Inleiding tot het recht: het Belgisch staatsstructuur
a. Kenmerken van de Belgische staat: puntje 1 tot 5
i. Rechtsstaat
Overheid (OH) moet grondrechten van burgers respecteren:
→ fundamentele rechten en vrijheden (GW, EVRM)
→ democratisch tot stand gekomen wetgeving naleven
OH moet rechten van burgers beschermen:
- In onafhankelijke gerechtelijke structuren voorzien (rechtsbescherming)
⇒ de rechtscolleges die de schendingen sanctioneren
- In uitvoerende structuren voorzien (bestuur)
⇒ diensten, instellingen die ervoor zorgen dat die rechten kunnen worden uitgevoerd
vb: recht op huisvesting → sociale woonmaatschappijen die daarmee helpen voor de
mensen die het niet kunnen betalen, OCMW
Vanaf 20ste eeuw: regulerend optreden van de staat
- Meer tussengekomen voor bescherming
vb: recht op arbeid, maar we moeten ook belasting betalen (fiscale wetgeving)
→ sociale, economische, culturele, fiscale wetgeving
ii. Democratie
Democratie = participatie van de burgers in het staatsbestuur
Ratio: no taxation without representation!
Hoe: via vrije verkiezingen van “volksvertegenwoordigers” in het parlement
⇒ parlementaire democratie: volksvertegenwoordigers in het parlement
iii. Scheiding der machten
Politieke driehoek
WM: parlementen (6 parlementen): maken de regels + wijzigen + afschaffen
- 5 gemeenschaps- en gewestparlementen
UM: regeringen (6 in totaal: 1 federale en 5 gewestregeringen)
RM: rechtscolleges: sanctioneren bij schending van de rechtsregels
, ⇒ principe komt van de Franse revolutie in 1789: rechtsfilosoof Montesquieu:
de bedoeling is dat de machten elkaar controleren en voor controle mag er geen inmenging
zijn
- Wisselwerking tussen de WM en UM (p. 76 HB):
→ scheiding is relatief
vb: regering is een afspiegeling van de politieke meerderheid
→ wordt bepaald wie de meeste stemmen heeft gehaald bij de verkiezingen, die
hebben dan een meerderheid in het parlement + meerdere ministers in het parlement
hebben
vb: regering de belangrijkste motor van de wetgever de activiteiten
→ belangrijkste wetten worden uitgegaan bij wetsontwerpen (UM), maar initiatieven
gaan uit vanaf de WM
vb: amendementen (zie wetgevende procedure puntje C)
- Wisselwerking tussen UM en RM
→ volledig onafhankelijk blijven + hebben controlerende functie: OH moet zich ook
houden aan de rechtsregels die gecontroleerd wordt door de RM
MAAR in de praktijk: benoeming van rechters politiek gekleurd zijn (stippellijn)
iv. Federale staat
Evolutie: van eenheidsstaat naar “federale staat”: naast een federale overheid zijn er
deelstaten: 3 gewesten en 3 gemeenschappen met een federaal niveau (op dezelfde niveau)
→ 1830: centraal gezag – provincies – gemeenten
→ 1970-2014:
- Federalisering
- Via GW-herzieningen (“staatshervormingen” → zie slides 1)
Federalisering
→ oprichting ‘deelstaten’ (3 Gemeenschappen en 3 Gewesten) naast de federale staat
→ geleidelijke uitbreiding bevoegdheden van deelstaten
→ 6de staatshervorming (2012-2014)
! Provincies aantal kennen + allemaal kennen, gemeenten NIET
v. Monarchie
Koning als staatshoofd
Koning heeft beperkte politieke macht:
→ politiek onbekwaam
→ politiek onverantwoordelijk
⇒ koning kan niet ter verantwoording geroepen worden door de politieke
handelingen (zijn handtekening)
→ “Koning” ~ Regering = bevoegdheden van de koning worden in praktijk
uitgevoerd door de regering
Koninklijke onschendbaarheid (art. 88 GW): koning kan niet vervolgd of veroordeeld worden
2 hoedanigheden
- Lid van de WM
- Hoofd van de UM
a. Kenmerken van de Belgische staat: puntje 1 tot 5
i. Rechtsstaat
Overheid (OH) moet grondrechten van burgers respecteren:
→ fundamentele rechten en vrijheden (GW, EVRM)
→ democratisch tot stand gekomen wetgeving naleven
OH moet rechten van burgers beschermen:
- In onafhankelijke gerechtelijke structuren voorzien (rechtsbescherming)
⇒ de rechtscolleges die de schendingen sanctioneren
- In uitvoerende structuren voorzien (bestuur)
⇒ diensten, instellingen die ervoor zorgen dat die rechten kunnen worden uitgevoerd
vb: recht op huisvesting → sociale woonmaatschappijen die daarmee helpen voor de
mensen die het niet kunnen betalen, OCMW
Vanaf 20ste eeuw: regulerend optreden van de staat
- Meer tussengekomen voor bescherming
vb: recht op arbeid, maar we moeten ook belasting betalen (fiscale wetgeving)
→ sociale, economische, culturele, fiscale wetgeving
ii. Democratie
Democratie = participatie van de burgers in het staatsbestuur
Ratio: no taxation without representation!
