Orale Infectie II: Parodontologie
1. Parodontium
1.1 Parodontium
Functie = het verankeren van de tand in de alveole = aanhechtingsapparaat
Bestanddelen:
- Gingiva
o Vrije gingiva
o Vaste gingiva
- Wortelcement
- Parodontaal ligament PDL
- Alveolair bot
Opbouw varieert:
- Celsamenstelling
- Celtypes
- Hoeveelheden proteïnen
- Mineralisatie
- Mate van metabole activiteit
- Gevoeligheid aan ziekte
Eigenschappen:
- Wortelcement en alveolair bot = gemineraliseerde structuur
- Gingiva = bedekkende en beschermende structuur = enige zichtbare structuur
van parodontium
1.2 Zachte weefsels
Gekeratiniseerde mucosa: gingiva, harde verhemelte
➔ Kan niet bewegen
Niet-gekeratiniseerde mucosa: alveolaire mucosa, mondbodem, binnenkant van de
lippen
Gespecialiseerde mucosa: tongrug
EXAMEN: Bespreek de 3 vormen waaruit zachte weefsels zijn opgebouwd
Gekeratiniseerde mucosa (gingiva) en niet gekeratiniseerde mucosa (alveolaire mucosa)
worden gescheiden door de mucogingivale grens
1
,1.3 Gingiva
- Zachte weefsels rond de tand
- Variabel in breedte per tand en per individu
- Met collageenvezels verbonden aan periosteum, dikte: 0,8-1,5mm
1.3.1 Vrije gingiva
➔ Meest coronaal tot de gingivale groeve, roze kleur (in gezonde situatie)
Gingivale groeve: ondiepe depressie op het gingivale oppervlak, 4-54% aanwezig (ziet
eruit als een wit lijntje)
2
,1.3.2 Aangehechte gingiva
➔ Zone tussen gingivale groeve en mucogingivale grens
Gezonde situatie:
• Licht roze / Gepigmenteerd
• Stevig
• Gespikkeld aspect (structuur appelsien)
• Bloedt niet bij poetsen of eten
Inflammatie:
• Rood
• Gezwollen
• Verlies oppervlakkige stippeling
1.3.3 Mucogingivale grens (=MG Junctie)
- Grens tussen aangehechte gingiva en alveolaire mucosa
- 3-5 mm apicaal van botkam
- Toename in aangehechte gingiva (leeftijd) gepaard met continue eruptie:
als je ouder wordt gaan uw tanden een beetje uitgroeien (erupteren)
1.3.4 Variaties gingiva breedte
➔ Aan palatum heb je harde gehemelte, aan buccale zijde heb je vaste en vrije gingiva
Maxilla buccaal
Centrale en laterale snijtand > 2e PM & M > hoektand en 1e PM
(Meer weefsel aan CS en LS dan 2e PM en M, dan HT en 1ste PM)
Maxilla palatinaal
Harde verhemelte
Mandibula buccaal
Incisief > 2e PM + M1 > hoektand + 1e PM > M2
Mandibula linguaal
Premolaar/molaar > incisief
Breedte 1-9mm; dikte 0,8-1,5mm
3
,1.3.5 Na tandverlies
= botresorptie
Invloed op:
- Positie gingiva
- Tandvleesdikte
- Verplaatsing muco-gingivale grens naar coronaal
Na een extractie treedt botresorptie van de alveolaire kam op, vooral buccaal.
Tandextractie → sluiting alveole (niet-gekeratiniseerd weefsel groeit erover) → coronale
verschuiving mucogingivale grens → minder gekeratiniseerd weefsel → belang bij
implantaatplaatsing
1.3.6 Interdentale gingiva of papil
= zachte weefsels die de ruimte tussen de tanden (= embrasure) vult
Samenstelling: epitheel + onderliggend dens BW
Vorm is afhankelijk van tandmorfologie en CEJ
Black triangles (zwarte driehoeken) ontstaan wanneer de interdentale papil gedeeltelijk
of volledig ontbreekt. Hierdoor blijft er een open ruimte tussen twee tanden, die door
schaduw donker lijkt.
