Les 1: 10 februari 2026
AFKORTINGEN
- PdS / PnS: personen die stotteren, personen die niet stotteren
- VdS / VnS: als het gaat over volwassenen
- KdS / KnS: als het gaat over kinderen
- TdS / TnS: als het gaat over tieners
TYPES VAN VLOEIENDHEIDSSTOORNISSEN
VLOEIENDHEIDSSTOORNIS
Fluency is the aspect of speech production that refers to continuity, smoothness, rate, and effort. (ASHA)
We kijken naar deze 4 aspecten:
- Continuity
o Aaneenkoppeling v vss klanken na elkaar
o Verstoorde continuïteit dor bv een onderbreking
- Smoothness
o Stel dat iem in een kadans begint te spreken = niet meer smooth spraak
- Rate
o Snelheid waarmee je spreekt.
o Probleem bij broddelen en niet echt bij stotteren
- Effort
o Inspanning die iem moet leveren.
o Soms PdS vechten tegen de stotter die gaat komen
“Vloeiende sprekers zijn diegenen die zonder merkbare inspanning lange reeksen van syllaben
kunnen produceren, door een adequate combinatie van snelheid en continuiteit” > later nog nuancering
(Starkweather & Givens-Ackerman, 1997)
STOTTEREN EN BRODDELEN
- Stotteren (stuttering)
- Broddelen (cluttering)
Stuttering = “disorder in the rhythm of speech in which the individual knows precisely what he wishes to say
but at the time is unable to say because of an involuntary repetition, prolongation or cessation of a sound.”
>> spraakplanningsstoornis (initiatie) (WHO)
- Stoornis in ritme v spraak.
- Weet precies wat die wilt zeggen maar op moment v uitspraak, gaat spraak onvrijwillig vastlopen
o Bv door herhaling, blokkade, verlenging
- Stoornis in spraakplanning (vooral initiatie spraakklanken) en GEEN taalstoornis
Cluttering = “Cluttering is a syndrome characterized by a speech
delivery rate which is either abnormally fast, irregular, or both. In cluttered speech, the person’s speech
is affected by one or more of the following:
(1) failure to maintain normally expected sound, syllable, phrase, and pausing patterns;
(2) evidence of greater than expected incidents of disfluency, the majority of which are unlike those typi
cal of people who stutter.”
(St Louis et al., 2003, the ASHA leader)
- heel snelle of onregelmatige spreeksnelheid of beide.
o Onregelmatig = heel snel praten, opeens pauze dan weer heel snel …
- spraak is te snel voor de snelheid waarin onze articulatoren kunnen bewegen
1
,OVERTE STOTTERKENMERKEN (HOREN)
- Kernstotters of primaire kenmerken
o Verlenging van klank: vvvvvvandaag
o Blokkade: b………bal
o Herhaling van lettergreep of klank: vavavavandaag, vvvvandaag
= Top van de ijsberg
- Personen die stotteren, stotteren niet altijd, dit is heel variabel.
- hebben geen controle over stotteren, soms gaan ze meer/minder stotteren dan andere dagen.
- Variabel over contexten en tijd
- Bv k z dat persoon sommige dagen/bepaalde jaren wel stottert en anders veel minder of
bv. tijdens spreken voor een publiek meer stottert
KERNSTOTTERS OF PRIMAIRE KENMERKEN
Typisch:
- Aarzelingen (‘uhm’, omschrijvingen, …)
- Herhaling lettergreep, herhalingen van woorden (‘de, de’)
o Misschien 1 of 2x herhalen van een lettergreep
o Nooit herhaling van een klank
- Niet afgemaakte woorden (beginnen met woord, stoppen en een ander woord gebruiken)
- Interjecties en revisies (= opnieuw beginnen met de zin omdat je het gevoel hebt dat de zin niet klopt)
- Bij typische spraak komt ook soms ontspannen herhaling voor, vooral v wdn, soms ook binnen woord
Bij atypisch stotteren zien we ook echt fysieke spanning, terwijl typisch is het ONTSPANNEN
➢ Frequentie (7 à 10%) -> boven 10% misschien taalprobleem of misschien stotteren?
Atypisch:
- Blokkades
- Verlengingen
- Veelvuldige herhaling lettergreep, herhaling klankniveau (v-v-v-v- vandaag)
K die uiteindelijk ‘stotteren’: meer binnen woord (= lettergrepen en klankniveau) dan tss wdn (65% vs. ca. 35%)
- KdS en kan zijn dat ze niet meer stotteren naar volwassenleeftijd toe. Soms persisteert stotteren.
Binnen woord stotters hebben meer kans op te blijven stotteren ook als volwassenen.
(A)TYPISCHE HERHALINGEN
Oma, gi-gi-gi-gisteren zijn we na-na-naar de ker-ker-kermis geweest.
