1. INTRODUCTIE
10 000 000 1 000 000
11 000 000 600 000
-1 000 000 400 000
14 000 000 1 100 000
12 000 000 1 000 000
2 000 000 100 000
20 000 000 300 000
10% 33%
1 000 000 200 000
200% 50%
15 000 000 50 000
Interpretatie jaargegevens
- Inkomsten voorkeur A : meer omzet / inkomsten
- Uitgaven voorkeur B : minder uitgaven
- Liquiditeit voorkeur B : positief
o Verband inkomsten en uitgaven
o = inkomsten – uitgaven
- Opbrengsten voorkeur A : hoge opbrengst
o Niet hetzelfde als inkomsten
o = datgene men uit de werking kan genereren
- Kosten voorkeur B : lagere kost
,- Resultaat voorkeur A
o Lees : winst of verlies
o Verband opbrengsten en kosten
o = opbrengsten – kosten
- Ingezette middelen voorkeur A : meer middelen voor werking
o Voorbeeld : gebouw, rollend materieel, computermateriaal
- Rendement totaal vermogen voorkeur B : hoger rendement
o Verband resultaat en ingezette middelen
o Gedurende 1 jaar uw ingezette middelen gebruikt tot welk resultaat leidt dit
o Uit 100€ wordt er extra x% gecreëerd
o = (resultaat / ingezette middelen) x 100
- Eigen middelen
- Rendement eigen vermogen voorkeur A : hoger rendement
o Verband resultaat en eigen middelen
o Gedurende 1 jaar uw eigen middelen gebruikt tot welk resultaat leidt dit
o = (resultaat / eigen middelen) x 100
o Uit 100€ wordt er extra x% gecreëerd
- Vreemd vermogen KT voorkeur B
o Bij B moet 50% van vreemd vermogen binnen BJ betaald worden (totaal vreemd vermogen is
100 000 want eigen vermogen is 200 000) kan terugbetaald worden want resultaat is 100 000
o Bij A kan men dit niet terugbetalen
Wat wil dit nu zeggen?
- Verwachtingen financieel management in eerste instantie : cijfermatige aspecten
o Maar afzwakken van belang : “Cijfers zeggen iets en cijfers zeggen niets”
o “Cijfers zeggen iets”
▪ Algemeen beeld over toestand organisatie → kwantitatieve benadering
▪ Gegevens als basis voor beslissingen (beleidsmatige waarde)
o “Cijfers zeggen niets”
▪ Cijfers zijn eenvoudig te manipuleren
▪ Cijfers zijn afhankelijk van de situatie (context) en de interpretatie
o Bijkomend nood aan kwalitatieve informatie in beslissingsproces
▪ Situatie kan kwantitatief niet ideaal lijken, maar door opnemen kwalitatieve info wel
- DUS : nood aan begrippenkader financieel management
2. CONCEPT FINANCIEEL MANAGEMENT
- Geen duidelijke omschrijving van het begrip, 3 benaderingen die je kan hanteren
2.1 THEORETISCHE BENADERING
= financieel management betreft het plannen, efficiënt uitvoeren, rapporteren, evalueren en eventueel
(bij-) sturen van de waardestromen in een organisatie. Het levert de nodige informatie op voor het nemen
van financiële beslissingen, waardoor het efficiënt en effectief gebruik van middelen om de doelstellingen
van de organisatie te bereiken mogelijk wordt
2.2 WINSTBENADERING
= planningsproces met als doel de aandeelhouders’ winst te maximaliseren
- Verklaring vanuit winstmotief
- Eenzijdig gericht op profit sector, te beperkt voor toepassing non-profit sector
,- PRAKTISCHE BENADERING
= financieel management heeft te maken met de taken van de financieel manager in de organisatie. De
financiële managers beheren de financiële zaken van de organisatie (…) zowel in profit als non-profit.
