HOOFDSTUK I: KENNISMAKING MET DE PSYCHOLOGIE
inleiding
psychologie =gedragswetenschap, bestudeert elk gedrag dat mensen of dieren kunnen stellen EN
gebeurt via een wetenschappelijke studie op niveau vh individu
factoren binnen de persoon zelf OF in zijn onmiddellijke omgeving staan centraal
WAT gedrag en wetenschap? onenigheden
·innerlijke vd mens
·uiterlijke aspecten vh gedrag
HOE waarnemen?
·geesteswetenschappen, vooral begrijpen
·natuurwetenschappelijk, verklaringen volgens chemie en fysica
≠biologen: kijken naar bep lichaamsprocessen vb. te veel hormonen
≠sociologen: verwijzen naar maatschappelijke invloeden vb. behoren tt specifieke sociale geledingen
EN kijken welke rol de bredere maatschappelijke tendensen hebben vb. normvervanging
!kunnen beide invalshoeken combineren!
inzichten halen we uit ervaringen: ontvangen we via directe omgang met de mensen
OF
worden doorgegeven van generatie op generatie
intuïtieve en wetenschap heeft = DOEL, ontdekken hoe de gebeurtenissen onderling samenhangen
om ze van daaruit eventueel te kunnen voorspellen of vat op te krijgen
baseren zich op ervaringsgegevens
Intuïtieve mensenkennis Wetenschappelijke psychologie
verzamelen van gegevens
toevallige subjectieve indrukken uit objectieve waarnemingen die op een
alledaagse situaties systematische manier worden verzameld EN
vinden plaats in gecontroleerde situaties
zoeken naar samenhang
oppervlakkig zorgvuldig methodisch onderzoek
zonder vragen stellen, we gaan niet na of het diepere verklaring zoeken
juist is herhaaldelijk toetsen ahv nieuwe gegevens
=eenvoudigweg aannemen
objectief waarnemen
objectiviteitsbeginsel =vertrekken van objectieve gegevens die uit feiten zelf voortvloeien en die in
principe, ongeacht de waarnemer, er hetzelfde uitzien
observaties kunnen door iedere onderzoeken worden herhaald en gecontroleerd worden
vermijden van gekleurde uitspraken
+gebruik van instrumenten MAAR id psychologie gebruikt men vragenlijsten en psychologische
testen
1
,intersubjectiviteit =nagaan in hoeverre ≠ waarnemers onafhankelijk van elkaar tot eenzelfde
appreciatie komen MAAR alleen gegevens waarbij voldoende mate v overeenkomst is komen in
aanmerking
wnr er geen objectieve meetinstrumenten bestaan
systematische observatie
we baseren ons op opvallende gebeurtenissen of die ons het meest zijn bijgebleven
scheefgetrokken beeld van de werkelijkheid
OPLOSSING
representatieve steekproef OF alle observaties systematisch bij te wonen
gecontroleerde situaties
storende factoren kunnen voor een vertekend beeld zorgen DUS volstaat het niet om alles objectief
en systematisch te registreren OOK moeten ze in een gecontroleerde situatie plaats vinden
laboratoriumomstandigheden OF speciale meetapparatuur om vertekend beeld te vermijden
methodisch werken
3 manieren
-begrijpende methode: deze is kwalitatief van aard, geen gebruik van cijfermateriaal en beperkt zich
tot verbale beschrijvingen van de vaststellingen. Ze maken gebruiken van gevalstudies. Ze gaan hier
op zoek naar wat allemaal met hetgeen dat ze willen bestuderen zou kunnen samenhangen.
bv. iemand die geweld pleegt kijken of er een voorliefde is voor gewelddadige films en muziek
men gaat systematischer en omzichtiger om EN onderzoekt alle mogelijke factoren
!deze methode is zeer subjectief!
-correlationele methode: men verzamelt bij een relatief grote groep aantal gegevens over variabelen
die men wil onderzoeken
=kenmerken dat verschillende verschijningsvormen kan aannemen vb. geslacht, leeftijd…
correlatie drukt de verandering in de ene variabele samenhangend met de veranderingen in de
andere variabele
·positieve correlatie: mensen kijken nr agressieve films en worden gewelddadiger
·negatieve correlatie: mensen kijken nr agressieve films en worden minder gewelddadiger
·nulcorrelatie: wanneer er geen verband is tussen beide
nu weten we enkel hoe groot de eventuele samenhang is tussen de onderzochte variabelen MAAR
niet of de ene de ander kan veroorzaken. Dan moet men overgaan tot de experimenteel onderzoek.
