Pathologie II: Hematologie
- Hematologie: de leer v/h bloed
- Bloed: vloeibaar orgaan met veel symboliek en geschiedenis naast het hard
- Emotionele waarden (sommigen hebben er schrik van..)
- Geneeskunde: heel actueel
o Bloed/plasmatranfusie, immunotherapie..
o Bv. voor mensen met kanker
1 ALGEMENE ASPECTEN
volwassen organisme: 8% bloed (=5-6L) dat met een groot debiet (5L/min.) doorheen het lichaam stroomt
1.1 Functies bloed
!! Transportfuncties:
- Transport van nutriënten vanuit het spijverteringsstelsel → weefsel
- “ “ zuurstof vanuit longen → weefsel
o Evidentie, maar ook moeilijk (hemoglobine nodig)
▪ Kleine hoeveelheid 𝑂2 oplosbaar in bloed → manier nodig om 𝑂2 rond te brengen
= systeem v/d rode bloedcellen
- “ “ afvalstoffen v/h celmetabolisme → uitscheidingsorganen (nier, longen, lever)
- “ “ hormonen vanuit productieplaats (endocriene klier) → doelorgaan
- “ “ warmte vanuit actieve spieren → huid
- “ “ GM doorheen organisme
Bloed bevat ≠ elementen (bloedcellen, eiwitten..) met spec functies
- Bv. voor bescherming tegen micro-organismen en toxinen, voor beperkt bloedverlies bij
kwetsuren..
- Veiligheid en herstelfunctie !!
1.2 Samenstelling bloed
- Bloed: waterige opl van cellen en moleculen
- Waterige componenten waaruit de cellen verwijdert zijn = plasma
o Plasma bekomen door bloed (na toediening v/e anticoagulans) te centrifugeren + het
supernatans af te pipetteren
o Ook wnr afgenomen/onstolbaar gemaakt bloed blijft staan → scheiding in 2 fracties
▪ Eventjes laten staan → bloed bezinkt
▪ Bovenstaande, +/- heldere vloeistof = bloedplasma
▪ Onderste: o.i.v Fz naar beneden gezakte bloedcellen
- Volume/volume verhouding
o 45% cellen (grootste deel = rode bloedcellen)
o 55% plasma (bloed zonder celcomponenten) hematocriet
- Slecht 1% bloedplaatjes
- Het procentueel volume v/d uitgezakte (rode) bloedcellen = hematocriet
o Schommelt tussen 40-45% (mannen) of 35-45% (vrouwen)
, - 3 types bloedcellen (elk een typische taak + eigenschappen)
o Witte bloedcellen (leukocyten): 3500-10 000/μL, levensduur 120 dagen → verdediging
o Bloedplaatjes (trombocyten): 150 000- 350 000/μL, levensduur ½ dag → herstel
o Rode bloedcellen (erythrocyten): 4.5 -6 miljoen/μL, levensduur 7 dagen → transport
▪ Continu aangemaakt + 90% van alle cellen
1.3 Hematopoëse
- = bloedvorming
- Continu bloed aangemaakt, elke dag nodig
- Hoofdzakelijk in beenmerg, in beperkte mate in de lever, milt, thymus en lymfeklieren
o Beenmerg= vetachtige structuur
- Aanmaak van stamcellen: enkel in (primair) beenmerg
o MAAR: dus ook andere organen (milt, lever…) bij bloedvorming
o Myeloïde: primaire stamcel in beenmerg
o Lymfoïd: primaire stamcel in lymfeklieren
- Bloedvorming ↓ in beenmerg (bv. door verbindweefseling v/h beenmerg( = myelofibrose) na
bestraling of beenmergziekte) → hematopoëse overgenomen door bv. milt en lever
o = extramedullaire hematopoëse
- Gezien beperkte levensduur van de bloedcellen is de turnover en de aanmaak van nieuwe cellen
enorm
- Elke vertraging van aanmaak → snelle daling v/h aantal elementen i/h perifere bloed
- ‘gepaste’ aanmaak v/d bloedelementen vraagt: goed, accurate sturing om te verhinderen dat er
te veel of te weinig bloedelementen aanwezig zijn
- Gezien de enorme turnover: grondstoffen in afgestorven cellen ‘recupereren’
o Dit gebeurt voor de erythrocyten in de milt
, ▪ Milt bevat ingenieus systeem om ‘oude’ erythrocyten te capteren en de
grondstoffen te recycleren
- Bloedvorming gaat uit van pluripotente stamcellen, die verder rijpen en differentiëren naar spec
