1. HvJ 5 februari 1963, Van Gend en Loos, 26/62, ECLI:EU:C:1963:1.
● Situatie: De Nederlandse transportfirma Van Gend & Loos moest van de
Nederlandse overheid hogere importheffingen betalen voor een chemische stof
dan volgens artikel 12 van het EEG-Verdrag (destijds) was toegestaan. Van
Gend & Loos wilde zich direct op dit verdragsartikel beroepen. De lidstaten
(Nederland, België, Duitsland) betoogden dat dit een kwestie van nationaal
staatsrecht was, niet voor het Europese Hof van Justitie.
● Besluit: Het Hof van Justitie (HvJ) besloot dat de Europese Gemeenschap een
nieuwe rechtsorde vormt, ten bate waarvan de staten hun soevereiniteit hebben
begrensd en waarbinnen niet alleen de lidstaten, maar ook hun onderdanen
gerechtigd zijn. Dit betekent dat het EU-recht autonoom is en zelf bepaalt hoe
het werkt. Het Hof bevestigde de rechtstreekse werking van EU-recht, wat
inhoudt dat een particulier zich onder bepaalde voorwaarden direct op een
bepaling van EU-recht kan beroepen voor een nationale rechter. De bepaling
moet voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn, en zonder
voorbehoud.
2. HvJ 15 juli 1964, Costa t. ENEL, zaak 6/64, ECLI:EU:C:1964:66.
● Situatie: De Italiaanse advocaat Costa was aandeelhouder in ENEL, een
Italiaanse elektriciteitsmaatschappij die door een latere nationale wet werd
genationaliseerd. Costa betoogde dat deze nationalisatiewet strijdig was met
het EU-recht. De Italiaanse regering stelde dat de nationale rechter de
nationale wet moest volgen.
● Besluit: Het HvJ oordeelde dat het EU-recht voorrang heeft op nationaal recht,
zelfs wanneer een nationale wet later is vastgesteld. Deze voorrang vloeit voort
uit het bijzondere, autonome karakter van het EU-recht en is absoluut; het kan
niet door enig voorschrift van nationaal recht opzij worden gezet. Deze
voorrang geldt voor alle EU-recht (primair en secundair) en voor al het
nationale recht, inclusief grondwettelijke normen.
3. HvJ 17 december 1970, Internationale Handelsgesellschaft, zaak 11/70,
ECLI:EU:C:1970:114.
● Situatie: Deze zaak betrof een Duitse regeling over de uitvoer van graan die
door een Duits 'Verwaltungsgericht' (een administratieve rechtbank) in strijd
, werd geacht met de grondbeginselen van het Duitse grondrecht, wat een
spanning veroorzaakte met de nationale constitutionele orde. De Duitse rechter
oordeelde dat nationale grondrechten voorrang moesten krijgen.
● Besluit: Het Hof van Justitie bevestigde de noodzaak van de eenheid en
geldigheid van het EU-recht. Het benadrukte dat nationale grondwettelijke
beginselen geen afbreuk kunnen doen aan de voorrang van het EU-recht, en
dat de geldigheid van EU-recht niet kan worden getoetst aan nationale
grondwetten.
4. HvJ 9 maart 1978, Simmenthal II, 106/77, ECLI:EU:C:1978:49.
● Situatie: Het betrof een conflict tussen nationaal Italiaans recht en EU-recht. De
vraag was wat een nationale rechter moet doen bij een dergelijk conflict.
● Besluit: Het HvJ preciseerde dat de nationale rechter de strijdige nationale
bepaling buiten toepassing moet laten en het EU-recht moet toepassen. De
nationale rechter kan strijdige nationale wetgeving niet vernietigen, maar is wel
verplicht om de effectieve toepassing van het EU-recht te waarborgen. Conflict
moet in de eerste plaats vermeden worden door nationaal recht conform
EU-recht uit te leggen.
5. HvJ 15 juli 1963, Arrest-Plaumann.
● Situatie: Plaumann & Co., een importeur van clementines, heeft een beroep tot
nietigverklaring ingesteld tegen een beschikking van de Commissie van 22 mei
1962, waarbij het verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland om machtiging tot
gedeeltelijke schorsing van de heffing van rechten op uit derde landen
ingevoerde verse mandarijnen en clementines werd afgewezen, en tevens
schadevergoeding ten bedrage van 39.414,01 DM gevorderd. De vraag die het
Hof moest beantwoorden was of Plaumann wel individueel geraakt was door de
beschikking van de Commissie.
● Besluit: Het Hof van Justitie heeft een enorm nauwe interpretatie gegeven aan
de ‘individuele geraaktheid’ als criterium voor niet-geprivilegieerde partijen om
een Beroep tot nietigverklaring te vorderen bij het Hof van Justitie van de EU
tegen een instelling/orgaan/instantie van de Unie dat een bestreden handeling
heeft gesteld. Het HvJ overwoog t.a.v. de invulling van het begrip individuele
geraaktheid:
- ‘indien [de handeling] he[m] betreft uit hoofde van zekere bijzondere
hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke he[m] ten opzichte