-experimenteel onderzoek: is de ene variabele een oorzaak voor veranderingen in de andere? We
kunnen zo niet alleen voorspellingen maken MAAR ook vat krijgen op de gebeurtenissen
AV afhankelijke variabele: waar is het afhankelijk van?
OV onafhankelijke variabele: welke invloed op de andere variabele?
STAP 1 vertrekken van twee equivalente of gelijkaardige proefgroepen door aselecte steekproef
*men kan eventueel via een voormeting vh AV nagaan of de groepen echt wel gelijkaardig zijn
STAP 2 manipulatie inbrengen in één vd twee groepen
controlegroep-experimentele groep
STAP 3 indien meerdere onafhankelijke kijken welke het meeste invloed =hoofdeffect
indien enkel bij een deelaspect van de groep een gevolg heeft =interactie-effect
vb. wel bij jongens gevolgen MAAR niet bij meisjes
2
,een theorie =een netwerk van relaties waarin aangegeven wordt hoe ≠ gebeurtenissen met elkaar in
verband staan
een deugdelijke theorie =een samenhangend geheel van beweringen waarin alle gekende
wetmatigheden over de bestudeerde werkelijkheid vervat zitten
+hypotheses OF samenhangen
DOEL: vanuit een groeiend netwerk van relaties verklaren waarom gebeurtenissen zich op een
bepaalde manier zich voordoen zodat we ze kunnen voorspellen
-empirische toetsing
=we kunnen nooit zeggen dat iets definitief bewezen is WANT moeten ze herhaaldelijk toetsen
MAAR dan zelf nog geen volstrekte zekerheid
falsificatie: valsheid van iets
verificatie: aantonen dat omstandigheden waar zijn
-wetten: hypothesen die een groot aantal toetsingen met succes doorstaan hebben
-empirische cyclus
1 empirische fase = het begint met toevallige vaststellingen
2 hypothese: vaststellingen kunnen aanleiding geven tot het formuleren van hypothesen
3 hypothese toetsbare voorspellingen: het blijft bij veronderstellingen, om meer zekerheid te krijgen
moeten we er hypothese toetsbare voorspellingen afgeleid te worden
4 toetsingsfase: het confronteren van die concrete voorspelling met nieuwe feiten
5 kijken of de hypothese of theorie al of niet houdbaar is
6 als het resultaat positief is, worden ze bevestigd. Is het negatief dan worden ze verworpen en
eventueel vervangen door nieuwe hypothese en zo weer nieuwe voorspellingen en weer moeten
getoetst worden…
Geschiedenis van de psychologie
middeleeuwen
·geest is onoplosbaar = mysterie + los van de natuurwetten
·theocentrisme
·de ziel is iets wat tot God behoort en staat los van de natuur
RENE DESCARTES, rationalisme = het logisch denken staat centraal
‘ik kan aan alles twijfelen behalve aan het feit dat ik twijfel
dubito ergo cogito ergo sum ik twijfel dus ik denk dus ik ben
+methodische twijfel: alle bestaande zekerheden worden als het ware tussen haakjes geplaatst
GOD is geen malin géni
aangeboren ideeën
JOHN LOCKE, empirisme = groot belang benadrukte van de zintuigelijke waarneming
bewustzijn toegankelijk voor observatie
tabula rasa
geen ingeboren ideeën
!dualisme, enkel de materie kon wetenschappelijk onderzocht worden!
