Zorg aan het gastro-intestinaal stelsel – verpleegkundige
methodiek en vaardigheden 2
Hoofdstuk I Voedsel- en vochttoediening
• Leerdoelen
- Minstens 3 indicaties en 3 contra-indicaties voor sondevoeding opsommen;
- De kenmerken van de verschillende soorten nasogastrische sondes uitleggen;
- De verschillende indicaties voor het gebruik van een nasogastrische sonde
weergeven;
- De kenmerken, de voor- en nadelen en de indicaties bij het gebruik van de PEG-
sonde, de vervanggastrostomiesonde en jejunostomiesonde uitleggen;
- De regels voor het toedienen van sondevoeding opsommen;
- De inloopsnelheid van sondevoeding berekenen;
- Minstens 3 algemene aandachtspunten bij het toedienen van medicatie aan een
zorgontvanger met sondevoeding opsommen;
- Alle complicaties die kunnen optreden bij het toedienen van sondevoeding
herkennen en aanpakken, alsmede de mogelijke oorzaken opsommen;
- Op een correcte manier een gastrostomiesonde verzorgen en vervangen;
- Op een correcte manier een sonde van Levin en microsonde plaatsen/verwijderen;
- Op een betrouwbare manier de positie van een nasogastrische sonde controleren;
- Volgens de indicatie de vereiste procedure van het plaatsen van een maagsonde
correct opmaken en uitvoeren rekening houdend met de basisprincipes;
- De zorgontvanger gericht observeren tijdens de plaatsing van de maagsonde en de
observaties gestructureerd rapporteren.
1. Toedieningswegen
• Enteraal => voorkeur
- Via maag
➔ Nasogastrische sonde
➔ Gastrostomie (PEG = percutane endoscopische gastrostomiesonde of
ballonsonde of buttonsonde )
- Via dunne darm
➔ Nasoduodenale sonde
➔ Nasojejunale sonde
➔ PEG + jejunale sonde
➔ Jejunostomie (PEJ = percutane endoscopische jejunostomiesonde)
• Parenteraal
- Intraveneus (OLF2)
Zie afbeelding p. 11!!!
• De selectie van de toedieningsweg hangt af van veel factoren:
- De verwachte duur van voedseltoediening
- De functionele status van de gastro-intestinale tractus
- De kans op aspiratie
- …
1
,2. Wettelijke bepalingen
• B1-handeling: enterale vocht- en voedseltoediening per os
• B2-handeling: toedienen sondevoeding
• B2- handeling: toedienen parenterale voeding
3. Klinische voeding
3.1. Enterale voeding – sondevoeding
• Enterale voeding (eerste opleidingsfase) versus parenterale voeding (tweede
opleidingsfase)
SONDEVOEDING
= een vloeibare volledig adequate voeding die de benodigde hoeveelheid energie,
vitamines, mineralen en spoorelementen, voedingsvezels en vocht bevat en per sonde
of stomie rechtstreeks in het maag-darmkanaal wordt toegediend
3.1.1. Indicaties
• ! Voorwaarde: intacte GI-tractus (gastro-intestinale tractus) !
• Bij volwassenen (NICE Guidance)
- Ondervoeding (BMI < 18,5 kg/m² en gewichtsverlies van > 10% gedurende de
voorbije 3-6 maanden of BMI tussen 18,5 en 20 kg/m² en gewichtsverlies > 5%
gedurende de voorbije 3-6 maanden)
- Risico op ondervoeding (> 5 dagen weinig gegeten of kans tot weinig eten de
komende 5 dagen)
• Voorbeelden:
- Hypermetabolisme → vb. HIV, trauma, brandwonden, orgaantransplantatie
- Neurologische aandoeningen → vb. CVA, MS, Parkinson … met slikproblemen
- Gastro-intestinale problematiek → vb. oesophagale obstructie, gastrectomie, …
- Kanker → vb. chemo-radiotherapie
- Psychiatrische ziekte → vb. anorexia nervosa, depressie
- Multipel orgaanfalen (nier-, hart-, lever- en longfalen)
• 2 belangrijkste indicaties voor sondevoeding: slikstoornissen en anorexia nervosa
3.1.2. Contra-indicaties
• Niet-functionele of niet-toegankelijke gastro-intestinale tractus (absolute contra-
indicatie)
- Darmobstructies → bv. door paralytische ileus of tumor
- Hoge gastro-intestinale bloeding
- Onbehandelbaar braken
- Niet of onvoldoende functionerend maag-darmkanaal met ernstige malabsorptie
- Peritonitis
2
,3.1.3. Soorten sondevoeding
• Enterale of sondevoeding verdient de voorkeur boven parenterale toediening
redenen:
- Goedkoper
- Veiliger
- Behoudt de functie v maag en darmen
➔ Er treedt geen atrofie van de darmvilli op
➔ Het immuunsysteem id darmen blijft gestimuleerd
- Minder kans op infecties en complicaties
3.1.4. Soorten sondes bij enterale voeding
3.1.4.1. Naso-enterale sonde
3.1.4.1.1. Nasogastrische sonde
• Soepel
• Kunststof
• Diameter(charrière) afhankelijk van gebruik en soort sonde
• Voordelen
- Inbrengen kan snel gebeuren, geen operatie nodig
- Kan eventueel thuis ingebracht worden
• Nadelen
- Irritatie neus, bijholten, pharynx
- Moet regelmatig worden vernieuwd, afhankelijk v materiaal
- Kans op dislocatie bij braakneiging, braken, hoesten, niezen, ..
- Esthetisch aspect, stigmatisering (zichtbaar), oncomfortabel
3
, • Verschillende soorten v nasogastrische sondes
- Sonde van Levin
➔ Kenmerken
PVC = polyvinylchloride
Charrière = diktes
➔ Indicaties
➔ Aandachtspunten
- Microsonde
➔ Kenmerken
➔ Indicaties
➔ Aandachtspunten
4
methodiek en vaardigheden 2
Hoofdstuk I Voedsel- en vochttoediening
• Leerdoelen
- Minstens 3 indicaties en 3 contra-indicaties voor sondevoeding opsommen;
- De kenmerken van de verschillende soorten nasogastrische sondes uitleggen;
- De verschillende indicaties voor het gebruik van een nasogastrische sonde
weergeven;
- De kenmerken, de voor- en nadelen en de indicaties bij het gebruik van de PEG-
sonde, de vervanggastrostomiesonde en jejunostomiesonde uitleggen;
- De regels voor het toedienen van sondevoeding opsommen;
- De inloopsnelheid van sondevoeding berekenen;
- Minstens 3 algemene aandachtspunten bij het toedienen van medicatie aan een
zorgontvanger met sondevoeding opsommen;
- Alle complicaties die kunnen optreden bij het toedienen van sondevoeding
herkennen en aanpakken, alsmede de mogelijke oorzaken opsommen;
- Op een correcte manier een gastrostomiesonde verzorgen en vervangen;
- Op een correcte manier een sonde van Levin en microsonde plaatsen/verwijderen;
- Op een betrouwbare manier de positie van een nasogastrische sonde controleren;
- Volgens de indicatie de vereiste procedure van het plaatsen van een maagsonde
correct opmaken en uitvoeren rekening houdend met de basisprincipes;
- De zorgontvanger gericht observeren tijdens de plaatsing van de maagsonde en de
observaties gestructureerd rapporteren.
1. Toedieningswegen
• Enteraal => voorkeur
- Via maag
➔ Nasogastrische sonde
➔ Gastrostomie (PEG = percutane endoscopische gastrostomiesonde of
ballonsonde of buttonsonde )
- Via dunne darm
➔ Nasoduodenale sonde
➔ Nasojejunale sonde
➔ PEG + jejunale sonde
➔ Jejunostomie (PEJ = percutane endoscopische jejunostomiesonde)
• Parenteraal
- Intraveneus (OLF2)
Zie afbeelding p. 11!!!
