Module 1 Introductie
Wat is macro economie
Micro economie: beslissingen van individuele agenten (bedrijven en consumenten)
Meso economie: sector niveau
Macro economie: hoe al deze beslissingen samenkomen en de economie vormen.
💡 Macro economie bestudeert hoe alle economische beslissingen die individuele agenten
maken samen komen om het economisch systeem te vormen.
Op niveau van land of regio.
💡 Macro-economie is de studie van economie-brede fenomenen, inclusief inflatie,
werkloosheid en economische groei
Belangrijke concepten
BBP (Bruto Binnenlands Product): Een stijging op lange termijn leidt tot economische groei.
Twee grote aandachtsgebieden:
Lange termijn: Economische groei van landen.
Korte termijn: Conjunctuur, inflatie, werkloosheid.
Conjunctuur: Schommelingen in economische activiteit KT (gemeten via BBP).
Recessie: Periode van economische achteruitgang → lagere investeringen, stijgende
werkloosheid, minder consumentenbestedingen.
Wat is het nut van Macro economie
Helpt beleidsmakers economische trends begrijpen en beleid vormen.
Controverse: modellen kunnen trends verklaren, maar zijn beperkt in voorspellingen omdat:
Economie = sociale wetenschap (mensen reageren onvoorspelbaar).
Veranderende omstandigheden (technologie, politiek, crises).
Module 1 Introductie 1
, Verschillende economische scholen hebben uiteenlopende uitgangspunten.
Economische stromen
Grondlegger: Adam Smith
Geen macro/micro-economie in zijn tijd, maar basis voor economische groei via handel en
specialisatie.
Hij stelde zich vragen over de oorzaken van economische verschillen tussen landen (arm - rijker).
Industriële revolutie
= Ontstaan van 2 economische stromingen
Marxisme (Karl Marx):
Industriële revolutie leidt tot uitbuiting arbeiders door kapitalisten
Volgens Marx is waarde die arbeid creëert groter dan loon dat arbeider ontvangt.
= sociale ongelijkheid en uiteindelijk revolutie waarbij arbeidersklasse macht overnemen.
Klassenstrijd - communisme - linkse kant van het politieke spectrum
💡 Communisme: systeem waarin productiemiddelen (fabrieken en land) niet privébezit
zijn, maar gemeenschappelijk eigendom van bevolking.
Oostenrijkse school
Tegen overheidsinterventie, voor vrije markt en individuele vrijheid.
Rechts politieke spectrum.
Jaren '30: Grote Depressie → Keynesianisme
John Maynard Keynes: Grondlegger moderne macro-economie.
→ Keek naar economie als geheel, i.p.v. individuele markten.
Overheid moet vraag stimuleren (via uitgaven) tijdens recessies.
Markten zorgen niet automatisch voor volledige werkgelegenheid.
Cambridge School: Ondersteunde Keynes’ ideeën over overheidsingrijpen.
Deze theorie zit nog steeds in de macro economie.
Jaren '70-'80: Oliecrisis → Stagflatie
= Stagflatie: Hoge inflatie + economische stagnatie (tegenstrijdig met Keynes).
→ Keynes: stijgende inflatie = sterke economische groei → FOUT dus
Dit leidde tot de opkomst van monetarisme.
1. Monetarisme (Chicago School):
Inflatie wordt veroorzaakt door te veel geld in omloop.
Overheid moet geldhoeveelheid beheersen, niet ingrijpen in markten.
Module 1 Introductie 2
, 2. Nieuw-Keynesiaanse School:
Overheidsinterventie blijft nodig, maar met aandacht voor marktimperfecties.
→ stellen dat teveel aan geld niet altijd inflatie veroorzaakt!
2008 Financiële Crisis & Moderne Monetaire Theorie (MMT)
Lange periode van lage groei en lage inflatie ondanks overheidsinmenging.
Moderne Monetaire Theorie (MMT):
MMT stelt dat landen met een sterke munt (zoals de VS, dollar wereldwijd gebruikt) de
mogelijkheid hebben om geld bij te drukken zonder inflatie te veroorzaken, zolang waarde
munt kunnen handhaven.
Beleid na 2008 leek MMT te bevestigen.
Kritiek: Sinds 2021 stijgende inflatie door pandemie-gerelateerde verstoringen.
Theorie & Empirie
Theorie: Economische modellen (bijv. "lage werkloosheid → hogere inflatie").
Empirie: Testen van theorieën met echte data.
Module 1 Introductie 3
, Module 2 - BBP & Inflatie
De Macro Economische kringloop
Alle economische beslissingen (consumptie, productie) komen samen in de economische
kringloop.
Productiefactoren: middelen gebruikt om te produceren → arbeid (loon), kapitaal (rente), land
1. Markt voor goederen & diensten
Huishoudens kopen consumptiegoederen.
Overheid koopt publieke goederen (bv. infrastructuur).
Buitenland koopt via export (X).
2. Huishoudens
Import: goederen en diensten die land uit buitenland koopt.
Besteden inkomen aan consumptie (C) of sparen (S).
Betalen belastingen (T) aan de overheid.
3. Bedrijven
Produceren goederen & diensten.
Betalen belastingen (T) en lonen aan huishoudens.