Mensen met lange tanden: papil is langer en vaak fijner
Interdentale col = epitheel dat het concave deel van de papil bedekt
- Niet gekeratiniseerd
- Zwakste plaats van papil en meest gevoelig voor irritatie en ontsteking
- Verdwijnt na extractie of bij diasteem → w vervangen door
gekeratiniseerde gingiva
4
,1.3.7 Sulcus
Normale sulcusdiepte: 1-3 mm = sondeerdiepte gezond parodontium
In sulcus: creviculaire vloeistof
o Serumachtig
o Bevat witte bloedcellen en afgeschilferde epitheelcellen
o Exsudaat (=eiwitrijke ontstekingsvloeistof die uit de bloedvaten lekt) is afhankelijk
van mate van parodontale ontsteking
1.3.8 Onderverdeling
Onder junctioneel epitheel: Bindweefsel
Oraal epitheel
= gekeratiniseerd gestratificeerd squameus epitheel
Sulculair epitheel
= Niet gekeratiniseerd gelaagd squameus epitheel
Vanaf vrije gingivale rand tot meest coronale deel van junctioneel epitheel = SULCUS
5
, Junctioneel epitheel
= Niet gedifferentieerd gestratificeerd squameus epitheel
• vanaf de basis van de gingivale sulcus langs de tandstructuur naar apicaal
• ondergrens: t.h.v. de cement-glazuur grens (gezonde situatie)
Bindweefselvezels
Oriëntatie: is opgebouwd uit vezels die in alle mogelijke richtingen lopen → geeft
structuur en weerstand bij het sonderen
1.4 Alveolair bot
= PROCESSUS ALVEOLARIS
= gemineraliseerde matrix + niet gemineraliseerde weefsel
3 verschillende types:
1. Spongieus bot → grijs met zwarte gaten
2. Corticaal bot → meest dens, meest wit
3. Lamina dura → lijn tussen tand en bot
In gezonde situatie: 1 – 3 mm afstand van botkam tot CEJ
Eigenschappen:
- Tandafhankelijke structuur
- Bezenuwd – bevloeid
- Continu hersteld –vernieuwd
Bot staat in connectie met de tand voor het doorsturen van pijnprikkels, aanbrengen
bloed, afvoeren afvalstoffen
Hoe zwarter, hoe spongieuser
Corticaal bot: cortex = hard =
buitenzijde
6
1. Parodontium
1.1 Parodontium
Functie = het verankeren van de tand in de alveole = aanhechtingsapparaat
Bestanddelen:
- Gingiva
o Vrije gingiva
o Vaste gingiva
- Wortelcement
- Parodontaal ligament PDL
- Alveolair bot
Opbouw varieert:
- Celsamenstelling
- Celtypes
- Hoeveelheden proteïnen
- Mineralisatie
- Mate van metabole activiteit
- Gevoeligheid aan ziekte
Eigenschappen:
- Wortelcement en alveolair bot = gemineraliseerde structuur
- Gingiva = bedekkende en beschermende structuur = enige zichtbare structuur
van parodontium
1.2 Zachte weefsels
Gekeratiniseerde mucosa: gingiva, harde verhemelte
➔ Kan niet bewegen
Niet-gekeratiniseerde mucosa: alveolaire mucosa, mondbodem, binnenkant van de
lippen
Gespecialiseerde mucosa: tongrug
EXAMEN: Bespreek de 3 vormen waaruit zachte weefsels zijn opgebouwd
Gekeratiniseerde mucosa (gingiva) en niet gekeratiniseerde mucosa (alveolaire mucosa)
worden gescheiden door de mucogingivale grens
1
,1.3 Gingiva
- Zachte weefsels rond de tand
- Variabel in breedte per tand en per individu
- Met collageenvezels verbonden aan periosteum, dikte: 0,8-1,5mm
1.3.1 Vrije gingiva
➔ Meest coronaal tot de gingivale groeve, roze kleur (in gezonde situatie)
Gingivale groeve: ondiepe depressie op het gingivale oppervlak, 4-54% aanwezig (ziet
eruit als een wit lijntje)
2
,1.3.2 Aangehechte gingiva
➔ Zone tussen gingivale groeve en mucogingivale grens
Gezonde situatie:
• Licht roze / Gepigmenteerd
• Stevig
• Gespikkeld aspect (structuur appelsien)
• Bloedt niet bij poetsen of eten
Inflammatie:
• Rood
• Gezwollen
• Verlies oppervlakkige stippeling
1.3.3 Mucogingivale grens (=MG Junctie)
- Grens tussen aangehechte gingiva en alveolaire mucosa
- 3-5 mm apicaal van botkam
- Toename in aangehechte gingiva (leeftijd) gepaard met continue eruptie:
als je ouder wordt gaan uw tanden een beetje uitgroeien (erupteren)
1.3.4 Variaties gingiva breedte
➔ Aan palatum heb je harde gehemelte, aan buccale zijde heb je vaste en vrije gingiva
Maxilla buccaal
Centrale en laterale snijtand > 2e PM & M > hoektand en 1e PM
(Meer weefsel aan CS en LS dan 2e PM en M, dan HT en 1ste PM)
Maxilla palatinaal
Harde verhemelte
Mandibula buccaal
Incisief > 2e PM + M1 > hoektand + 1e PM > M2
Mandibula linguaal
Premolaar/molaar > incisief
Breedte 1-9mm; dikte 0,8-1,5mm
3
,1.3.5 Na tandverlies
= botresorptie
Invloed op:
- Positie gingiva
- Tandvleesdikte
- Verplaatsing muco-gingivale grens naar coronaal
Na een extractie treedt botresorptie van de alveolaire kam op, vooral buccaal.