psychofysica =ze gebruiken wetenschappelijke instrumentarium om die nieuwe, psychologische
problemen meteen aan te pakken
3
, halfweg 19e E, 1875
WILHELM WUNDT: vader vd wetenschappelijke psychologie
·experimentele methode : nieuw fenomenen die je zelf moet uitlokken
·introspectie =de te bestuderen fenomenen experimenteel uitgelokt worden+ zo nauwkeurig
mogelijk proberen te observeren wat er zoal in zijn geest omging beschrijven wat er bij hen
opkomt
·structuralisme =basisstructuren van bewuste waarnemingen
·functionalisme =men wou niet meer de structuur van het bewustzijn onderzoeken, maar de werking
of de functie ervan
BEHAVIORISTISCHE REVOLUTIE
behaviorisme
reflexologie: weg van rechtstreeks bewustzijnsonderzoek en meer zich richten op uitwendig
waarneembaar gedrag
empirisme: je kan alleen zeker zijn van wat je ziet DUS enkel het uitwendige
vb. Pavlov en de hond
prikkel black box gedrag
JOHN BROADUS WATSON
·louter beschrijven van stimulus – respons connecties
·de uiterlijke waarneembare responsen en de actueel inwerkende stimuli is van belang
·door PAVLOV, kon Watson zeggen dat het ooit mogelijk zou worden om ieder gedrag dat iemand
stelt te verklaren vanuit specifieke stimuli
gestaltepsychologie begin 20e E
=het geheel is niet te herleiden tot een eenvoudige optelling van de delen waaruit het is opgebouwd,
onmiddellijk vatten van de ‘Gestalt’
hersenen zoeken van nature naar patronen, ook als die er niet zijn
mensen registreren niet MAAR construeren een werkelijkheid
dieptepsychologie OF psychoanalyse
SIGMUND FREUD
=er wordt niet gezocht in bewuste overwegingen MAAR in diepere onbewuste motieven via hypnose
of vrije associatie
gevoelen, gedachten of verlangens waarvan de persoon zich op de een of andere manier niet durft
of wil bewust worden
bewuste voorbewuste onderbewuste
ES ICH UBER-ICH
lustprincipe: opzoeken van lust realiteitsprincipe (bewuste ik) moraliteitsprincipe
vermijden van onlust modereert tussen es über-ich geweten, IK-ideaal
eros: levensdrift +verdedigings- of
thanatos: doodsdrift afweermechanismen
vb. Alfred Adler, individuele psychologie
vb. Carl Gustav Jung, analytische psychologie
(2 reacties op behevioralisme)
4
inleiding
psychologie =gedragswetenschap, bestudeert elk gedrag dat mensen of dieren kunnen stellen EN
gebeurt via een wetenschappelijke studie op niveau vh individu
factoren binnen de persoon zelf OF in zijn onmiddellijke omgeving staan centraal
WAT gedrag en wetenschap? onenigheden
·innerlijke vd mens
·uiterlijke aspecten vh gedrag
HOE waarnemen?
·geesteswetenschappen, vooral begrijpen
·natuurwetenschappelijk, verklaringen volgens chemie en fysica
≠biologen: kijken naar bep lichaamsprocessen vb. te veel hormonen
≠sociologen: verwijzen naar maatschappelijke invloeden vb. behoren tt specifieke sociale geledingen
EN kijken welke rol de bredere maatschappelijke tendensen hebben vb. normvervanging
!kunnen beide invalshoeken combineren!
