1. Management in organisaties
Om van een organisatie te kunnen spreken, moeten volgende elementen voldaan zijn:
• Samenwerking door mensen
• Aan een gemeenschappelijk doel
• Om de organisatie voort te laten bestaan
Bedrijven en organisaties:
Alle bedrijven zijn organisaties, maar niet alle organisaties zijn bedrijven
Wat is een bedrijf:
Organisatie die goederen en diensten maakt en verkoopt
Er zijn verschillende niveaus van management. Niet alle managers staan helemaal bovenaan de organisatie.
Schema hiërarchie met verschillende managementlagen en uitvoerend personeel:
2. Organisatiecultuur
Definitie organisatiecultuur:
De gemeenschappelijke verzameling van normen, waarden en gedragingen binnen een organisatie die als
‘sociale lijm’ fungeren en zorgen voor verbondenheid tussen medewerkers en de organisatie.
Volgens Sanders en Neuijen kan je in cultuur verschillende lagen herkennen (het ui-model):
Waarden, rituelen, helden, symbolen
Waarden: oordelen, afspraken, wat belangrijk is
bv. altijd vriendelijk zijn tegen de klant, klanttevredenheid, transparantie, kwaliteit boven vrijheid (Apple), vertrouwen geven, mensen
laten groeien (fouten mogen maken)…
,Rituelen: sociale gewoonten
- hoe begroeten we elkaar? (handdruk, zoen, “hallo”)
- vergaderingen: vaak/sporadisch, respectvol/hard, stipt/vrijblijvend
- samen lunchen of iedereen voor zich?
- trakteren op je verjaardag of getrakteerd worden?
- wat gebeurt wanneer iemand met pensioen gaat?
…
Helden: belangrijke personen voor de organisatie
Oprichter(s), CEO, historische figuren die inspiratie zijn voor de organisatie, belangrijke hedendaagse personen …
Symbolen: voorwerpen, woorden of handelingen die aantonen wat een organisatie wil zijn of betekenen
- bedrijfsgebouw (architectuur + inrichting)
- kruisbeeld in katholieke instellingen
- kledij (status)
- taalgebruik
- soort humor
…
De grootste hindernis bij veranderingen in een organisatie is:
de bestaande cultuur
Als je de manier van werken écht wilt veranderen:
moet je de bestaande cultuur aanpassen
… speelt hierin een sleutelrol:
het management
→ vaak blijft een organisatie in oude gewoontes hangen, omdat leiders de bestaande cultuur in stand houden.
→ Walk the talk:
Managers moeten niet alleen mooie woorden spreken, maar het ook doen. Hun daden moeten overeenkomen
met hun woorden
3. Organisatiestructuur
Definitie organisatiestructuur:
De manier waarop de taken in een organisatie zijn georganiseerd en wie welke verantwoordelijkheden heeft.
Definitie organigram:
De schematische voorstelling van de organisatiestructuur van een onderneming (waarin vermeld wordt wat de
verschillende afdelingen en functies zijn)
Verschillende vormen van structuren:
• Lijnorganisatie
• Lijn-staforganisatie
• Functionele organisatie
• Afgeleiden van de functionele organisatie: P-, G- en M organisatie
• Matrixorganisatie
• Horizontale organisatie
Lijnorganisatie
• Piramidevorm
• Hoe lager in de piramide, hoe meer medewerkers op dat niveau aanwezig
• Elke WN heeft een leidinggevende
, Span (of) control:
Het aantal medewerkers onder een leidinggevende
Voordeel:
Duidelijk wie welke verantwoordelijkheden heeft
Nadeel:
Meeste verantwoordelijkheid ligt in de bovenste niveaus, waardoor de lagere niveaus weinig inspraak hebben
Lijn-staforganisatie
• Lijnorganisatie waarbij één of meerdere stafdiensten zijn toegevoegd (bieden hulp aan álle afdelingen)
• Bv. Hr, administratie, boekhouding, financiën, marketing, IT, juridische afdeling, communicatie,
personeelszaken …
• Staan vaak direct onder de directie (topmanagement)
Voordeel:
Deze functie moet niet meer in alle afdelingen voorzien worden
Functionele organisatie (F-organisatie)
• Opdeling in afdeling op basis van functie
• Bv. inkoop, verkoop, productie…
Voordeel:
De specialisering van elke afdeling, wat de kwaliteit van het werk ten goede komt
Nadeel:
Enkel aan eigen doelstellingen denken, waardoor de impact op andere afdelingen vergeten worden
bv. Inkoop kiest een product o.b.v. een lage kostprijs. De productieafdeling kan hier moeilijker mee werken
P-, G- en M-organisatie (afgeleiden van F-organisatie)
• P-indeling: productgericht
• G-indeling: geografisch gericht
• M-indeling: marktgericht