex van handelingen, maatregelen en voorzieningen die bijdragen aan optimale begeleiding,
verzorging en verpleging bij mensen met onoplosbare zelfzorgtekorten.
Doelstellingen:
1. Comfort van de passieve zorgvrager verhogen
o Behoud van conditie en restactiviteit
o Ontspanning bieden
o Preventie van decubitus en contracturen
o Optimale leefbaarheid nastreven
2. Werkbaarheid van de zorgverlener optimaliseren
Voorwaarden voor goede uitvoering:
Attitude: cliënt centraal, haptonomische benadering, warm zorgconcept
Acceptatie van passiviteit
Interdisciplinaire samenwerking
Uitvoering door één hulpverlener
De 7 PDL-factoren en de rol van de ergotherapeut:
1. Gewassen worden: Assistentie bij baden, douchen of wassen aan de wastafel; gebruik van
hulpmiddelen zoals douchestoelen, handgrepen, aangepaste technieken.
2. Gekleed worden: Assistentie bij aantrekken van kleding/schoenen; gebruik van aangepaste
kleding, klittenbandsluitingen, efficiënte aan- en uitkleedtechnieken.
3. Verschoond worden: Assistentie bij verschonen van incontinentiemateriaal of toiletgebruik;
behoud van waardigheid, privacy en hygiënische routines.
, 4. Verplaatst worden: Ondersteuning bij transfers (bed–stoel, stoel–toilet); gebruik van til- en
transferhulpmiddelen, veilige tiltechnieken (cfr. ZST en PRA).
5. Gevoed worden: Assistentie bij eten en drinken; aanpassingen in servies, eethulpmiddelen,
veilige sliktechnieken (cfr. ZST en PRA).
6. Liggen en zitten: Hulp bij houding veranderen om decubitus te voorkomen; gebruik van
speciale matrassen/kussens, regelmatige positioneringsroutines.
7. Zitten en liggen: Vergelijkbaar als 6, gericht op comfort en preventie van doorligwonden.
Maaltijdzorg
1. Oorzaken en gevolgen van onvoldoende voedselinname
Algemeen
De OORZAKEN van onvoldoende voedselinname kunnen we toewijzen aan 3 aspecten:
1. niet willen
2. niet kunnen
3. niet begrijpen hoe
Dit kan vertrekken vanuit verschillende redenen:
• verouderingsverschijnselen: minder beweging, veranderende stofwisseling, veranderende behoefte
aan energieopname,.....
• lichamelijke klachten
• nevenwerkingen van medicatie
• verminderde mondzorg
• verkeerde zit- of lighouding
• onjuiste consistentie van de voeding
• eenzaamheid
• behoefte aan autonomie
• schaamte
• agnosie, apraxie
• ......
Een verandering in de voedselopname kan verschillende GEVOLGEN hebben voor de oudere:
• afname in gewicht
• sarcopenie (Snellere afbraak dan aanmaak van spieren bij het ouder worden, waardoor de
spierkracht afneemt en het fysiek functioneren achteruit gaat)
• krachtverlies
• lagere weerstand
• hoger risico op decubitus
• slechtere wondgenezing
• slechtere cognitieve functies
• verminderde levenskwaliteit
• ......
Verschillende niveaus van welbevinden:
- Psychisch welbevinden
Dit wel zijn wordt al dan niet gedeeltelijk tenietgedaan wanneer mensen depressief zijn, geen honger
hebben, concentratieproblemen ondervinden, onzeker zijn of zich niet veilig voelen bv. door een
, opname. Mensen met eetstoornissen kunnen beschaamd zijn door bv. bevende handen of
overvloedige speekselvorming. Tafelgenoten kunnen hierover gevoelens van afkeer tonen.
Daarnaast kunnen ook verborgen, pijnlijke associaties uit het verleden weerstand oproepen: bv. als
kind een spruit niet willen inslikken
- Fysisch welbevinden
Een slechte voedingstoestand, ziekte, algemene achteruitgang en conditie, het afnemen van de
eetlust, draagt bij tot een daling van de immuunreacties, verhoogt het aantal infecties en uiteindelijk
ook de sterftegraad. Sommige ouderen ruiken, proeven, zien hun eten anders op hun bord waardoor
de eetlust afneemt. Slikproblemen die opduiken bv. na een CVA of na bestraling voor keelkanker,
zorgen voor een vermindering van het fysisch welbevinden. Maar ook onvoldoende hulp en tijd
krijgen om te eten en te drinken, het onvermogen om het bestek te herkennen en te hanteren, het
weigeren van eten en/ of drinken heeft een invloed.
- Sociaal welbevinden
90% van de mensen eten niet graag alleen. De mens is en blijft ook steeds een “medemens “. Voor
een zinvol bestaan zijn relaties met familie, vrienden en eventuele medebewoners belangrijk. De
maaltijd is een ideaal aanknopingspunt voor sociaal contact tussen de cliënt en de hulpverlener/
familie. Er zijn echter altijd een aantal mensen die wel graag alleen eten, ook hier moet je als
hulpverlener rekening mee houden.
- Materieel welbevinden
Wanneer er geen voldoende geld voorhanden is om eten te kopen, je op een ongemakkelijke stoel
moet zitten, je te ver van de tafelrand zit, het te duister is om te zien wat er op je bord ligt, dan wordt
je materieel welbevinden verminderd.
- Cultureel welbevinden
In onze cultuur eet men niet al liggend, eet men geen gedroogde rupsen zoals in Afrika of dode
honden zoals in China.
- Existentieel welbevinden
Wanneer de oudere niet kan kiezen wat hij of zij eet. Wanneer er geen rekening wordt gehouden
met de gewoontes, voorkeuren of aversies van de persoon. Wanneer de oudere de kans niet (meer)
krijgt om nog zelfstandig te eten, ook al lukt dit niet meer met mes en vork, is er een daling van het
existentieel welbevinden.
Assessments
Er zijn verschillende meetinstrumenten ontwikkeld om ondervoeding op te sporen.
Meest gebruikte: de Mini Nutrinional Assessment (MNA). Het instrument bekijkt zes items:
verminderde voedselinname, gewichtsverlies, mobiliteit, acute stress, neuropsychologische
problemen en de BMI.
- Malnutrition Universal Screening Tool (MUST): Voor patiënten op een geriatrische afdeling zijn
de MUST en de MNA de meest aangewezen screeningtools.
Korte assessments:
- De Mini Nutritional Assessment-Short Form (MNA-SF). = snel, eenvoudig en gevalideerd