= alle activiteiten binnen de financiële functie waarmee een bijdrage kan geleverd worden aan de
realisatie van de doelstellingen
- Definiëren a.d.h.v. de activiteiten die onder noemer financieel management worden uitgevoerd
- Zie later : publiek financieel management (deel 6) als multidisciplinair veld
o Bestuurskunde, economie, recht, politieke wetenschappen en bedrijfswetenschappen
3. KERNTAKEN FINANCIEEL MANAGER
3.1 ALGEMEEN
- Financieel manager = chief-financial officer, financieel directeur …
- Kerntaken financieel manager
o Voeren van een betrouwbare financiële administratie (zoals de boekhouding, rapportering)
o Analyse & verspreiding van financiële informatie voor de (andere) managers
o Nemen van beslissingen
- Nadruk ligt op nemen van beslissingen, heeft betrekking op :
o Planning Hoe CF positief houden?
o Investeringen Hoe de organisatie uitbouwen? Hoe groeien?
o Financiering Hoe de investeringen financieren?
- Dit houdt verband met de structuur van de balans
o Balans volgt uit de BH en geeft een overzicht van de activa en passiva
o Balans voorstellen op T-rekening
Activa Passiva
= bezit en aanwending = bronnen / financiering
= wat heb je met middelen gedaan = oorsprong van middelen
Vaste activa (investeringen) Eigen vermogen
Vlottende activa (cash) Vreemd vermogen (KT en LT)
3.2 FINANCIEEL MANAGEMENT VS. BOEKHOUDMANAGEMENT
3.2.1 Algemeen
- Voeren van betrouwbare financiële administratie verwijst naar BH
o Vaak overlap tussen financiële en boekhoudkundige activiteiten
o Zeker in kleine organisaties : boekhouder vaak financieel manager
- !! belangrijk om onderscheid te maken tussen financieel management en BH-management
- Boekhouden
o = volgens bepaalde regels aantekenen van feiten van financiële aard die zich in de organisatie
voordoen
- Boekhouding
o = het geheel van mensen en middelen waar de feiten van financiële aard worden
geregistreerd en verwerkt ter voorziening van de informatiebehoeften
, 3.2.2 Taak
- Boekhouder
o Financiële informatie verzamelen, opnemen in boekhoudsysteem en periodiek rapporteren
o Noodzakelijk om informatiebehoeften in te vullen
o Kerntaak is verzamelen en rapporteren van cijfers (aanleveren van informatie)
- Financieel manager
o Beslissingen nemen op basis van financiële rapportering die uit de boekhouding volgt
o Aangevuld met eigen inzichten en verwachtingen, zowel financieel als niet-financieel
o Kerntaak is beslissen
3.2.3 Uitgangspunt
- Boekhouder
o Uitgangspunt : correcte resultaatsbepaling
o Gebaseerd op transactiebasis en concepten van kosten en opbrengsten (= boekhoudtermen)
- Financieel manager
o Uitgangspunt : cashflow
o = stroom van financiële middelen (inkomsten en uitgaven, kasbasis)
o Doel : voldoende liquiditeiten om aan KT verplichtingen te voldoen
- Bemerk : BH (of ruimere administratie) vaak onder bevoegdheid van financieel manager (leveren info)
- Voorbeeld
o Boekhouding : streeft naar correcte berekening van (hopelijk positief) resultaat
o Financieel manager – cashflowbenadering : streeft naar positieve cashflow
o ! Opbrengsten zijn geen inkomsten, kosten zijn geen uitgaven
100 000 70 000
80 000 80 000
20 000 -10 000
3.2.4 Cashflow vs. resultaat
De cashflow
= de verandering van de beschikbare geldmiddelen als gevolg van transacties weer en is niks anders dan
de feitelijke geldstroom
- Dus : verandering beschikbare geldmiddelen (feitelijke geldstroom)
- CF = inkomsten (of ontvangsten) – uitgaven
o Ontvangsten / inkomsten : inkomende geldstromen van liquide middelen (kas of rekening)
o Uitgaven : uitgaande geldstromen van liquide middelen (kas of rekening)
- Leidt tot beoordeling financiële positie = liquiditeit
o Positieve kasstroom : inkomsten > uitgaven dus : aangroei liquide middelen
o Negatieve kasstroom : inkomsten < uitgaven dus : afname liquide middelen
- Financieel managementstandpunt focus op liquiditeitenstroom (a.d.h.v. kasstromentabel)