1. Geschiedenis
,Waarom nood aan inzicht in het verleden?
naar politie kijken via 3 dimensies:
1. institutioneel: politie als machtsinstrument; relatie tot staat
2. openbare dienst: politie als dienstverlener; verhouding tussen burger en politie
3. beroep: politie als organisatie, beroepsgroep; kijken naar structuur en werking
→ 4de dimensie volgens Enhus: historisch: kijken naar continuïteit; sommige dingen blijven
stabiel, maar ook wijzigingen
+ inzicht draagt bij aan inzicht in complexiteit van het heden
+ zicht krijgen op ruimere socio-politieke en economische context: politie verandert
naarmate de ideologie die er is
→ ideologisch debat over plaats van politie in samenleving over evenwicht tussen orde en
individuele rechten, vrijheden
Rode draden en breuklijnen in het politiebestel
rode draden: elementen die terugkeren als we de geschiedenis analyseren
1. grote verscheidenheid en onevenwichtige ontwikkeling
2. spanning tussen centrale aansturing en decentrale autonomie: wiens oordeel
handhaven + in functie van wie werkt politie
3. arbeid versus kapitaal: wiens orde moet gehandhaafd → juiste balans vinden
4. spanning tussen streven naar efficiëntie en effectiviteit in politieoptreden en
legitimiteit en democratische controle: maken dat ze niet tegenwerken
5. hoe moeten verschillende politie instanties samen de politiezorg verzorgen?
De Franse en Hollandse erfenis 1794-1830
ontstaan van politiefunctie:
- regulering van gedrag = basisbehoefte in een samenleving
→formele sociale controle: regels, dwang
- eerste sporen van politionele taak: 13e eeuw, stedelijke context bv. schouten,
sergeanten…
- opsporing en vervolging in 1 functie verenigd
→ doel: reguleren van het leven in de stad: controle van handel, geldboetes
- onderdeel van gemeentelijke autonomie
- 15e en 16e eeuw: groei steden, toename van problemen
→ verdere uitbouw politiefunctie, lokale overheden breiden politiemacht uit
(landlopers, overtredingen,..) maar ook op platteland uitbouw en langzaam ontstaan
van militair politiekorps
+ uitbouw van departementen/politiezones
,→ doorheen tijd meer focus op criminaliteitsbestrijding ipv openbare orde
regels ontwikkeld en eerst stedelijk omdat daar meer kans is op problemen: dicht bevolkt +
complexer
1. Franse tijd 1794-1814:
Franse vormen van politie → evolutie naar centraal en duaal systeem: start in Parijs
→ kenmerken Frans model blijven aanwezig tot Octopusakkoord
+ macht nog meer gecentraliseerd: was belangrijk, makkelijk aanstuurbaar als wetgever
Frans model:
- de burgerlijke republiek (1794-1799): politie hoort herkomst te vinden in burgerij
- het militair Napoleontisch regime (1799-1814): “politiestaat” : politie is gericht op
openbare ordehandhaving en verzamelen politieke informatie
kenmerken:
1. Militarisering: van discipline en hiërarchie naar gendarmerie (wordt later rijkswacht)
eerste militaire politie op platteland: maréchaussée op platteland
→ “maréchal” zorgde voor tucht bij ruiterij en stallen van de koning
taak: orde en veiligheid bij militaire activiteiten → later uitgebreid met openbare
ordehandhaving en banditisme
verspreid in garnizoenen over het grondgebied van het platteland: centralisering én
deconcentralisering
+ in Parijs ontstaat intussen een centraal geleid systeem, met “lieutenant de police” vanaf
1667 = eerste stedelijke politie
2. Centralisering: uitbouw gendarmerie + nationale wetgeving