> herhaling binnen woord met hoge frequentie > atypische onvloeiendheid
Ook bv bij bijna alle inhoudswoorden
naar de k-k-k-kermis
> herhalen op klankniveau meestal atypische onvloeiendheid
‘Euhm, oma, oma, en weet je wat? Gisteren, euhm gisteren zijn we naar, naar de..., naar de kermis geweest’...
> herhaling woord/zinsdeel > niet stotteren (maar aanloopgedrag? , zie later)
> ‘filled pauses’ > niet stotteren (maar bv. veelvuldig: uitstelgedrag? , zie later), Willen beurt niet
afgeven dus ze vullen de pauzes.
Geen echte stotters maar typische onvloeiendheden.
MAAR soms worden de laatste kenmerken gebruikt om het stotteren te verbergen
2
,TYPISCHE ONVLOEIENDHEDEN (1.5-6 YEARS)
- Gemiddelde frequentie onvloeiendheden: 7-10 %
o Erboven -> Is er iets aan de hand?
- Typisch 1 of 2 units / herhaling of interjectie
o Interjecties: wacht eh, uhm, weet je, …
- Vooral herhalingen, interjecties en herzieningen
- Afnemende frequentie van deelwoordherhalingen met ouder worden
o Door bv taalverwerving -> alles gaat veel vlotter
- Geen tekenen van bewustzijn van stotteren of frustratie
o Geen fysieke spanning of frustratie
‘BORDERLINE’ STOTTEREN (1.5-6 JAAR)
- > 10 onvloeiendheden/100 woorden
- Vaak > 2 ‘units’ / herhaling
- Deelwoord herhalingen, één-lettergrepige herhalingen en klankverlengingen domineren
- Geen blokkades (= ernstige stotter)
- Onvloeiendheden zijn nog niet gespannen
- Weinig tekenen van frustratie
- Ten minste 3 binnen-woord onvloeiendheden / 100 syllaben > “at risk” voor stotteren
o 3% binnen-woord herhalingen = borderline
ONTWIKKELINGSSTOTTEREN
= grootste vorm van stotteren
- Geboren met stotteren
Wanneer wordt onvloeiendheid atypisch?
- Vanaf welke mate van onvloeiendheid kunnen we spreken over stotteren?
- Typische fase in spraak- en taalverwerving?
- Taalprobleem vs stotteren?
DSM-IV naar DSM-V
- “Stuttering” > childhood onset fluency disorder
- Verwijdering typische onvloeiendheden als ‘kern’symptoom (criterium A)
o Vroeger werd dit gezien als kenmerken van stotteren maar nu niet meer
- Angst en vermijding toegevoegd > erkenning comorbiditeit
o Deel van diagnostiek, angst om te stotteren of bv schaamte
▪ Zelf vermijding, iets niet doen omwille van stotteren
▪ (bv geen leerkracht worden, geen activiteiten doen, thuis blijven, …)
o Als persoon er geen probleem mee heeft, dus geen angst of vermijding of …
→ gaan we dit dan ook niet behandelen
Zie les diagnostiek – stotteren vs stotterprobleem
3
, OVERTE STOTTERKENMERKEN (ZIEN)
Secundair gedrag
= gevolg primaire kenmerken, bij jonge kinderen komt dit nog niet voor
- Vermijden
o Ik voel dat er een stotter aankomt -> ik ga een ander woord gebruiken om die stotter te
vermijden
o Ook vermijden van situaties: bv niet meer naar chiro willen gaan of geen nieuwe kindjes willen
ontmoeten
- Uitstellen
o Binnen de spraak zelf
o Je voelt een stotter aankomen: je voegt uitingen toe om die te vermijden
o Zojuist hadden we het over filled pauzes -> kan ook een uitsteltechniek zijn in plaats van een
typische stotter
- Startgedrag
o Stel dat kind doorheeft ow als ik een adempauze neem
-> woord komt er veel vloeiender uit
-> gaat vanaf nu altijd startgedrag gebruiken
- Duwen
o Woord eruit duwen
o Filmpje: vrouw duwt zo hard op de tanden -> stukje tand gebroken
- Controleverlies, spanning
COVERTE STOTTER-KENMERKEN (GROTE IMPACT, MAAR NIET ZIEN/HOREN)
- Kernstotteren
- Secundair gedrag
- Psycho-sociale aspecten
o Cognities
o Emoties
- Veel meer aandacht aan hoe de persoon zich voelt.
- Als er geen probleem zijn met zelfbeeld, angst, … gaat er toch geen behandeling gebeuren.
- Want die angst, vermijdingen, … hebben een invloed op het dagelijks leven.
- Ontkenning = interne strijd, doen alsof je niet stotters. Moeten we aan werken
o Cognities
o Emoties
- Reacties van andere kunnen ook leiden tot ‘laat maar, ik praat wel gewoon niet’
VIDEO SIMON – 8 JAAR
- Met ontwikkelingsstotteren
- M-meisje
- Ma-ma-ma
- Zo-zo zoveel
- Ka-ka- kan
- Ni – ni- nie meer
- So-sssoms
- Doe-doe-doe alsof
- Geen echte fysieke compensaties
4