Hoe: via vrije verkiezingen van “volksvertegenwoordigers” in het parlement
⇒ parlementaire democratie: volksvertegenwoordigers in het parlement
iii. Scheiding der machten
Politieke driehoek
WM: parlementen (6 parlementen): maken de regels + wijzigen + afschaffen
- 5 gemeenschaps- en gewestparlementen
UM: regeringen (6 in totaal: 1 federale en 5 gewestregeringen)
RM: rechtscolleges: sanctioneren bij schending van de rechtsregels
, ⇒ principe komt van de Franse revolutie in 1789: rechtsfilosoof Montesquieu:
de bedoeling is dat de machten elkaar controleren en voor controle mag er geen inmenging
zijn
- Wisselwerking tussen de WM en UM (p. 76 HB):
→ scheiding is relatief
vb: regering is een afspiegeling van de politieke meerderheid
→ wordt bepaald wie de meeste stemmen heeft gehaald bij de verkiezingen, die
hebben dan een meerderheid in het parlement + meerdere ministers in het parlement
hebben
vb: regering de belangrijkste motor van de wetgever de activiteiten
→ belangrijkste wetten worden uitgegaan bij wetsontwerpen (UM), maar initiatieven
gaan uit vanaf de WM
vb: amendementen (zie wetgevende procedure puntje C)
- Wisselwerking tussen UM en RM
→ volledig onafhankelijk blijven + hebben controlerende functie: OH moet zich ook
houden aan de rechtsregels die gecontroleerd wordt door de RM
MAAR in de praktijk: benoeming van rechters politiek gekleurd zijn (stippellijn)
iv. Federale staat
Evolutie: van eenheidsstaat naar “federale staat”: naast een federale overheid zijn er
deelstaten: 3 gewesten en 3 gemeenschappen met een federaal niveau (op dezelfde niveau)
→ 1830: centraal gezag – provincies – gemeenten
→ 1970-2014:
- Federalisering
- Via GW-herzieningen (“staatshervormingen” → zie slides 1)
Federalisering
→ oprichting ‘deelstaten’ (3 Gemeenschappen en 3 Gewesten) naast de federale staat
→ geleidelijke uitbreiding bevoegdheden van deelstaten
→ 6de staatshervorming (2012-2014)
! Provincies aantal kennen + allemaal kennen, gemeenten NIET
v. Monarchie
Koning als staatshoofd
Koning heeft beperkte politieke macht:
→ politiek onbekwaam
→ politiek onverantwoordelijk
⇒ koning kan niet ter verantwoording geroepen worden door de politieke
handelingen (zijn handtekening)
→ “Koning” ~ Regering = bevoegdheden van de koning worden in praktijk
uitgevoerd door de regering
Koninklijke onschendbaarheid (art. 88 GW): koning kan niet vervolgd of veroordeeld worden
2 hoedanigheden
- Lid van de WM
- Hoofd van de UM