1. Pedagogiek en opvoeding
1.1.Beschrijving van het begrip pedagogiek
Pedagogiek
= de wetenschappelijke studie van de opvoeding van kinderen en jongeren van 0 tot 18 jaar.
Doel: opvoeders handvaten geven, zodat ze kunnen bijdragen aan een verbetering van de
opvoedingssituatie en daarmee de ontwikkeling van het kind, de jongere stimuleren.
- Aanpak kind: het gedrag van het kind verklaren, voorspellen of begrijpen.
- Aanpak opvoeder: vaardigheden en handelen van opvoeder ondersteunen en verbeteren.
Milde problemen binnen gewone opvoedingssituaties => pedagogiek
Specifieke opvoedings- en ontwikkelingsvragen binnen verontrustende opvoedsituaties =>
orthopedagogiek
1.2.Wat verstaan we onder opvoeden
- Opvoeden is een circulair proces.
= Kinderen hebben bepaalde noden die we zien als de pedagogische vraag van het kind(bv. veiligheid, liefde,..).
Ouder gaan hierop reageren met een pedagogische aanbod (bv. Aandacht, ondersteuning,..). Hierop zal het kind
weer reageren enzovoort. Er is sprake van een voortdurende actie- reactie patroon waarbij het kind en de
ouders elkaar wederzijds beïnvloeden..
- Opvoeden is Complementair
= door de wederzijdse beïnvloeding, dragen ouders en het kind evenveel bij aan het opvoedingsproces.
Ontwikkeling is een dynamisch spel tussen aanleg (nature), milieu (nurture) en zelfbepaling.
Erfelijke aanleg = kind word met een bepaalde aanleg geboren
Bv. Kind wordt geboren met visuele beperking
Milieu = de omgeving beïnvloed de ontwikkeling door culturele en maatschappelijke zaken.
Het Bepaald mee of de erfelijke aanleg tot uiting komt.
Bv. Opgroeien in een kansarm milieu zorgt voor beperkingen van kansen
Zelfbepaling = kinderen kunnen zelf beslissingen nemen en (gedeeltelijk) afstand nemen van hun
opvoeding. Ze hebben een eigen wil.
Bv. Keuze studierichting.
1.3.Is opvoeden een zaak van de ouders alleen?
Opvoedingsmilieu
= de omgeving waarin een kind opgroeit en die invloed heeft op diens ontwikkeling
Opvoeden is dus niet uitsluitend de taak van de ouder. Ze hebben meet een deeltaak (beperkte
invloed)
4 niveaus:
primaire opvoedingsmilieu: het gezin
= > in het gezin leert het kind een beeld van de wereld te vormen.
Secundaire opvoedingsmilieu: school en kinderopvang
= > Scholen hebben ook een opvoedende taak. Ouders kiezen vaak een school die overeenkomt met
hun visie op opvoeding. Naarmate het kind opgroeit verbreedt het diens kijk op de wereld.
Tertiaire opvoedingsmilieu: buurt en leeftijdsgenoten, jeugdbeweging,..
, = > Naarmate kinderen ouder worden, worden leeftijdsgenoten steeds belangrijker. Er is een
verschuiving van ouders naar vriendengroep wiens groepsnormen ze eigen maken.
Ook de buurt speelt een belangrijke rol (bv. Drukke stad of rustig dorpje)
Quartair opvoedingsmilieu: de wereld
= > Deze invloed is heel erg breed van maatschappelijke veranderingen tot technologische
ontwikkeling. (bv. Sociale media)
, 2. Sociaal-ecologisch model van Bronfenbrenner
= Een instrument waarmee je de sociale omgeving waarin een kind opgroeit kan ontleden
Bronfenbrenner: Russisch-Amerikaans psycholoog, grondlegger van het bio-
ecologisch model in 1994.
5 systemen: micro-, meso-, exo-,macro- en chronosysteem
Ontwikkeling = een voortgaande, wederzijdse aanpassing tussen kind
en omgeving
2.1 Het microsysteem
= Dagelijkse directe omgeving van het kind (bv. gezin)
Voorwaarde: vaste gesprekspartners
= mensen die een kind terugkerend ontmoet, en mee in contact gaat
Vormt dynamische context voor ontwikkeling van het kind
(wederzijdse beïnvloeding)
Kinderen zijn geen passieve ontvangers, zij oefenen zelf ook invloed
uit
Wordt gekenmerkt door 2 aspecten:
- Fysische/materiële aspecten:
Bv. huisvesting, buurt, speelgoed, speelmogelijkheden,..