celtypes
- Stamcel: 2 eigenschappen
1. Mogelijkheid van eeuwigdurende zelfreplicatie (blijvend verdubbelen)
2. Mogelijkheid tot differentiatie (kan uitgroeien tot ≠ soorten cellen)
- Voornaamste celreeksen:
o Lymfoïde celreeks (waaruit lymfocyten worden gemaakt)
o Myeloïde celreeks (waaruit erythrocyten, trombocyten, granulocyten, monocyten
worden gemaakt)
- Aspecifiek immuunsysteem: cellen eten ‘afval’, ‘rommel’ op + vallen ongericht indringers aan
(vooral bacteriën)
o Bv. splinter in duim
- Specifiek “ : cellen reageren op spec prikkels (bv. griepvirus): geheugensysteem
2 DE BLOEDPLAATJES (TROMBOCYTEN ) EN DE HEMOSTASE
- Herstel → stollingssysteem, reparatiesysteem
- !! rol bij het stoppen v/e bloeding = hemostase of bloedstelping
o Na beschadiging bloedvat
- Proces: 2 stappen
1. Primaire hemostase: lek in bloedvat voorlopig afgedicht met ‘hemostatische plug’ →
bloeding stopt
▪ Bloedplaatjes !!! rol
▪ Vasculaire fase en trombocytaire fase
2. Secundaire “: hemostatische plug verstevigd door fibrinenetwerk
▪ Netwerk gevormd via bloedstolling of coagulatie
• Permanente stop
▪ Coagulatie is geen synoniem, het is slechts een onderdeel v/d hemostase
- Blijvend lek in bloedvat → dood
2.1 Primaire hemostase
2.1.1 Mechanismen
- Leidt tot het stoppen v/e bloeding in 2 fasen
o Vasculaire fase
o Trombocytaire fase
Vasculaire fase:
- In omgeving van letsel vernauwt het bloedvat → ↓ doorbloeding + druk thv letsel → bloeding ↓
- Vaatvernauwing dmv mechanische prikkel v/d gladde spieren rond het bloedvat + door serotonine
dat vrijkomt uit bloedplaatjes op de plaats v/h letsel
, o Mechanische prikkel
▪ Endotheline uit endotheelcel
▪ Serotonine uit bloedplaatjes
- Vasoconstrictie → bloeding ↓, MAAR stopt niet
o Vasoconstrictie houdt niet aan
o Na 20-40 min. Verdwijnt ze → bloeding opnieuw beginnen als er geen andere
mechanismen in werking zouden gekomen zijn
o Bloeding stop wel dmv processen uit trombocytaire fase
▪ Waarin bloedplaatjes een !! rol spelen
Trombocytaire fase
- Lek in bloedvat afdichten door een stop (plug)
o Plug gevormd door trombocyten die rondcirculeren i/h bloed + aan elkaar vastkleven
- Deze fase: in 3 stappen (adhesie, activatie en aggregatie)
1. Adhesie
o Circulerend bloed komt norm enkel in contact met endotheelcellen
o Bloedvat beschadigd → bloed in contact met collageen (= laag eiwitvezels) in vaatwand
▪ Trombocyten adheren aan collageen + aan het omliggende endotheel dmv
glycoproteïnereceptoren Ib in hun membraan + circulerend von
willebrandfactor (vWF) als ligand
o Adhesie aan collageen → ↑ intracellulaire 𝐶𝑎2+ conc. → activatie trombocyten
2. Activatie
o Gaat gepaard met ≠ verschijnselen
▪ Bloedplaatjes vervormen → contactopp. Vergroot (rondere structuur)
▪ Glycoproteïne (GP) IIb-IIIa complexen komen aan de oppervlakte
▪ Serotonine en adenosinetrifosfaat (ADP) worden vrijgesteld uit granulen
▪ Tromboxaan 𝐴2 (bevordert aggregatie) wordt gesynthetiseerd
• Gemaakt vanuit arachidonzuur (maakt deel uit v/h membraan van
bloedplaatjes) dat via een reeks enzymatische reacties (o.a cyclo-
oxygenase-1) omgezet wordt in ≠ eicosanoïden (tromboxaan 𝐴2 en
prostglandines)
3. Aggregatie
o Geactiveerde trombocyten kleven aan elkaar + vormen een stop (= hemostatische plug)
▪ Belet (voorlopig) bloeding + dicht bloedvat
o De ‘lijm’ dei trombocyten aan elkaar kleeft = fibrinogeen
▪ Circulerende proteïne
- Hematologie: de leer v/h bloed
- Bloed: vloeibaar orgaan met veel symboliek en geschiedenis naast het hard
- Emotionele waarden (sommigen hebben er schrik van..)
