DEEL 1: BENELUX
1. HET ONTSTAAN VAN DE BENELUX
Tijdens het einde van de Tweede Wereldoorlog waren België, Nederland en Luxemburg bezet door nazi-Duitsland. Daarom
zaten hun regeringen tijdelijk in Londen. Vanuit Londen begonnen ze al vooruit over hoe ze nauwer konden samenwerken
op economisch en politiek vlak om hun staat en economie weer op te drijven. (= werd later de BENELUX)
1944 – EERSTE SAMENWERKING
In 1944 kwamen België, Nederland en Luxemburg overeen om samen te werken aan de economische heropleving en
wederopbouw van hun landen na de Tweede Wereldoorlog.
− Eerste stap: vormen van een monetaire unie
o De eerste stap was het opzetten van een monetaire unie (samenwerking op geldvlak), omdat de 3 landen
nog elk hun eigen munt hadden. Maar, om dit mogelijk te kunnen maken moesten ze 2 dingen doen:
▪ 1. Vaste wisselkoersen (fixed exchange rates) invoeren
• Dat de waarde van de munt van het ene land wordt gekoppeld aan die van een ander
land. (Vb. 1 munt van land A = 2 munten van land B)
• Zo bleven de wisselkoersen stabiel en werd handel eenvoudiger.
▪ 2. Staatsleningen (stateloans) geven
• De landen ondersteunden elkaar financieel door elkaar leningen te geven om hun
economie te helpen herstellen.
− Tweede stap: vormen van een douane-unie (= customs union)
o Dat betekent dat de 3 landen interne grenzen afschaften of versoepelden, zodat mensen en goederen
zich gemakkelijker konden verplaatsen en grenscontroles verminderden tussen de 3 landen.
o Dit zorgde voor meer handel en snellere economische samenwerking
o Maar er was ook een nadeel: er kwam meer grensoverschrijdende criminaliteit
Deze samenwerking wordt vaak gezien als een voorloper en inspiratiebron voor het latere
Schengengebied, waar ook binnengrenzen grotendeels verdwenen.
1958: OFFICIËLE START VAN DE BENELUX ALS ORGANISATIE
− In 1958 besloten de 3 landen hun samenwerking naar een hoger niveau te tillen door het Benelux-Unieverdrag
(1958) te tekenen.
− Dit verdrag wordt beschouwd als het officiële begin van de BENELUX als organisatie.
− Vanaf dan kregen ze eigen instellingen en konden ze een gemeenschappelijk beleid voeren
De samenwerking begon vooral met een economische aanpak (= het oprichten van de Benelux Economische Unie (BEU)),
maar al snel kwamen er ook aanvullende maatregelen (= flanking measures)
− Wat zijn “flankerende maatregelen/flanking measures”?
o = Extra afspraken en beleidsmaatregelen die de oorspronkelijke economische samenwerking
ondersteunen en dus de praktische problemen aanpakken
− Na verloop van tijd werden die extra maatregelen steeds belangrijker, waardoor de BENELUX veel meer werd dan
alleen een economisch project.
− Voorbeelden van enkele flanking measures/flankerende verdragen:
o 1) Verdrag inzake uitlevering en rechtshulp (1962)/ treaty on extradition and judicial cooperation
▪ Een verdrag over de justitiële samenwerking tussen de 3 landen
▪ Voornamelijk over de uitlevering (extradiction) van een crimineel
• Extradiction = een land draagt een verdachte of veroordeelde persoon over aan een
ander land
, • Er zijn 2 situaties:
o 1. Executoriale uitlevering: iemand is al veroordeeld, maar bevindt zich in een
ander land. Dan kan hij worden uitgeleverd zodat hij zijn straf daar kan
ondergaan.
o 2. Procedurele uitlevering: iemand moet nog berecht worden, maar bevindt
zich in een ander land. Dan wordt die persoon uitgeleverd om voor de rechter te
verschijnen.
o 2) Verdrag inzake tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (1968)/ treaty on execution
▪ Dit verdrag maakte het mogelijk dat als een zaak of straf verband had met een ander Benelux-
land, dat andere land kon helpen bij de uitvoering van de straf.
o 3) BACC-verdrag (1969)
▪ Het BACC-verdrag staat voor samenwerking op het vlak van bestuurlijke en strafrechtelijke
samenwerking
▪ Hiermee werd de samenwerking tussen de 3 landen nog sterker, vooral om grensoverschrijdende
problemen beter aan te pakken
2008: UPDATE VAN THE BENELUX -UNION-TREATY
Het Benelux-Unieverdrag van 1958 werd oorspronkelijk gesloten voor een periode van 50 jaar.
