Canning: origins of medieval political ideas
Het Westen
Christelijke koningschap
Na Romeinse rijk was het christelijke koningschap de meest verspreide staatsvorm. Groot debat om
vorm barbaars koningschap na het Romeinse rijk. Duitse stammen zouden volgens 19e eeuwse
historici aan verkiezingen doen, maar deze stelling is inmiddels verworpen. De vorm die het wel
aannam was de vorm van een (barbaarse) koning met sterk Romeinse en Christelijke invloeden.
Koning heerste via samenwerking met senatoriale klassen en het verkrijgen van Romeinse ambten. Na
de Gotische oorlog vroegen koningen geen toestemming meer van keizer en gingen ze gewoon
heersen.
God was hoogste vorm van authoriteit. Na 6de eeuw ook duidelijk in titulatuur rex dei gratia. Eerste
die deze titel gebruikte was Lomardische koning Agilulf (590-616). Maar idee van koningschap bij
goddelijke gratie was al eerder gebruikt door Vandaalse koning Hunerik. Koningschap bij goddelijke
gratie komt voort uit de interpretaties van de bijbel. Daarin word vooral gekeken naar het Nieuwe
Testament, waarin een mentale boodschap luidt dat koninklijke macht is afgeleid van God zijn
welwillendheid. Oude Testament werd gebruikt door de Franken in de Merovingische periode, maar
het Oude Testament is dubbelzinniger over het koningschap.
Deze theocratische opvatting zorgde voor bepaalde relatie heerser- onderdanen. Heerser was Gods
afgezant vicarius dei. Onderdanen mochten niet in opstand komen, heerser was soeverein.
Walter Ullmann ‘stijgende’ en ‘dalende’ thesis macht koning kwam van God (‘dalend’) of van
het volk (‘stijgend’).
In theocratische opvatting was koning eigenlijk een dienaar van God, vooral uitgewerkt door
Gregorius de Grote en Isidore van Sevilla. Koning moest ook nederig zijn (humilitas). Isidore een
koning moet zich goed gedragen om koning te zijn streven naar gerechtigheid,
vergevingsgezindheid, nederigheid, en geduld moest ook het Christelijke geloof dienen en moest
heersen in het voordeel van zijn onderdanen.
Deel van zorgen voor onderdanen lag ook in zijn rol als beschermer en tutor. Dit suggereert dat de
onderdanen toch rechten hebben waar een koning aan moet voldoen, koning zijn koninklijke macht
werd dus toch enigszins beperkt. Het idee dat de onderdanen weinig macht hadden is ook niet heel
juist. Het volk (lees de hoog geplaatste mensen) waren belangrijk bij het maken van een koning. Ze
moesten hem erkennen zodat hij de legitieme macht kreeg om te heersen in Gods naam.
Er was volksrecht en koningsrecht, maar omdat ze werden geautoriseerd door de koning werden ze
beiden koninklijkrecht. Recht was niet van toepassing op gebied, maar op soort mens (gents). Was je
van Romeinse afkomst, dan werd het Romeinse recht toegepast. De barbaarse koningen probeerde
wetten (Lex) te maken op Romeinse grondslag, werden ook geschreven in het Latijn. Het opstellen van
wetten was ook een inperking van de koning zijn macht, hij moest zich houden aan wetten die in de
tijd voor hem waren bepaald. Het was dus niet zo dat de koning zijn macht van God kreeg en kon
doen en laten wat die wilde.
De macht van de koning werd dus formeel ingeperkt, maar mocht men zich ook tegen een koning
verzetten als hij zich niet aan die beperkingen hield? Er is geen bewijs dat er zoiets als een
verzetsrecht was tegen de koning.
Het Westen
Christelijke koningschap
Na Romeinse rijk was het christelijke koningschap de meest verspreide staatsvorm. Groot debat om
vorm barbaars koningschap na het Romeinse rijk. Duitse stammen zouden volgens 19e eeuwse
historici aan verkiezingen doen, maar deze stelling is inmiddels verworpen. De vorm die het wel
aannam was de vorm van een (barbaarse) koning met sterk Romeinse en Christelijke invloeden.
Koning heerste via samenwerking met senatoriale klassen en het verkrijgen van Romeinse ambten. Na
de Gotische oorlog vroegen koningen geen toestemming meer van keizer en gingen ze gewoon
heersen.
God was hoogste vorm van authoriteit. Na 6de eeuw ook duidelijk in titulatuur rex dei gratia. Eerste
die deze titel gebruikte was Lomardische koning Agilulf (590-616). Maar idee van koningschap bij
goddelijke gratie was al eerder gebruikt door Vandaalse koning Hunerik. Koningschap bij goddelijke
gratie komt voort uit de interpretaties van de bijbel. Daarin word vooral gekeken naar het Nieuwe
Testament, waarin een mentale boodschap luidt dat koninklijke macht is afgeleid van God zijn
welwillendheid. Oude Testament werd gebruikt door de Franken in de Merovingische periode, maar
het Oude Testament is dubbelzinniger over het koningschap.
Deze theocratische opvatting zorgde voor bepaalde relatie heerser- onderdanen. Heerser was Gods
afgezant vicarius dei. Onderdanen mochten niet in opstand komen, heerser was soeverein.
Walter Ullmann ‘stijgende’ en ‘dalende’ thesis macht koning kwam van God (‘dalend’) of van
het volk (‘stijgend’).
In theocratische opvatting was koning eigenlijk een dienaar van God, vooral uitgewerkt door
Gregorius de Grote en Isidore van Sevilla. Koning moest ook nederig zijn (humilitas). Isidore een
koning moet zich goed gedragen om koning te zijn streven naar gerechtigheid,
vergevingsgezindheid, nederigheid, en geduld moest ook het Christelijke geloof dienen en moest
heersen in het voordeel van zijn onderdanen.
Deel van zorgen voor onderdanen lag ook in zijn rol als beschermer en tutor. Dit suggereert dat de
onderdanen toch rechten hebben waar een koning aan moet voldoen, koning zijn koninklijke macht
werd dus toch enigszins beperkt. Het idee dat de onderdanen weinig macht hadden is ook niet heel
juist. Het volk (lees de hoog geplaatste mensen) waren belangrijk bij het maken van een koning. Ze
moesten hem erkennen zodat hij de legitieme macht kreeg om te heersen in Gods naam.
Er was volksrecht en koningsrecht, maar omdat ze werden geautoriseerd door de koning werden ze
beiden koninklijkrecht. Recht was niet van toepassing op gebied, maar op soort mens (gents). Was je
van Romeinse afkomst, dan werd het Romeinse recht toegepast. De barbaarse koningen probeerde
wetten (Lex) te maken op Romeinse grondslag, werden ook geschreven in het Latijn. Het opstellen van
wetten was ook een inperking van de koning zijn macht, hij moest zich houden aan wetten die in de
tijd voor hem waren bepaald. Het was dus niet zo dat de koning zijn macht van God kreeg en kon
doen en laten wat die wilde.
De macht van de koning werd dus formeel ingeperkt, maar mocht men zich ook tegen een koning
verzetten als hij zich niet aan die beperkingen hield? Er is geen bewijs dat er zoiets als een
verzetsrecht was tegen de koning.