Hoorcollege – notities
1
, Inhoudsopgave
1. HOC 1: Psychometrie
1.1. Wat zijn psychologische testen ?
1.1.1.Inleiding: Kleine quiz + Voorbeeld psychologische test: APGAR-scoring
1.1.1.1. Hoe ga je later gebruik moeten maken van psychologische testen?
1.1.2.Wat zijn psychologische testen?
1.1.2.1. Waarom zijn ze zo belangrijk?
1.1.2.2. Hoeveel vertrouwen kunnen we hebben in psychologische testen?
1.1.2.2.1. Wat is psychometrie?
1.1.2.2.2. Het belang van testen
1.1.2.3. De definitie van psychologische testen
1.1.2.3.1. De kenmerken
g I. Een staal van gedrag
g II. Systematische procedures
o Testontwikkeling
o Testafname
o Testscoring en interpretatie
- Objectieve scoring
- Subjectieve scoring
g III. Testscores
g IV. Normen en standaarden
g V. Gedrag voorspellen buiten de test
1.1.3.Geschiedenis van psychologische testen
1.1.3.1. Eerste psychologische testen
1.1.3.1.1. Vormen van psychologische testen
1.1.3.2. Experimentele psychologie
1.1.3.2.1. Wilhelm Wundt (1832 – 1920)
1.1.3.2.2. Francis Galton (1822 – 1911)
1.1.3.2.3. James Mckeen Catell (1860 – 1944)
1.1.3.2.4. Clark Wissler (1870 – 1947)
1.1.3.3. Eerste moderne intelligentietesten
1.1.3.3.1. Binet-Simon test
g Eerste versie (1905)
g Tweede versie (1908)
g Derde versie (1911)
1.1.3.4. Misbruik van intelligentietesten
1.1.3.5. Invloed van WO I en WO II
1.1.3.5.1. Eerste persoonlijkheidstest
1.1.3.5.2. WO II – factoranalyse
1.1.3.6. Conclusie
4
,2. HOC 2: Meetschalen
2.1. Soorten psychologische testen
2.1.1.Meten
2.1.2.Manieren om testen in te delen
2.1.2.1. Intelligentietesten
2.1.2.1.1. Weschler intelligentietest
2.1.2.1.2. Stanford-Binetintelligentietest (versie 5)
2.1.2.1.3. The progressive matrices of Raven
2.1.2.2. Bekwaamheidstesten
2.1.2.2.1. Prestatietesten
2.1.2.2.2. Creativiteitstesten
2.1.2.2.3. Persoonlijkheidstesten
g Personal datasheet
g Ontwikkeling doorheen de jaren
o NEO Personality Inventory Revised (NEO-PI-R)
g Projectieve testen
2.1.2.2.4. Interessetesten
2.1.2.2.5. Neuropsychologische testen
2.1.2.2.6. Individuele- vs. groepstesten
2.1.2.2.7. Populairste testen in België
2.2. Operationaliseren
2.2.1.Constructen
2.2.1.1. Soorten constructen
2.2.1.1.1. Empirische constructen
2.2.1.1.2. Hypothetische constructen
2.2.1.2. Van construct naar variabele
2.2.2.Meten
2.2.2.1. Eigenschappen van getallen
2.2.2.1.1. Identiteit
g Voorbeelden
g Vereisten
o Identiteit
o Mutueel exclusief
o Exhaustief
2.2.2.1.2. Orde
2.2.2.1.3. Kwantiteit
2.2.2.1.4. Het nulpunt – het getal 0
g Absoluut nulpunt
g Relatief (arbitrair) nulpunt
2.2.2.2. Meetschalen
2.2.2.2.1. Vier: Nominaal, ordinaal, interval en ratio
2.2.2.2.2. Meetschalen in de praktijk
5
, 3. HOC 3: Individuele verschillen
3.1. Voorbeeld dataset (komt terug doorheen heel dit deel)
3.2. Verdeling van de scores
3.2.1.Variabiliteit
3.2.2.Karakteristieke waarden
3.2.2.1. Karakteristieke waarden van positie
3.2.2.1.1. Modus
3.2.2.1.2. Mediaan
3.2.2.1.3. Rekenkundig gemiddelde
3.2.2.1.4. Kwantielen
3.2.2.2. Karakteristieke waarden van spreiding
3.2.2.2.1. Variantie
3.2.2.2.2. Standaarddeviatie
3.2.2.3. De vorm van de verdeling
3.2.2.3.1. Drie: symmetrisch, linksscheef en rechtsscheef
3.3. Het verband tussen verdelingen van scores
3.3.1.Covariantie
continue variabelen
3.3.2.Correlatie
3.3.3.Lamda dichotome variabelen
3.3.4.Chi-kwadraat
3.4. Normaalverdeling
3.4.1.Standaardnormaalverdeling
3.4.2.Verandering in ! en/of " als invloed op de normaalverdeling
4. HOC 4: Transformatiemeetwaarden
4.1. De normaalverdeling – toepassing
4.1.1.Voorbeeld 1
4.1.2.Voorbeeld 2
4.1.3.Voorbeeld 3
4.2. Standaardnormale tabellen
4.2.1.Tabel 1
4.2.2.Tabel 2
4.3. Transformatiemeetwaarden
4.3.1.Soorten transformatiemeetwaarden
4.3.1.1. Absolute transformatiemeetwaarden
4.3.1.1.1. Percentage juist
4.3.1.2. Relatieve transformatiemeetwaarden: niet-representatieve referentiegroep
4.3.1.2.1. Rangnummers
4.3.1.2.2. Percentiele rangen
4.3.1.2.3. Standaardmeetwaarden
g Lineaire standaardmeetwaarden
o Voorbeeld: Neuroticisme
g Genormaliseerde standaardmeetwaarden
6