Men dacht dat die periode voldoende zou zijn om de economische wederopbouw te realiseren. Maar na die 50 jaar wilden
de 3 landen blijven samenwerken. Daarom werd het verdrag in 2008 vernieuwd en aangepast.
Met het vernieuwde verdrag wilden België, Nederland en Luxemburg hun samenwerking definitief voortzetten, hun
samenwerking verdiepen en niet alleen economisch, maar ook op andere domeinen sterker samenwerken
1.1 SAMENWERKING (COOPERATION ) BINNEN DE BENELUX
Waarom bestaat de BENELUX nog als we al de Europese Unie hebben?
De samenwerking begon vooral als een economisch project (zoals het afschaffen van grenzen en bevorderen van de handel).
Maar later bleek dat economische samenwerking alleen niet genoeg was. Als je grenzen opent, ontstaan er ook nieuwe
problemen en noden, zoals grensoverschrijdende criminaliteit, migratiekwesties… Daarom werd de Benelux breder dan alleen
economie.
De BENELUX blijft bestaan omdat België, Nederland en Luxemburg in een kleine groep gemakkelijker en sneller
kunnen samenwerken dan binnen de veel grotere Europese Unie.
DE SENNINGEN -RAADPLEGING (CONSULATION )
De Senningen-raadpleging (1996) verwijst naar een reeks vergaderingen in het Kasteel van Senningen in Luxemburg. Deze
bijeenkomsten waren belangrijk omdat de 3 landen daar bespraken hoe ze hun samenwerking wilden verdiepen en op
welke domeinen ze nauwer wilden samenwerken
Het resultaat daarvan was het Senningen-memorandum
− = Dat was een soort beleidsafspraak of routeplan waarin stond waar de BENELUX in de toekomst op moest
inzetten en welke vormen van samenwerking belangrijk zouden worden
− = It was an agreement on what the Benelux was going to do
Vanaf dan lag de focus sterk op:
− Politiesamenwerking (= police cooperation)
− Justitiële samenwerking (= judicial cooperation)
− Migratie (= migration)
,➢ Police cooperation
o Het Senningen-verdrag van 2004 was een belangrijke basis voor de politiesamenwerking over
grensoverschrijdende politie-interventie
o De 3 politiediensten van de 3 landen konden nauwer samenwerken over de grenzen heen
o Voorbeelden van politiesamenwerking:
▪ 1. Gezamenlijke uitrusting (equipment)
• De landen gebruiken soms dezelfde of vergelijkbare middelen, zoals politievoertuigen,
helikopters, drugshonden
• Dit is handig aangezien:
o de aankoop goedkoper is door gezamenlijke aankoop
o gezamenlijke operaties efficiënter kunnen gebeuren
o de agenten elkaars materiaal kennen en het dus gemakkelijker kunnen gebruiken
▪ 2. Gezamelijke opleiding (education) en trainingen
• Zo werken ze met dezelfde prioriteiten en methodes.
▪ 3. Veldsamenwerking (field cooperation)/ gezamenlijke acties
• Agenten uit verschillende Benelux-landen kunnen samen optreden in de praktijk.
• Bijvoorbeeld: een Nederlandse politieagent helpt mee bij een actie in België of omgekeerd
o Voorbeelden: grenscontroles, gezamenlijke acties rond voetbalwedstrijden,
hulp bij grote evenementen (vb. Gentse Feeste)
▪ 4. Toegang tot databanken (acces to databases)
• De politiediensten kunnen informatie uitwisselen via elkaars databanken
• Dat maakt het makkelijker om personen op te sporen, voertuigen te controleren, sneller
informatie te delen…
▪ 5. De Benelux heeft ook verbindingsofficiers (liaison officers)
• Elk land kan verbindingsofficiers sturen naar een ander Benelux-land. Hun taak is om
informatie te verzamelen, samenwerking tussen politiediensten te vergemakkelijken en
een contactpersoon te zijn tussen de landen
• Dit werkt vaak beter dan wanneer elk land volledig apart zou werken.
▪ 6. Horizontale en (>< verticale samenwerking)
• Horizontale samenwerking
o De politiediensten werken rechtstreeks met elkaar samen, zonder dat elke stap
eerst via ministers of de centrale overheid moet lopen.