inzichten halen we uit ervaringen: ontvangen we via directe omgang met de mensen
OF
worden doorgegeven van generatie op generatie
intuïtieve en wetenschap heeft = DOEL, ontdekken hoe de gebeurtenissen onderling samenhangen
om ze van daaruit eventueel te kunnen voorspellen of vat op te krijgen
baseren zich op ervaringsgegevens
Intuïtieve mensenkennis Wetenschappelijke psychologie
verzamelen van gegevens
toevallige subjectieve indrukken uit objectieve waarnemingen die op een
alledaagse situaties systematische manier worden verzameld EN
vinden plaats in gecontroleerde situaties
zoeken naar samenhang
oppervlakkig zorgvuldig methodisch onderzoek
zonder vragen stellen, we gaan niet na of het diepere verklaring zoeken
juist is herhaaldelijk toetsen ahv nieuwe gegevens
=eenvoudigweg aannemen
objectief waarnemen
objectiviteitsbeginsel =vertrekken van objectieve gegevens die uit feiten zelf voortvloeien en die in
principe, ongeacht de waarnemer, er hetzelfde uitzien
observaties kunnen door iedere onderzoeken worden herhaald en gecontroleerd worden
vermijden van gekleurde uitspraken
+gebruik van instrumenten MAAR id psychologie gebruikt men vragenlijsten en psychologische
testen
1
,intersubjectiviteit =nagaan in hoeverre ≠ waarnemers onafhankelijk van elkaar tot eenzelfde
appreciatie komen MAAR alleen gegevens waarbij voldoende mate v overeenkomst is komen in
aanmerking
wnr er geen objectieve meetinstrumenten bestaan
systematische observatie
we baseren ons op opvallende gebeurtenissen of die ons het meest zijn bijgebleven
scheefgetrokken beeld van de werkelijkheid
OPLOSSING
representatieve steekproef OF alle observaties systematisch bij te wonen
gecontroleerde situaties
storende factoren kunnen voor een vertekend beeld zorgen DUS volstaat het niet om alles objectief
en systematisch te registreren OOK moeten ze in een gecontroleerde situatie plaats vinden
laboratoriumomstandigheden OF speciale meetapparatuur om vertekend beeld te vermijden
methodisch werken
3 manieren
-begrijpende methode: deze is kwalitatief van aard, geen gebruik van cijfermateriaal en beperkt zich
tot verbale beschrijvingen van de vaststellingen. Ze maken gebruiken van gevalstudies. Ze gaan hier
op zoek naar wat allemaal met hetgeen dat ze willen bestuderen zou kunnen samenhangen.
bv. iemand die geweld pleegt kijken of er een voorliefde is voor gewelddadige films en muziek
men gaat systematischer en omzichtiger om EN onderzoekt alle mogelijke factoren
!deze methode is zeer subjectief!
-correlationele methode: men verzamelt bij een relatief grote groep aantal gegevens over variabelen
die men wil onderzoeken
=kenmerken dat verschillende verschijningsvormen kan aannemen vb. geslacht, leeftijd…
correlatie drukt de verandering in de ene variabele samenhangend met de veranderingen in de
andere variabele
·positieve correlatie: mensen kijken nr agressieve films en worden gewelddadiger
·negatieve correlatie: mensen kijken nr agressieve films en worden minder gewelddadiger
·nulcorrelatie: wanneer er geen verband is tussen beide
nu weten we enkel hoe groot de eventuele samenhang is tussen de onderzochte variabelen MAAR
niet of de ene de ander kan veroorzaken. Dan moet men overgaan tot de experimenteel onderzoek.
-experimenteel onderzoek: is de ene variabele een oorzaak voor veranderingen in de andere? We
kunnen zo niet alleen voorspellingen maken MAAR ook vat krijgen op de gebeurtenissen
AV afhankelijke variabele: waar is het afhankelijk van?
OV onafhankelijke variabele: welke invloed op de andere variabele?
STAP 1 vertrekken van twee equivalente of gelijkaardige proefgroepen door aselecte steekproef
*men kan eventueel via een voormeting vh AV nagaan of de groepen echt wel gelijkaardig zijn
STAP 2 manipulatie inbrengen in één vd twee groepen
controlegroep-experimentele groep
STAP 3 indien meerdere onafhankelijke kijken welke het meeste invloed =hoofdeffect
indien enkel bij een deelaspect van de groep een gevolg heeft =interactie-effect
vb. wel bij jongens gevolgen MAAR niet bij meisjes
2
,een theorie =een netwerk van relaties waarin aangegeven wordt hoe ≠ gebeurtenissen met elkaar in
verband staan
een deugdelijke theorie =een samenhangend geheel van beweringen waarin alle gekende