- Sociale aspecten: samenstelling van het systeem
Bv. onderlinge relaties, verwachtingen/eisen, vaste patronen van dagelijkse routines,..
2.2 Het mesosysteem
= Contacten die personen uit het microsysteem met elkaar hebben.
Wederzijdse invloed tussen microsystemen (Bv. ruzie thuis = agressief op school)
Goede afstemming tussen de microsystemen is van belang voor een goede ontwikkeling.
Slechte afstemming zorgt voor verstoorde relaties. Steun ontbreekt & belemmerend effect op
ontwikkeling
We kijken naar:
- Kwaliteit: hoe goed of slecht een relatie is
Bv. relatie tussen ouder en onthaalmoeder is goed
- Frequentie: hoe vaak er contact is.
Bv. ouders kunnen nauwelijks contact hebben met de trainer van hun kind
- Waardering: van grote waardering tot afwijzing naar elkaar
Bv. afwijzing: ouders van puber zijn afwijzend tegen de vriendengroep van hun kind.
Bv. overwaardering: ouders hechten zoveel belang aan goede punten dat het kind weinig ruimte heeft om
nieuwe mensen te leren kennen.
Overgangen van het ene microsysteem naar het andere kan vlot of minder vlot verlopen. Het hangt af
van de verschillen tussen de systemen en manier van omgang (waarden en normen).
2.3 Het exosysteem
= De invloeden van een context/ omgeving waar het kind geen deel van uitmaakt. Maar het beïnvloedt wel de
directe omgeving en zo heeft het wel invloed op de ontwikkeling van het kind
Bv. werk van ouders, vrienden van broers/zussen,…
2.4 Het macrosysteem
= Grote structuren die invloed hebben op andere systemen en (in)direct op het kind
Bv. Heersende ideologie, onderwijsbeleid, sociale voorzieningen, juridisch beleid, pandemie,..
2.5 het chronosysteem
- geschiedenis oefent invloed uit op het kind nu
, bv. Uitvinding internet, uitvinding pil, tweede wereldoorlog,..
- de levensfase waarin een kind zich begeeft bepalen mee hoe belangrijke gebeurtenissen beleefd
worden
bv. Scheiding meemaken is anders als 2 jarige dan als 16 jarige
3. Sociaal-contextueel procesmodel van Belsky
= Ouderschap wordt meervoudig bepaald en gevormd door een groot aantal contextuele factoren.
Belsky ziet opvoeden als een ‘tweerichtingsverkeer’ waarbij er continu een wederzijdse beïnvloeding is
tussen opvoeder en kind => Transactioneel model
3factoren die het
opvoedend handelen
indirect en direct
beïnvloeden:
Kenmerken van de
ouders
Ontwikkelingsgeschiedenis
= de vroeger ervaringen met eigen ouders zijn belangrijk voor eigen zelfbeeld,
zelfvertrouwen en emotionele stabiliteit
= ook de vroegere ervaringen los van de opvoeding zoals Culture achtergrond,
migratieachtergrond, kindertijd,.. hebben allemaal invloed op de persoonlijkheid
persoonlijkheid en functioneren van de ouder.
= kleurt hun beleving van de ontwikkeling en eigenschappen van het kind.
De emotionele en psychologische gesteldheid van de ouder is cruciaal en maakt of
ze wel of niet in staat zijn om te zorgen voor de optimale ontwikkeling van het kind
Opvoedend handelen
= wordt bepaald door de ontwikkeling v.d. persoonlijkheid en ervaringen uit hun
eigen kindertijd.
Kenmerken van het kind
De eigenschappen en ontwikkeling van het kind beïnvloeden het opvoedend handelen van de ouder.
Bv. Een moeilijk temperament of een ziekte kan de ouder stress bezorgen en het opvoedend handelen
ondermijnen
De sociale context/ contextvariabelen
- Partnerrelatie
= Kwaliteit van de partnerrelatie
Bv. Onzekerheid en geen vertrouwen in jouw relatie kan het opvoeden belemmeren
- Werksituatie
=kwaliteit van werk
Bv. Een job me voldoende financiële middelen zal de stress om eten op tafel te brengen verminderen
- Sociaal netwerk
= de mate van sociale steun
Bv. Een vriendin met kinderen kan jou geruststellen dat het gedrag dat jouw kind vertoont, normaal is
Kunnen bronnen zijn van steun of stress
Buffer = sterke sociale netwerken en gemeenschapssteun.