- Geneeskunde: heel actueel
o Bloed/plasmatranfusie, immunotherapie..
o Bv. voor mensen met kanker
1 ALGEMENE ASPECTEN
volwassen organisme: 8% bloed (=5-6L) dat met een groot debiet (5L/min.) doorheen het lichaam stroomt
1.1 Functies bloed
!! Transportfuncties:
- Transport van nutriënten vanuit het spijverteringsstelsel → weefsel
- “ “ zuurstof vanuit longen → weefsel
o Evidentie, maar ook moeilijk (hemoglobine nodig)
▪ Kleine hoeveelheid 𝑂2 oplosbaar in bloed → manier nodig om 𝑂2 rond te brengen
= systeem v/d rode bloedcellen
- “ “ afvalstoffen v/h celmetabolisme → uitscheidingsorganen (nier, longen, lever)
- “ “ hormonen vanuit productieplaats (endocriene klier) → doelorgaan
- “ “ warmte vanuit actieve spieren → huid
- “ “ GM doorheen organisme
Bloed bevat ≠ elementen (bloedcellen, eiwitten..) met spec functies
- Bv. voor bescherming tegen micro-organismen en toxinen, voor beperkt bloedverlies bij
kwetsuren..
- Veiligheid en herstelfunctie !!
1.2 Samenstelling bloed
- Bloed: waterige opl van cellen en moleculen
- Waterige componenten waaruit de cellen verwijdert zijn = plasma
o Plasma bekomen door bloed (na toediening v/e anticoagulans) te centrifugeren + het
supernatans af te pipetteren
o Ook wnr afgenomen/onstolbaar gemaakt bloed blijft staan → scheiding in 2 fracties
▪ Eventjes laten staan → bloed bezinkt
▪ Bovenstaande, +/- heldere vloeistof = bloedplasma
▪ Onderste: o.i.v Fz naar beneden gezakte bloedcellen
- Volume/volume verhouding
o 45% cellen (grootste deel = rode bloedcellen)
o 55% plasma (bloed zonder celcomponenten) hematocriet
- Slecht 1% bloedplaatjes
- Het procentueel volume v/d uitgezakte (rode) bloedcellen = hematocriet
o Schommelt tussen 40-45% (mannen) of 35-45% (vrouwen)
, - 3 types bloedcellen (elk een typische taak + eigenschappen)
o Witte bloedcellen (leukocyten): 3500-10 000/μL, levensduur 120 dagen → verdediging
o Bloedplaatjes (trombocyten): 150 000- 350 000/μL, levensduur ½ dag → herstel
o Rode bloedcellen (erythrocyten): 4.5 -6 miljoen/μL, levensduur 7 dagen → transport
▪ Continu aangemaakt + 90% van alle cellen
1.3 Hematopoëse
- = bloedvorming
- Continu bloed aangemaakt, elke dag nodig
- Hoofdzakelijk in beenmerg, in beperkte mate in de lever, milt, thymus en lymfeklieren
o Beenmerg= vetachtige structuur
- Aanmaak van stamcellen: enkel in (primair) beenmerg
o MAAR: dus ook andere organen (milt, lever…) bij bloedvorming
o Myeloïde: primaire stamcel in beenmerg
o Lymfoïd: primaire stamcel in lymfeklieren
- Bloedvorming ↓ in beenmerg (bv. door verbindweefseling v/h beenmerg( = myelofibrose) na
bestraling of beenmergziekte) → hematopoëse overgenomen door bv. milt en lever
o = extramedullaire hematopoëse
- Gezien beperkte levensduur van de bloedcellen is de turnover en de aanmaak van nieuwe cellen
enorm
- Elke vertraging van aanmaak → snelle daling v/h aantal elementen i/h perifere bloed
- ‘gepaste’ aanmaak v/d bloedelementen vraagt: goed, accurate sturing om te verhinderen dat er
te veel of te weinig bloedelementen aanwezig zijn
- Gezien de enorme turnover: grondstoffen in afgestorven cellen ‘recupereren’
o Dit gebeurt voor de erythrocyten in de milt
, ▪ Milt bevat ingenieus systeem om ‘oude’ erythrocyten te capteren en de
grondstoffen te recycleren
- Bloedvorming gaat uit van pluripotente stamcellen, die verder rijpen en differentiëren naar spec
celtypes