Sneller contact, sneller optreden, minder bureaucratie
o Deze vorm van samenwerking was belangrijk omdat ze later ook als voorbeeld
voor de Europese Unie diende. De BENELUX was hier dus opnieuw een
proefmodel voor bredere Europese samenwerking.
• Verticale samenwerking
o De samenwerking via de officiële hiërarchie.
o Bijvoorbeeld: politie in land A vraagt toestemming aan de bevoegde minister.
Die minister contacteert de minister van land B. Daarna kan de politie in land B
bepaalde acties uitvoeren
o Dat is formeler, maar soms noodzakelijk.
➢ Judicial cooperation
o 1. Ondersteuning tijdens onderzoeken (support during investigations)
▪ De 3 landen kunnen elkaar helpen bij grensoverschrijdende onderzoeken.
• Dat kan op 2 manieren:
o Optie 1: de politie van het andere land vragen om iets te onderzoeken
o Optie 2: een gezamenlijk onderzoeksteam vormen
o 2. Erkenning en uitvoering van elkaars rechterlijke beslissingen (execution of each other’s judicial decisions)
▪ De landen kunnen ook elkaars gerechtelijke beslissingen makkelijker erkennen en uitvoeren.
▪ Vb: een straf of beslissing uit 1 land kan ook in een ander Benelux-land uitgevoerd worden
➢ Migration
o 1. Overname-/terugnameverdragen (re-admission treaty)
▪ Dit zijn afspraken over wat er gebeurt wanneer iemand geen recht heeft om te blijven.
, ▪ Bijvoorbeeld: als een migrant in een Benelux-land wordt geweigerd, dan kan die persoon worden
teruggestuurd naar het land van herkomst of het land vanwaar hij/zij kwam, als terugkeer naar
het land van herkomst niet mogelijk is. Maar, als je dus nee zegt tegen een migrant, moet je wel
eerst zeker zijn dat het land van herkomst de migrant zal opnemen in hun land.
o 2. Visumbeleid (= Visa Waivor Agreement)
▪ Iemand met een geldig visum kon in principe toegang krijgen tot alle 3 de Benelux-landen
▪ Ook dit was opnieuw een voorloper van bredere Europese afspraken
2. IS ER NOG TOEKOMST VOOR DE BENELUX ( FOR THE RAISON-D’ÊTRE)?
Er worden meestal 2 grote redenen gegeven waarom de Benelux zou blijven bestaan:
− 1. De 3 landen delen vaak dezelfde visie (common vision on most topics)
o België, Nederland en Luxemburg hebben op veel domeinen vergelijkbare belangen, gelijkaardige
uitdagingen en een gedeelde politieke en economische visie
o Daardoor kunnen ze makkelijker samenwerken.
− 2. De BENELUX heeft een dubbele functie (double goal)
o 1) Verdieping van samenwerking tussen de 3 landen (deepend forms of cooperation)
o 2) De Benelux werkt vaak als een testlaboratorium of proefterrein voor de EU (testing ground for the EU)
▪ Nieuwe vormen van samenwerking worden eerst in het klein uitgeprobeerd. Als ze goed werken,
kunnen ze later op Europees niveau worden overgenomen
Daarom zegt men soms dat de BENELUX helpt om de Europese integratie vooruit te duwen.
3. INSTITUTIONELE STRUCTUUR EN WERKING VAN DE BENELUX
Binnen de Benelux zijn er 4 belangrijke instellingen:
− 1) De Benelux Interparlementaire Assemblee (ook wel: het Benelux-Parlement)
− 2) Het Comité van Ministers
− 3) Het Secretariaat-Generaal
− 4) Het Benelux-Gerechtshof/rechtbank (= the benelux court)
1) HET BENELUX PARLEMENT (THE BENELUX INTRAPALMIAMENTARY ASSEMBLY )
De Benelux Interparlementaire Assemblee wordt meestal het Benelux-Parlement genoemd.
− Belangrijk: dit parlement heeft geen echte beslissingsmacht. Het is dus geen parlement zoals het Belgisch
Parlement of het Europees Parlement dat wetten kan aannemen EN HEEFT DUS GEEN BESLISSINGSMACHT!!!!
o Het is eerder een overlegorgaan, discussieforum, plaats waar vertegenwoordigers informatie uitwisselen
o Je kan het dus zien als een soort “praatforum” waar parlementairen uit de 3 landen samenkomen.
− Het Benelux-Parlement werd al opgericht in 1955.
o Dat is opvallend, want dat was nog vóór het officiële Benelux-Unieverdrag van 1958.
o Het bestond dus al eerder als onderdeel van de bredere Benelux-samenwerking.
