Supply Chain Management
Diepgaande theorietoets — alle hoofdstukken
Hoe te gebruiken:
• Vink het juiste antwoord aan door een van de hokjes ( ☐) zwart te kleuren.
• Werk eerst alle vragen door zonder de oplossingen te bekijken.
• Controleer pas op het einde via de antwoordsleutel.
• Bij twijfel: noteer een ? naast de vraag en herbekijk die later.
• De vragen zijn gerangschikt per hoofdstuk; de gastcolleges (Colruyt, Zoutman, Port Congestion)
staan helemaal achteraan.
Totaal: 86 vragen
,HOC 1 — Introduction to Supply Chain Management
1. Een productiebedrijf koopt grondstoffen aan via tier-1 leveranciers, die op hun beurt grondstoffen
halen bij tier-2 leveranciers. Het bedrijf verkoopt zijn afgewerkte producten via groothandelaren aan
retailers. Welke uitspraak beschrijft het CORRECT?
☐ a) Dit is een basic supply chain omdat er duidelijk drie partijen zijn: leverancier, bedrijf en klant
☐ b) Dit is een ultimate supply chain omdat alle partijen van grondstoffen tot eindklant betrokken zijn
☐ c) Dit is een extended supply chain omdat de leveranciers van de leveranciers en de klanten van de
klanten in beschouwing genomen worden
☐ d) Dit is een value chain omdat er meerdere bedrijven samenwerken om waarde te creëren
2. Een bedrijf wil zijn supply chain herstructureren. De CEO stelt dat 'logistiek het hart van de supply
chain is'. Welke nuancering is JUIST?
☐ a) De uitspraak klopt: logistiek en supply chain management zijn synoniemen
☐ b) Logistiek is een ONDERDEEL van supply chain: het draait om plaatsing van goederen in tijd en
ruimte, terwijl SCM ook informatie-uitwisseling, integratie met klantbehoeften en strategische
coördinatie omvat
☐ c) Logistiek is een ruimer begrip dan supply chain management omdat het ook strategie omvat
☐ d) Supply chain management is uitgevonden om logistiek te vervangen omdat dat begrip verouderd
was
3. Porter's value chain wordt vaak vergeleken met het concept supply chain. Welk verschil is
FUNDAMENTEEL?
☐ a) Een value chain richt zich op fysieke goederen, een supply chain op diensten
☐ b) Een value chain is alleen relevant voor productiebedrijven, een supply chain ook voor
dienstverleners
☐ c) Een value chain is een marketingconcept, een supply chain een operationeel concept
☐ d) Een value chain heeft betrekking op één enkel bedrijf en zijn interne activiteiten, een supply chain
verbindt meerdere bedrijven
4. In een 'collaborative value chain' (zoals bij Porsche) is welk kenmerk meest typisch?
☐ a) Componenten worden samen met toeleveranciers ontwikkeld; R&D en design zijn geïntegreerd
over verschillende bedrijven heen
☐ b) Het hoofdbedrijf produceert 100% van de componenten zelf om kwaliteit te garanderen
☐ c) Alle leveranciers worden vervangen door één hoofdleverancier om coördinatiekosten te
beperken
☐ d) Het bedrijf richt zich uitsluitend op marketing en outsourcet zelfs het productontwerp
5. Een retailer wil zijn ketenprestaties verbeteren. Welke combinatie weerspiegelt de drie hedendaagse
hoofddimensies van supply chain performantie?
☐ a) Klantresponsiviteit, operationele efficiëntie/kostenbeheersing en duurzaamheid (planet)
☐ b) Marktaandeel, merkbekendheid en aandeelhouderswaarde
☐ c) Productiecapaciteit, voorraadrotatie en personeelskosten
☐ d) Innovatie, intellectueel eigendom en patenten
6. Tom Bonarens (gastcollege over risico) benadrukt dat na recente crises (COVID, Suez, Oekraïne)
bedrijven typisch:
☐ a) Volledig terugkeren naar lokale productie en alle internationale handel staken
☐ b) Het belang van efficiëntie boven veerkracht plaatsen om kosten te drukken
☐ c) Risico-averser worden en stabiele, lagere returns verkiezen boven hoge maar volatiele returns
☐ d) Risico-elementen volledig negeren omdat ze toch onvoorspelbaar zijn
, 7. Welke uitspraak over 'globalisering van supply chains' is JUIST in de context van het cursusmateriaal?
☐ a) Globalisering heeft de wereldhandel gestabiliseerd doordat alle landen dezelfde
productiestandaarden hanteren
☐ b) Globalisering heeft geleid tot lagere consumentenprijzen, maar tegelijkertijd tot een verhoogde
kwetsbaarheid bij disrupties
☐ c) Globalisering heeft de logistieke complexiteit verlaagd doordat alles via één wereldwijd platform
verloopt
☐ d) Globalisering heeft de afhankelijkheid tussen bedrijven verminderd doordat ze flexibeler zijn
geworden
8. Een KPI (Key Performance Indicator) en een KRI (Key Risk Indicator) verschillen op een fundamenteel
punt:
☐ a) KPI's zijn enkel financieel, KRI's zijn enkel operationeel
☐ b) KPI's zijn kwantitatief, KRI's altijd kwalitatief
☐ c) KPI's zijn intern, KRI's worden door externe consultants opgesteld
☐ d) KPI's meten gerealiseerde performantie (achteruitkijkend), KRI's signaleren potentiële risico's
(vooruitkijkend)
9. Een 'supply chain strategy' verschilt van een traditionele 'supply chain plan' doordat:
☐ a) Een strategy alle operationele details vooraf vastlegt, zodat er nooit aanpassingen nodig zijn
☐ b) Een strategy enkel relevant is voor de aankoopafdeling, een plan voor de hele organisatie
☐ c) Een plan strategischer is dan een strategy omdat het toekomstgericht is
☐ d) Een strategy een geïntegreerde set van keuzes is die superieure performantie genereert, geen
rigide stappenplan
10. Een onderneming opereert in de extended supply chain met aandacht voor leveranciers van
leveranciers. Welk concreet voorbeeld past hierbij?
☐ a) Een autofabrikant die enkel met zijn directe staalleverancier onderhandelt
☐ b) Een kledingmerk dat ook de cottonfarms in India audit op duurzaamheid en
arbeidsomstandigheden
☐ c) Een chocoladefabrikant die enkel zijn cacao-importeur monitort
☐ d) Een retailer die zijn klanten loyaliteitskortingen aanbiedt