1. Wat is veiligheid?
Veiligheid verwijst naar een toestand van geborgenheid, vertrouwdheid en zekerheid, waarbij
mensen zich beschermd voelen tegen risico’s en gevaren. Veiligheid heeft dus zowel een objectieve
(feitelijke) als een subjectieve (gevoelsmatige) dimensie.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen:
Fysieke veiligheid (safety): bescherming tegen ongevallen, rampen en natuurlijke of
technische risico’s.
Sociale veiligheid (security): bescherming tegen intentionele schade, zoals criminaliteit,
geweld of overlast veroorzaakt door anderen.
2. Objectieve en subjectieve veiligheid
Objectieve veiligheid: meetbare gegevens zoals criminaliteitscijfers, geregistreerde
overtredingen of politierapporten.
o Voorbeeld: inbreuken op de strafwet worden vastgelegd in processen-verbaal (PV’s)
en verwerkt in politiestatistieken.
Subjectieve veiligheid: de beleving of het gevoel van (on)veiligheid bij burgers, vaak gemeten
via de veiligheidsmonitor.
o Onveiligheidsgevoel = hoe mensen zich voelen, los van de werkelijke feiten.
Overlast kan zowel objectief (gemeten) als subjectief (ervaren) zijn.
Objectief: vastgelegde inbreuken op lokale politieverordeningen → geregistreerd via GAS-
PV’s (Gemeentelijke Administratieve Sancties).
Subjectief: ervaren hinder of storend gedrag.
3. Criminaliteit en leefbaarheid
Criminaliteit is een objectief begrip: het gaat om inbreuken op de strafwet waarvoor een straf is
bepaald.
Leefbaarheid verwijst naar de algemene kwaliteit van de woon- en leefomgeving, waarin overlast en
veiligheidsgevoel een belangrijke rol spelen.
GAS-sancties vormen een instrument om lokale overlast (bv. sluikstorten, geluidsoverlast) te
bestrijden zonder tussenkomst van de strafrechter.
4. Interne en externe veiligheid
Interne veiligheid: binnen het land of de organisatie – gericht op orde, stabiliteit en goed
bestuur (bv. personeelsbeleid, ICT-beveiliging, interne organisatie van veiligheidsdiensten).
Externe veiligheid: gericht op burgers, organisaties en maatschappelijke partners – het
primaire proces dat de veiligheid van de samenleving zelf bevordert.
,5. Integrale en geïntegreerde veiligheid
Integrale veiligheid betekent dat veiligheid wordt bekeken over de volledige
veiligheidsketen: van preventie, preparatie, repressie tot nazorg.
Geïntegreerde veiligheid houdt in dat verschillende actoren (overheden, politie,
hulpdiensten, burgers, organisaties) samen verantwoordelijkheid delen en samenwerken.
6. Veiligheidsbeleid
Veiligheidsbeleid is het overheidsbeleid dat gericht is op het waarborgen van veiligheid binnen de
grenzen van wat haalbaar en realistisch is.
Beleid is “alles wat een overheid kiest te doen of niet te doen” (Dye).
Het veiligheidsbeleid ontstaat dus niet alleen uit politieke beslissingen, maar uit het samenspel van
verschillende actoren en invloeden (maatschappelijke tendensen, juridische context, politieke
keuzes...).
Een beleid vertaalt zich in een beleidsplan, waarin doelen, middelen en tijd worden vastgelegd.
7. Beleid en handelen
Beleid: de strategische, planmatige kant (doelen bepalen, middelen toewijzen).
Veiligheidszorg: de operationele uitvoering, het dagelijkse handelen.
Beleid → handelen: beleid wordt pas effectief als het wordt omgezet in concrete acties.
Niet elk maatschappelijk probleem wordt een beleidsprobleem — enkel diegene die op de
beleidsagenda van een bevoegde overheid komen.
8. Het beleidsproces
Het beleidsproces bestaat uit verschillende fasen:
1. Agendavorming – bepalen welke problemen aandacht krijgen.
2. Beleidsvoorbereiding – verzamelen en analyseren van informatie om een beleidsontwerp op
te stellen.
3. Beleidsbepaling – politieke besluitvorming over doelen, middelen en tijd (vervat in een plan).
4. Implementatie – uitvoeren van het beleid in de praktijk.
5. Handhaving – toezien op naleving van regels en afspraken.
6. Beleidsevaluatie – beoordelen van de inhoud, uitvoering en effecten van het beleid.
9. Intern vs. extern veiligheidsbeleid
Intern veiligheidsbeleid: organisatie en management binnen de overheid zelf – inzet van
middelen, personeel, ICT, begroting.
→ Secundair proces (ondersteunend).
, Extern veiligheidsbeleid: gericht op burgers en samenleving, in samenwerking met andere
beleidsdomeinen (zoals gezondheidszorg, onderwijs...).
→ Primair proces (directe veiligheidszorg).
Hoofdstuk 2 – Partners in veiligheid en samenwerking
1. De overheid als één van de partners
De uitspraak “de overheid bestaat niet” verwijst naar het feit dat veiligheid niet enkel een
verantwoordelijkheid van één overheidsniveau of één dienst is. Er bestaan verschillende
bevoegdheidsniveaus (federaal, regionaal, lokaal) en tal van politieke verantwoordelijken die elk hun
eigen rol spelen.
Binnen de overheid onderscheiden we:
Volksvertegenwoordigers: verkozen politici die beleid vormgeven.
Meerderheid (coalitie) en oppositie: bepalen de politieke richting.
Overheidsdiensten: voeren het beleid uit op operationeel niveau.
Veiligheid is dus niet de taak van één actor, maar het resultaat van samenwerking tussen vele
betrokken partijen.
2. De markt als veiligheidsactor
Naast de overheid speelt ook de markt een groeiende rol in veiligheidszorg.
Private veiligheidsbedrijven bieden diensten en materialen aan gericht op beveiliging, bescherming,
controle en opsporing (zoals bewakingsfirma’s, alarmsystemen of cybersecuritydiensten).
Hun werking is wettelijk geregeld in de Wet op de private veiligheid, die voorwaarden en
bevoegdheden bepaalt.
3. De private sfeer
In de private sfeer dragen burgers, organisaties en bedrijven bij aan veiligheid: