GHZ
Inleiding
Organisatie vd GHZ
Waarom is het belangrijk?
Je begrijpt waarom beslissingen genomen worden (bv. besparingen,
wachtlijsten).
Je kan cliënten correct begeleiden (rechten, kosten, doorverwijzing).
Je ziet het grotere geheel (“the bigger picture”) → zorg is méér dan
alleen zorg verlenen.
Voorbeeld: Een patiënt klaagt over hoge facturen → jij kan uitleggen hoe
remgeld, derdebetalersregeling of maximumfactuur werkt.
Concreet
Basisbegrippen en invloeden op elkaar
Organisatie = momentopname van hoe zorg is opgebouwd (structuur,
hiërarchie)
Organiseren = proces (continu in beweging)
Systeem = manier waarop we organiseren (bv. solidariteit, belastingen)
Structuur = beleid, regels, afspraken
Voorbeeld: De Belgische GHZ-organisatie vandaag ≠ die van 1944 → maar het
organiseren blijft doorgaan.
“Aardrijkskunde”
Land = geografisch
Staat = bestuurlijk systeem
Gemeenschap = taal en cultuur (Vlaams, Frans en Duitstalige
gemeenschap)
Gewest = economische invalshoek (het Vlaams gewest, het Brussels
hoofdstedelijk gewest en het Waals gewest)
2 kernbegrippen: Bismarck en Beveridge (!!!)
= Gezondheidszorgmodellen
Bismarck
Solidariteit tussen actieve en niet-
actieve
Deal tussen kapitalisme en
socialisme
Financiering via sociale bijdragen
(Bv RSZ)
Verzorgingsstaat
1
, Is afhankelijk vd balans tussen de actieve <-> niet actieve
Voorbeeld: Je werkt → je betaalt bijdragen → ook zieken, ouderen en werklozen
krijgen zorg.
Voordeel: sterke solidariteit
Nadeel: vergrijzing zet systeem onder druk
Beveridge
Angelsaksisch systeem
Financiering via belastingen
Public health systeem
Budget afhankelijk van politieke keuzes
Voorbeeld: In het VK kan de zorgkwaliteit dalen of stijgen naargelang wie regeert.
Voordeel: universele toegang
Nadeel: wachttijden, politieke afhankelijkheid
Convergeren en andere systemen
= combinatie van systemen.
België (belastingsysteem):
Solidariteit (Bismarck)
Belastingen (Beveridge)
=Mengvorm
Marktsysteem (kapitalisme): privébezit, concurrentie en vraag/aanbod om
economische beslissingen te sturen.
Communistisch systeem: gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen,
klassenloze samenleving en staatseigendom van alles, waarbij iedereen bijdraagt
naar vermogen en krijgt naar behoefte.
Mening: “Ik kies voor een convergerend systeem omdat solidariteit noodzakelijk
is, maar belastingen flexibiliteit geven bij maatschappelijke veranderingen.”
België is een verzorgingsstaat/welvaartsstaat (!!!)
= sociaal systeem waarbij overheid verantwoordelijkheid opneemt inzake
gezondheidszorg, sociale zekerheid, werk en onderwijs.
= sprake van convergeren (combinatie)
Kritisch nadenken:
Is solidariteit altijd positief? beschermt zwakkeren, maar risico op
misbruik/betaalbaarheid.
Geschiedenis
Belangrijk kantelpunt: Besluitwet van 28 december 1944 (!)
Einde vd oorlog: ons land is zeer verdeeld geweest, maar veel
solidariteit. Fundering vd GHZ.
Gevolgen:
Overeenkomst artsen en apothekers: honoraria vastleggen.
Gesubsidieerde vrijheid: overheid laat ziekenfondsen initiatieven uitwerken
(eigen nadruk leggen).
2