uitvoerende macht oefent controle uit: is ministerie van politie
+ invoering onderscheid tussen administratieve en gerechtelijke politie
Joseph Fouché: minister Algemene Politie
richtte Police Secrète op → nood aan verzameling politieke informatie
→ taak: inwinnen, analyseren, gebruiken van inlichtingen door middel van informanten en
infiltranten
, politie: instrument machthebbers, moet samenleving in het oog houden
= Haute police: hoge politie, focus op criminele inlichtingen
→ informatieverzameling via mouchards, verklikkers
taak van politie = vrijwaren van de macht van de vorst; buitenlandse, binnenlandse
bedreigingen + staat dus boven alle overheden
→ politiewerk wordt spionage en verklikking ⇒ politionele legitimiteit: in welke mate wij
gezag toekennen aan politie: als erkenning laag is dan is vertrouwen laag en gaan mensen
niet meewerken
3. Verscheidenheid: nog andere taken bij politie
→ nadeel: informatieuitwisseling problematisch
→ voordeel: specialisatie, sterk worden in je eigen taak
belangrijkste korpsen:
- Corps de la Gendarmerie Nationale 1798-1809: centraal georganiseerde korps
→ vervangt maréchaussée
+ werd later Gendarmerie Impériale
- Police municipale vanaf 1789:
decentralisatie, later nationalisatie in police nationale
● administratieve, gerechtelijke taken
● commissarissen, veldwachters
● burgemeester: belangrijke rol voor lokale overheid
- Garde Nationale 1800,1810:
→ voorloper burgerwacht
taken: openbare orde + grens, kustbewaking
2. Hollandse tijd 1815-1830:
weinig veranderingen; conflicten bleven
+ overname Franse erfenis, maar in mildere vorm; afzwakking van de ‘politiestaat’
MAAR handhaving van idee van ‘haute police’ en geheime politie
+ Ministerie van Algemene Politie bleef bestaan, Felix van Maanen werd nieuwe minister
korpsen:
- Maréchaussée: centrale korps in de Nederlanden
→ gendarmerie, maar term vervangen wegens beladen
- Gemeentelijke politie: commissarissen, veldwachters
→ toename gemeentelijke autonomie 1815, MAAR weer afzwakking rond 1825
,Waarom nood aan inzicht in het verleden?
naar politie kijken via 3 dimensies:
1. institutioneel: politie als machtsinstrument; relatie tot staat
2. openbare dienst: politie als dienstverlener; verhouding tussen burger en politie
3. beroep: politie als organisatie, beroepsgroep; kijken naar structuur en werking
→ 4de dimensie volgens Enhus: historisch: kijken naar continuïteit; sommige dingen blijven
stabiel, maar ook wijzigingen
+ inzicht draagt bij aan inzicht in complexiteit van het heden
+ zicht krijgen op ruimere socio-politieke en economische context: politie verandert
naarmate de ideologie die er is
→ ideologisch debat over plaats van politie in samenleving over evenwicht tussen orde en
individuele rechten, vrijheden
Rode draden en breuklijnen in het politiebestel
rode draden: elementen die terugkeren als we de geschiedenis analyseren
1. grote verscheidenheid en onevenwichtige ontwikkeling
2. spanning tussen centrale aansturing en decentrale autonomie: wiens oordeel
handhaven + in functie van wie werkt politie
3. arbeid versus kapitaal: wiens orde moet gehandhaafd → juiste balans vinden
4. spanning tussen streven naar efficiëntie en effectiviteit in politieoptreden en
legitimiteit en democratische controle: maken dat ze niet tegenwerken
5. hoe moeten verschillende politie instanties samen de politiezorg verzorgen?