Tandextractie → sluiting alveole (niet-gekeratiniseerd weefsel groeit erover) → coronale
verschuiving mucogingivale grens → minder gekeratiniseerd weefsel → belang bij
implantaatplaatsing
1.3.6 Interdentale gingiva of papil
= zachte weefsels die de ruimte tussen de tanden (= embrasure) vult
Samenstelling: epitheel + onderliggend dens BW
Vorm is afhankelijk van tandmorfologie en CEJ
Black triangles (zwarte driehoeken) ontstaan wanneer de interdentale papil gedeeltelijk
of volledig ontbreekt. Hierdoor blijft er een open ruimte tussen twee tanden, die door
schaduw donker lijkt.
Mensen met lange tanden: papil is langer en vaak fijner
Interdentale col = epitheel dat het concave deel van de papil bedekt
- Niet gekeratiniseerd
- Zwakste plaats van papil en meest gevoelig voor irritatie en ontsteking
- Verdwijnt na extractie of bij diasteem → w vervangen door
gekeratiniseerde gingiva
4
,1.3.7 Sulcus
Normale sulcusdiepte: 1-3 mm = sondeerdiepte gezond parodontium
In sulcus: creviculaire vloeistof
o Serumachtig
o Bevat witte bloedcellen en afgeschilferde epitheelcellen
o Exsudaat (=eiwitrijke ontstekingsvloeistof die uit de bloedvaten lekt) is afhankelijk
van mate van parodontale ontsteking
1.3.8 Onderverdeling
Onder junctioneel epitheel: Bindweefsel
Oraal epitheel
= gekeratiniseerd gestratificeerd squameus epitheel
Sulculair epitheel
= Niet gekeratiniseerd gelaagd squameus epitheel
Vanaf vrije gingivale rand tot meest coronale deel van junctioneel epitheel = SULCUS
5
, Junctioneel epitheel
= Niet gedifferentieerd gestratificeerd squameus epitheel
• vanaf de basis van de gingivale sulcus langs de tandstructuur naar apicaal
• ondergrens: t.h.v. de cement-glazuur grens (gezonde situatie)
Bindweefselvezels
Oriëntatie: is opgebouwd uit vezels die in alle mogelijke richtingen lopen → geeft
structuur en weerstand bij het sonderen
1.4 Alveolair bot
= PROCESSUS ALVEOLARIS
= gemineraliseerde matrix + niet gemineraliseerde weefsel
3 verschillende types:
1. Spongieus bot → grijs met zwarte gaten
2. Corticaal bot → meest dens, meest wit
3. Lamina dura → lijn tussen tand en bot
In gezonde situatie: 1 – 3 mm afstand van botkam tot CEJ
Eigenschappen:
- Tandafhankelijke structuur
- Bezenuwd – bevloeid
- Continu hersteld –vernieuwd
Bot staat in connectie met de tand voor het doorsturen van pijnprikkels, aanbrengen
bloed, afvoeren afvalstoffen
Hoe zwarter, hoe spongieuser
Corticaal bot: cortex = hard =
buitenzijde
6