wetmatigheden over de bestudeerde werkelijkheid vervat zitten
+hypotheses OF samenhangen
DOEL: vanuit een groeiend netwerk van relaties verklaren waarom gebeurtenissen zich op een
bepaalde manier zich voordoen zodat we ze kunnen voorspellen
-empirische toetsing
=we kunnen nooit zeggen dat iets definitief bewezen is WANT moeten ze herhaaldelijk toetsen
MAAR dan zelf nog geen volstrekte zekerheid
falsificatie: valsheid van iets
verificatie: aantonen dat omstandigheden waar zijn
-wetten: hypothesen die een groot aantal toetsingen met succes doorstaan hebben
-empirische cyclus
1 empirische fase = het begint met toevallige vaststellingen
2 hypothese: vaststellingen kunnen aanleiding geven tot het formuleren van hypothesen
3 hypothese toetsbare voorspellingen: het blijft bij veronderstellingen, om meer zekerheid te krijgen
moeten we er hypothese toetsbare voorspellingen afgeleid te worden
4 toetsingsfase: het confronteren van die concrete voorspelling met nieuwe feiten
5 kijken of de hypothese of theorie al of niet houdbaar is
6 als het resultaat positief is, worden ze bevestigd. Is het negatief dan worden ze verworpen en
eventueel vervangen door nieuwe hypothese en zo weer nieuwe voorspellingen en weer moeten
getoetst worden…
Geschiedenis van de psychologie
middeleeuwen
·geest is onoplosbaar = mysterie + los van de natuurwetten
·theocentrisme
·de ziel is iets wat tot God behoort en staat los van de natuur
RENE DESCARTES, rationalisme = het logisch denken staat centraal
‘ik kan aan alles twijfelen behalve aan het feit dat ik twijfel
dubito ergo cogito ergo sum ik twijfel dus ik denk dus ik ben
+methodische twijfel: alle bestaande zekerheden worden als het ware tussen haakjes geplaatst
GOD is geen malin géni
aangeboren ideeën
JOHN LOCKE, empirisme = groot belang benadrukte van de zintuigelijke waarneming
bewustzijn toegankelijk voor observatie
tabula rasa
geen ingeboren ideeën
!dualisme, enkel de materie kon wetenschappelijk onderzocht worden!
psychofysica =ze gebruiken wetenschappelijke instrumentarium om die nieuwe, psychologische
problemen meteen aan te pakken
3
, halfweg 19e E, 1875
WILHELM WUNDT: vader vd wetenschappelijke psychologie
·experimentele methode : nieuw fenomenen die je zelf moet uitlokken
·introspectie =de te bestuderen fenomenen experimenteel uitgelokt worden+ zo nauwkeurig
mogelijk proberen te observeren wat er zoal in zijn geest omging beschrijven wat er bij hen
opkomt
·structuralisme =basisstructuren van bewuste waarnemingen
·functionalisme =men wou niet meer de structuur van het bewustzijn onderzoeken, maar de werking
of de functie ervan
BEHAVIORISTISCHE REVOLUTIE
behaviorisme
reflexologie: weg van rechtstreeks bewustzijnsonderzoek en meer zich richten op uitwendig
waarneembaar gedrag
empirisme: je kan alleen zeker zijn van wat je ziet DUS enkel het uitwendige
vb. Pavlov en de hond
prikkel black box gedrag
JOHN BROADUS WATSON
·louter beschrijven van stimulus – respons connecties
·de uiterlijke waarneembare responsen en de actueel inwerkende stimuli is van belang
·door PAVLOV, kon Watson zeggen dat het ooit mogelijk zou worden om ieder gedrag dat iemand
stelt te verklaren vanuit specifieke stimuli
gestaltepsychologie begin 20e E
=het geheel is niet te herleiden tot een eenvoudige optelling van de delen waaruit het is opgebouwd,
onmiddellijk vatten van de ‘Gestalt’
hersenen zoeken van nature naar patronen, ook als die er niet zijn
mensen registreren niet MAAR construeren een werkelijkheid
dieptepsychologie OF psychoanalyse
SIGMUND FREUD
=er wordt niet gezocht in bewuste overwegingen MAAR in diepere onbewuste motieven via hypnose
of vrije associatie
gevoelen, gedachten of verlangens waarvan de persoon zich op de een of andere manier niet durft
of wil bewust worden
bewuste voorbewuste onderbewuste
ES ICH UBER-ICH
lustprincipe: opzoeken van lust realiteitsprincipe (bewuste ik) moraliteitsprincipe
vermijden van onlust modereert tussen es über-ich geweten, IK-ideaal
eros: levensdrift +verdedigings- of
thanatos: doodsdrift afweermechanismen
vb. Alfred Adler, individuele psychologie
vb. Carl Gustav Jung, analytische psychologie
(2 reacties op behevioralisme)
4