De Franse en Hollandse erfenis 1794-1830
ontstaan van politiefunctie:
- regulering van gedrag = basisbehoefte in een samenleving
→formele sociale controle: regels, dwang
- eerste sporen van politionele taak: 13e eeuw, stedelijke context bv. schouten,
sergeanten…
- opsporing en vervolging in 1 functie verenigd
→ doel: reguleren van het leven in de stad: controle van handel, geldboetes
- onderdeel van gemeentelijke autonomie
- 15e en 16e eeuw: groei steden, toename van problemen
→ verdere uitbouw politiefunctie, lokale overheden breiden politiemacht uit
(landlopers, overtredingen,..) maar ook op platteland uitbouw en langzaam ontstaan
van militair politiekorps
+ uitbouw van departementen/politiezones
,→ doorheen tijd meer focus op criminaliteitsbestrijding ipv openbare orde
regels ontwikkeld en eerst stedelijk omdat daar meer kans is op problemen: dicht bevolkt +
complexer
1. Franse tijd 1794-1814:
Franse vormen van politie → evolutie naar centraal en duaal systeem: start in Parijs
→ kenmerken Frans model blijven aanwezig tot Octopusakkoord
+ macht nog meer gecentraliseerd: was belangrijk, makkelijk aanstuurbaar als wetgever
Frans model:
- de burgerlijke republiek (1794-1799): politie hoort herkomst te vinden in burgerij
- het militair Napoleontisch regime (1799-1814): “politiestaat” : politie is gericht op
openbare ordehandhaving en verzamelen politieke informatie
kenmerken:
1. Militarisering: van discipline en hiërarchie naar gendarmerie (wordt later rijkswacht)
eerste militaire politie op platteland: maréchaussée op platteland
→ “maréchal” zorgde voor tucht bij ruiterij en stallen van de koning
taak: orde en veiligheid bij militaire activiteiten → later uitgebreid met openbare
ordehandhaving en banditisme
verspreid in garnizoenen over het grondgebied van het platteland: centralisering én
deconcentralisering
+ in Parijs ontstaat intussen een centraal geleid systeem, met “lieutenant de police” vanaf
1667 = eerste stedelijke politie
2. Centralisering: uitbouw gendarmerie + nationale wetgeving
uitvoerende macht oefent controle uit: is ministerie van politie
+ invoering onderscheid tussen administratieve en gerechtelijke politie
Joseph Fouché: minister Algemene Politie
richtte Police Secrète op → nood aan verzameling politieke informatie
→ taak: inwinnen, analyseren, gebruiken van inlichtingen door middel van informanten en
infiltranten
, politie: instrument machthebbers, moet samenleving in het oog houden
= Haute police: hoge politie, focus op criminele inlichtingen
→ informatieverzameling via mouchards, verklikkers
taak van politie = vrijwaren van de macht van de vorst; buitenlandse, binnenlandse
bedreigingen + staat dus boven alle overheden
→ politiewerk wordt spionage en verklikking ⇒ politionele legitimiteit: in welke mate wij
gezag toekennen aan politie: als erkenning laag is dan is vertrouwen laag en gaan mensen
niet meewerken
3. Verscheidenheid: nog andere taken bij politie
→ nadeel: informatieuitwisseling problematisch
→ voordeel: specialisatie, sterk worden in je eigen taak
belangrijkste korpsen:
- Corps de la Gendarmerie Nationale 1798-1809: centraal georganiseerde korps
→ vervangt maréchaussée
+ werd later Gendarmerie Impériale
- Police municipale vanaf 1789:
decentralisatie, later nationalisatie in police nationale
● administratieve, gerechtelijke taken
● commissarissen, veldwachters
● burgemeester: belangrijke rol voor lokale overheid
- Garde Nationale 1800,1810:
→ voorloper burgerwacht
taken: openbare orde + grens, kustbewaking
2. Hollandse tijd 1815-1830:
weinig veranderingen; conflicten bleven
+ overname Franse erfenis, maar in mildere vorm; afzwakking van de ‘politiestaat’
MAAR handhaving van idee van ‘haute police’ en geheime politie
+ Ministerie van Algemene Politie bleef bestaan, Felix van Maanen werd nieuwe minister
korpsen:
- Maréchaussée: centrale korps in de Nederlanden
→ gendarmerie, maar term vervangen wegens beladen
- Gemeentelijke politie: commissarissen, veldwachters
→ toename gemeentelijke autonomie 1815, MAAR weer afzwakking rond 1825