4. Overheid
Module 2 - BBP & Inflatie 1
Wat is macro economie
Micro economie: beslissingen van individuele agenten (bedrijven en consumenten)
Meso economie: sector niveau
Macro economie: hoe al deze beslissingen samenkomen en de economie vormen.
💡 Macro economie bestudeert hoe alle economische beslissingen die individuele agenten
maken samen komen om het economisch systeem te vormen.
Op niveau van land of regio.
💡 Macro-economie is de studie van economie-brede fenomenen, inclusief inflatie,
werkloosheid en economische groei
Belangrijke concepten
BBP (Bruto Binnenlands Product): Een stijging op lange termijn leidt tot economische groei.
Twee grote aandachtsgebieden:
Lange termijn: Economische groei van landen.
Korte termijn: Conjunctuur, inflatie, werkloosheid.
Conjunctuur: Schommelingen in economische activiteit KT (gemeten via BBP).
Recessie: Periode van economische achteruitgang → lagere investeringen, stijgende
werkloosheid, minder consumentenbestedingen.
Wat is het nut van Macro economie
Helpt beleidsmakers economische trends begrijpen en beleid vormen.
Controverse: modellen kunnen trends verklaren, maar zijn beperkt in voorspellingen omdat:
Economie = sociale wetenschap (mensen reageren onvoorspelbaar).
Veranderende omstandigheden (technologie, politiek, crises).
Module 1 Introductie 1
, Verschillende economische scholen hebben uiteenlopende uitgangspunten.
Economische stromen
Grondlegger: Adam Smith
Geen macro/micro-economie in zijn tijd, maar basis voor economische groei via handel en
specialisatie.
Hij stelde zich vragen over de oorzaken van economische verschillen tussen landen (arm - rijker).
Industriële revolutie
= Ontstaan van 2 economische stromingen
Marxisme (Karl Marx):
Industriële revolutie leidt tot uitbuiting arbeiders door kapitalisten
Volgens Marx is waarde die arbeid creëert groter dan loon dat arbeider ontvangt.
= sociale ongelijkheid en uiteindelijk revolutie waarbij arbeidersklasse macht overnemen.
Klassenstrijd - communisme - linkse kant van het politieke spectrum
💡 Communisme: systeem waarin productiemiddelen (fabrieken en land) niet privébezit
zijn, maar gemeenschappelijk eigendom van bevolking.
Oostenrijkse school
Tegen overheidsinterventie, voor vrije markt en individuele vrijheid.
Rechts politieke spectrum.
Jaren '30: Grote Depressie → Keynesianisme
John Maynard Keynes: Grondlegger moderne macro-economie.
→ Keek naar economie als geheel, i.p.v. individuele markten.
Overheid moet vraag stimuleren (via uitgaven) tijdens recessies.
Markten zorgen niet automatisch voor volledige werkgelegenheid.
Cambridge School: Ondersteunde Keynes’ ideeën over overheidsingrijpen.
Deze theorie zit nog steeds in de macro economie.
Jaren '70-'80: Oliecrisis → Stagflatie
= Stagflatie: Hoge inflatie + economische stagnatie (tegenstrijdig met Keynes).
→ Keynes: stijgende inflatie = sterke economische groei → FOUT dus
Dit leidde tot de opkomst van monetarisme.
1. Monetarisme (Chicago School):
Inflatie wordt veroorzaakt door te veel geld in omloop.
Overheid moet geldhoeveelheid beheersen, niet ingrijpen in markten.
Module 1 Introductie 2
, 2. Nieuw-Keynesiaanse School:
Overheidsinterventie blijft nodig, maar met aandacht voor marktimperfecties.
→ stellen dat teveel aan geld niet altijd inflatie veroorzaakt!
2008 Financiële Crisis & Moderne Monetaire Theorie (MMT)
Lange periode van lage groei en lage inflatie ondanks overheidsinmenging.
Moderne Monetaire Theorie (MMT):
MMT stelt dat landen met een sterke munt (zoals de VS, dollar wereldwijd gebruikt) de
mogelijkheid hebben om geld bij te drukken zonder inflatie te veroorzaken, zolang waarde
munt kunnen handhaven.
Beleid na 2008 leek MMT te bevestigen.
Kritiek: Sinds 2021 stijgende inflatie door pandemie-gerelateerde verstoringen.
Theorie & Empirie
Theorie: Economische modellen (bijv. "lage werkloosheid → hogere inflatie").
Empirie: Testen van theorieën met echte data.
Module 1 Introductie 3
, Module 2 - BBP & Inflatie
De Macro Economische kringloop
Alle economische beslissingen (consumptie, productie) komen samen in de economische
kringloop.
Productiefactoren: middelen gebruikt om te produceren → arbeid (loon), kapitaal (rente), land
1. Markt voor goederen & diensten
Huishoudens kopen consumptiegoederen.
Overheid koopt publieke goederen (bv. infrastructuur).
Buitenland koopt via export (X).
2. Huishoudens
Import: goederen en diensten die land uit buitenland koopt.
Besteden inkomen aan consumptie (C) of sparen (S).
Betalen belastingen (T) aan de overheid.
3. Bedrijven
Produceren goederen & diensten.
Betalen belastingen (T) en lonen aan huishoudens.
4. Overheid
Module 2 - BBP & Inflatie 1