Samenstelling en werking
− Het Benelux-Parlement bestaat uit 49 leden:
o 21 uit België
o 21 uit Nederland
o 7 uit Luxemburg
− Het Benelux-Parlement heeft 3 hoofdrollen/taken (main taks):
o 1. Adviserende functie
▪ Het parlement geeft adviezen, formuleert aanbevelingen, bespreekt onderwerpen zoals politie,
justitie, migratie, fiscale fraude, veiligheid, crisisbeheer…)
▪ Die adviezen zijn gericht aan:
• het Comité van Ministers
• de nationale regeringen van de 3 lidstaten
, o 2. Informatiedoorstroming (= information flow)
▪ De leden zijn vertegenwoordigers uit de nationale parlementen.
• Dat betekent dat ze op de hoogte blijven van Benelux-kwesties, problemen uit hun eigen
land kunnen aankaarten en informatie uit de Benelux kunnen meenemen naar hun
nationale parlement
• Bijvoorbeeld: een Belgisch lid kan in de assemblee een probleem in België signaleren en
dat daarna meenemen naar het Belgische parlement
Het Benelux-Parlement werkt dus als een schakel tussen nationaal en Benelux-niveau.
o 3. Internationale samenwerking (= external relations)
▪ Het Benelux-Parlement werkt ook samen met andere landen en internationale organisaties,
zoals de VS, de EU, de Noordse Raad/council, de Baltische Assemblee…
▪ Dat versterkt de internationale positie van de BENELUX.
De werking (= functioning) van het Benelux Parlement
− Het Benelux-Parlement vergadert (meets) beurtelings (in turn) in de 3 hoofdsteden van de lidstaten, namelijk
Brussel, Den Haag en Luxemburg.
o Dit gebeurt 3 keer per jaar, telkens voor een plenaire zitting van 2 dagen
o Tijdens die vergaderingen debatteren de leden over bepaalde thema’s.
− Voorbereiding van het werk
o De parlementaire documenten en dossiers worden voorbereid door commissies
▪ Er zijn 7 commissies, elk gespecialiseerd in een bepaald domein, bijvoorbeeld justitie, veiligheid…
o Daarnaast is er ook een Permanent Comité, dat instaat (is responsible) voor de dagelijkse organisatie van
het parlementaire werk.
2) HET COMITÉ VAN MINISTERS ( THE BENELUX COMMITEE OF MINISTERS )
Het Comité van Ministers is het belangrijkste besluitvormende orgaan van de Benelux.
=> Dit Comité neemt wel echt (uitvoerende) beslissingen, wat het Benelux Parlement niet deed
Samenstelling en werking
− Bestaat uit minstens 1 regeringslid per lidstaat (= one deputy of the government of each member state)
o Meestal zijn dat ministers, staatssecretarissen of andere bevoegde regeringsleden
▪ Vaak gaat het om ministers van Buitenlandse Zaken (ministers of foreign affairs) of een andere
minister die bevoegd is voor het betrokken onderwerp (ad hoc appointed minister)
o !!! De samenstelling kan dus verschillen naargelang het thema.
− Het Comité van Ministers komt normaal gezien 1 keer per jaar samen, voor 1 dag.
Beslissingen nemen binnen en de taken van het Comité van de Ministers
− Beslissingen in het Comité van Ministers worden genomen met unanimiteit (unanimity) (= alle 3 moeten akkoord gaan)
− De taken van het Comité
o De belangrijkste taak: uitvoeren van het Benelux-Verdrag verzekeren & de doelstellingen vd Benelux realiseren
▪ (=to ensure the implementation of the Benelux Treaty & to accomplish the Benelux goals/aims)
▪ Het is dus het echte regeringsorgaan van de Benelux
o Andere taken:
▪ 1. Verdragen aannemen
• Het Comité kan verdragen aannemen, beslissingen nemen en aanbevelingen formuleren
• Deze juridische instrumenten zijn heel belangrijk voor de Benelux-samenwerking.
▪ 2. Gemeenschappelijk Werkplan vastleggen (formulate a multi-annual plan)
• Het Comité stelt het Gemeenschappelijk Werkplan (Common Work Plan/CWP) vast.
o Dat plan bepaalt (sets outs) de prioriteiten, de doelstellingen en de grote lijnen
van de samenwerking, vb. rond justitie, veiligheid, migratie, economie…
− Voorbereiding van het werk: door werkgroepen (by standing commitee and a nimber of thematic workgroups)
o = aparte werkgroepen die focussen op 1 thematiek