• De selectie van de toedieningsweg hangt af van veel factoren:
- De verwachte duur van voedseltoediening
- De functionele status van de gastro-intestinale tractus
- De kans op aspiratie
- …
1
,2. Wettelijke bepalingen
• B1-handeling: enterale vocht- en voedseltoediening per os
• B2-handeling: toedienen sondevoeding
• B2- handeling: toedienen parenterale voeding
3. Klinische voeding
3.1. Enterale voeding – sondevoeding
• Enterale voeding (eerste opleidingsfase) versus parenterale voeding (tweede
opleidingsfase)
SONDEVOEDING
= een vloeibare volledig adequate voeding die de benodigde hoeveelheid energie,
vitamines, mineralen en spoorelementen, voedingsvezels en vocht bevat en per sonde
of stomie rechtstreeks in het maag-darmkanaal wordt toegediend
3.1.1. Indicaties
• ! Voorwaarde: intacte GI-tractus (gastro-intestinale tractus) !
• Bij volwassenen (NICE Guidance)
- Ondervoeding (BMI < 18,5 kg/m² en gewichtsverlies van > 10% gedurende de
voorbije 3-6 maanden of BMI tussen 18,5 en 20 kg/m² en gewichtsverlies > 5%
gedurende de voorbije 3-6 maanden)
- Risico op ondervoeding (> 5 dagen weinig gegeten of kans tot weinig eten de
komende 5 dagen)
• Voorbeelden:
- Hypermetabolisme → vb. HIV, trauma, brandwonden, orgaantransplantatie
- Neurologische aandoeningen → vb. CVA, MS, Parkinson … met slikproblemen
- Gastro-intestinale problematiek → vb. oesophagale obstructie, gastrectomie, …
- Kanker → vb. chemo-radiotherapie
- Psychiatrische ziekte → vb. anorexia nervosa, depressie
- Multipel orgaanfalen (nier-, hart-, lever- en longfalen)
• 2 belangrijkste indicaties voor sondevoeding: slikstoornissen en anorexia nervosa
3.1.2. Contra-indicaties
• Niet-functionele of niet-toegankelijke gastro-intestinale tractus (absolute contra-
indicatie)
- Darmobstructies → bv. door paralytische ileus of tumor
- Hoge gastro-intestinale bloeding
- Onbehandelbaar braken
- Niet of onvoldoende functionerend maag-darmkanaal met ernstige malabsorptie
- Peritonitis
2
,3.1.3. Soorten sondevoeding
• Enterale of sondevoeding verdient de voorkeur boven parenterale toediening
redenen:
- Goedkoper
- Veiliger
- Behoudt de functie v maag en darmen
➔ Er treedt geen atrofie van de darmvilli op
➔ Het immuunsysteem id darmen blijft gestimuleerd
- Minder kans op infecties en complicaties
3.1.4. Soorten sondes bij enterale voeding
3.1.4.1. Naso-enterale sonde
3.1.4.1.1. Nasogastrische sonde
• Soepel
• Kunststof
• Diameter(charrière) afhankelijk van gebruik en soort sonde
• Voordelen
- Inbrengen kan snel gebeuren, geen operatie nodig
- Kan eventueel thuis ingebracht worden
• Nadelen
- Irritatie neus, bijholten, pharynx
- Moet regelmatig worden vernieuwd, afhankelijk v materiaal
- Kans op dislocatie bij braakneiging, braken, hoesten, niezen, ..
- Esthetisch aspect, stigmatisering (zichtbaar), oncomfortabel
3
, • Verschillende soorten v nasogastrische sondes
- Sonde van Levin
➔ Kenmerken
PVC = polyvinylchloride
Charrière = diktes
➔ Indicaties
➔ Aandachtspunten
- Microsonde
➔ Kenmerken
➔ Indicaties
➔ Aandachtspunten
4