- Stamcel: 2 eigenschappen
1. Mogelijkheid van eeuwigdurende zelfreplicatie (blijvend verdubbelen)
2. Mogelijkheid tot differentiatie (kan uitgroeien tot ≠ soorten cellen)
- Voornaamste celreeksen:
o Lymfoïde celreeks (waaruit lymfocyten worden gemaakt)
o Myeloïde celreeks (waaruit erythrocyten, trombocyten, granulocyten, monocyten
worden gemaakt)
- Aspecifiek immuunsysteem: cellen eten ‘afval’, ‘rommel’ op + vallen ongericht indringers aan
(vooral bacteriën)
o Bv. splinter in duim
- Specifiek “ : cellen reageren op spec prikkels (bv. griepvirus): geheugensysteem
2 DE BLOEDPLAATJES (TROMBOCYTEN ) EN DE HEMOSTASE
- Herstel → stollingssysteem, reparatiesysteem
- !! rol bij het stoppen v/e bloeding = hemostase of bloedstelping
o Na beschadiging bloedvat
- Proces: 2 stappen
1. Primaire hemostase: lek in bloedvat voorlopig afgedicht met ‘hemostatische plug’ →
bloeding stopt
▪ Bloedplaatjes !!! rol
▪ Vasculaire fase en trombocytaire fase
2. Secundaire “: hemostatische plug verstevigd door fibrinenetwerk
▪ Netwerk gevormd via bloedstolling of coagulatie
• Permanente stop
▪ Coagulatie is geen synoniem, het is slechts een onderdeel v/d hemostase
- Blijvend lek in bloedvat → dood
2.1 Primaire hemostase
2.1.1 Mechanismen
- Leidt tot het stoppen v/e bloeding in 2 fasen
o Vasculaire fase
o Trombocytaire fase
Vasculaire fase:
- In omgeving van letsel vernauwt het bloedvat → ↓ doorbloeding + druk thv letsel → bloeding ↓
- Vaatvernauwing dmv mechanische prikkel v/d gladde spieren rond het bloedvat + door serotonine
dat vrijkomt uit bloedplaatjes op de plaats v/h letsel
, o Mechanische prikkel
▪ Endotheline uit endotheelcel
▪ Serotonine uit bloedplaatjes
- Vasoconstrictie → bloeding ↓, MAAR stopt niet
o Vasoconstrictie houdt niet aan
o Na 20-40 min. Verdwijnt ze → bloeding opnieuw beginnen als er geen andere
mechanismen in werking zouden gekomen zijn
o Bloeding stop wel dmv processen uit trombocytaire fase
▪ Waarin bloedplaatjes een !! rol spelen
Trombocytaire fase
- Lek in bloedvat afdichten door een stop (plug)
o Plug gevormd door trombocyten die rondcirculeren i/h bloed + aan elkaar vastkleven
- Deze fase: in 3 stappen (adhesie, activatie en aggregatie)
1. Adhesie
o Circulerend bloed komt norm enkel in contact met endotheelcellen
o Bloedvat beschadigd → bloed in contact met collageen (= laag eiwitvezels) in vaatwand
▪ Trombocyten adheren aan collageen + aan het omliggende endotheel dmv
glycoproteïnereceptoren Ib in hun membraan + circulerend von
willebrandfactor (vWF) als ligand
o Adhesie aan collageen → ↑ intracellulaire 𝐶𝑎2+ conc. → activatie trombocyten
2. Activatie
o Gaat gepaard met ≠ verschijnselen
▪ Bloedplaatjes vervormen → contactopp. Vergroot (rondere structuur)
▪ Glycoproteïne (GP) IIb-IIIa complexen komen aan de oppervlakte
▪ Serotonine en adenosinetrifosfaat (ADP) worden vrijgesteld uit granulen
▪ Tromboxaan 𝐴2 (bevordert aggregatie) wordt gesynthetiseerd
• Gemaakt vanuit arachidonzuur (maakt deel uit v/h membraan van
bloedplaatjes) dat via een reeks enzymatische reacties (o.a cyclo-
oxygenase-1) omgezet wordt in ≠ eicosanoïden (tromboxaan 𝐴2 en
prostglandines)
3. Aggregatie
o Geactiveerde trombocyten kleven aan elkaar + vormen een stop (= hemostatische plug)
▪ Belet (voorlopig) bloeding + dicht bloedvat
o De ‘lijm’ dei trombocyten aan elkaar kleeft = fibrinogeen
▪ Circulerende proteïne