Het Resultaat
hoofdstuk 2 - waarderingsgrondslagen activa
Waarderen is het toekennen van geldbedragen aan activa en het vreemd vermogen op de
balans
Continuïteitsbeginsel: de waardering van de activa en het vreemd vermogen gezien moeten
worden binnen het kader van de bedrijfsvoering en dus niet tegen de prijs die ze op het
moment van de waardering bezitten.
→ bij opheffing is namelijk de activa minder waard dan op de balans staat
Voorzichtigheidsbeginsel: bepaalt dat wanneer er een keuze is tussen twee waarde-
alternatieven, de laagste waarde de relevante waardering is bij activa en de hoogste waarde
de relevante waardering is in geval van vreemd vermogen.
→ waarderen tegen de laagste waarde = minimumwaarderingsregel, de balanswaardering
moet naar beneden worden aangepast indien de opbrengstwaarde van het betreffende
goed lager is dan de boekwaarde van het activum.
2 soorten grondslagen van waardering activa:
1. historische kostenmethode
- verkrijgingsprijs: inkoopprijs incl bijkomende kosten voor activum zijn betaald
- vervaardigingsprijs: alle kosten die direct & indirect zijn gemaakt om het
product te realiseren → vooral bij materiële vaste activa (behalve
inefficiënties)
voordeel: administratie ervan relatief eenvoudig is, objectief systeem is.
nadeel: als prijzen stijgen, komt dit niet tot uitdrukking op balans
2. actuele waarde
de prijs die op het waarderingsmoment van toepassing is
nadeel: actuele waarde voortdurend schommelen, actuele waarde niet altijd duidelijk
→ vooral bij unieke activa moeilijk
waarderingsgrondslag tegen actuele waarde:
- vervangingswaarde: prijs wat bij vervanging activum betaald moet worden
- bedrijfswaarde: opbrengst die met bedrijfsmiddel kan worden bereikt door
dit nog in te zetten bij productie
- opbrengstwaarde: de waarde die een activum kan opleveren door verkoop
Door stijgende prijzen kan het voorkomen dat de vervangingswaarde (actuele waarde) hoger
is dan de historische uitgaafprijs → herwaarderingsreserve
Boekwaarde: actuele waarde/historische kostprijs - afschrijvingen
Contante waarde en nominale waarden hebben betrekking op activa in de geldsfeer.
Nominale waarde van een schuld is het geldbedrag dat op dat moment nog terugbetaald
moet worden. Bij contante waarde houd je rekening met de actuele rente. Schulden die een
lagere rente hebben dan de kosten van vermogen op dat moment worden verdisconteerd
tegen die hogere rente en hebben een lagere contante waarde dan de nominale waarde.
De liquidatiewaarde is de waarde bij liquidatie/opheffing van de onderneming → lager dan
de historische of actuele waarde
, Het Resultaat
Een handelsonderneming koopt goederen in en verkoopt deze goederen zonder dat de
goederen een omvorming ondergaan. Door in te kopen ontstaat een voorraadvorming.
Keuze uit voorraadregistratie:
1. fifo-methode
first in first out
voorraden worden geregistreerd tegen de historische inkoopprijs → de langst
aanwezige goederen
2. lifo-methode
last in first out
ook hier voorraad geregistreerd tegen historische inkoopprijs, maar die als laatste
zijn ingekocht gaan er ook als eerste weer uit
Het bijhouden van de waarde van de goederenvoorraad en het toepassen van de juiste
inkoopprijzen bij een verkoop lijkt bij het fifo-systeem en het lifo-systeem steeds
ingewikkelder te worden naarmate er meer transacties plaatsvinden met wisselende
inkoopprijzen.
3. de vaste verrekenprijs
kijkt naar de toekomst, naar de verwachte gemiddelde inkoopprijs in het nieuwe jaar
alle ingekochte en verkochte goederen worden gewaardeerd tegen de vvp
Het verschil tussen de werkelijke inkoopprijs en de vvp (schatting inkoopprijs) is het
prijsverschil.
→ werkelijke inkoopprijs > vvp = nadelig prijsverschil (verlies)
→ werkelijke inkoopprijs < vvp = voordelig prijsverschil (winst)
hoofdstuk 3 - de handelsonderneming
Een handelsonderneming is een onderneming die goederen inkoopt en verkoopt zonder
deze goederen verder te bewerken. → kleinhandel (detailhandel) & groothandel (grossier)
Een onderneming die voor een korte periode een overschot heeft aan liquide middelen kan
deze tijdelijk beleggen en hierdoor extra opbrengsten behalen → dit heeft niks te maken
met de eigenlijke activiteiten van de onderneming, daarom incidentele resultaten.
De inkoopwaarde van de verkochte goederen = inkoopwaarde van de omzet
→ omzet - inkoopwaarde van de omzet = brutowinst/brutoverkoopresultaat
Bedrijfskosten: inkoopkosten, verkoopkosten, algemene kosten, personeelskosten en
financieringskosten → zowel variabel als constant
brutowinst en nettowinst handelsonderneming:
(omzet - inkoopwaarde van de omzet) - bedrijfskosten
De eigenaar van een eenmanszaak leeft van de winst van de eenmanszaak, uit die winst
moet een privé opname gehaald kunnen worden waarmee de eigenaar:
- zichzelf salaris geeft
- vergoeding krijgt voor eigen vermogen in eenmanszaak
- compensatie voor ondernemersrisico
hoofdstuk 2 - waarderingsgrondslagen activa
Waarderen is het toekennen van geldbedragen aan activa en het vreemd vermogen op de
balans
Continuïteitsbeginsel: de waardering van de activa en het vreemd vermogen gezien moeten
worden binnen het kader van de bedrijfsvoering en dus niet tegen de prijs die ze op het
moment van de waardering bezitten.
→ bij opheffing is namelijk de activa minder waard dan op de balans staat
Voorzichtigheidsbeginsel: bepaalt dat wanneer er een keuze is tussen twee waarde-
alternatieven, de laagste waarde de relevante waardering is bij activa en de hoogste waarde
de relevante waardering is in geval van vreemd vermogen.
→ waarderen tegen de laagste waarde = minimumwaarderingsregel, de balanswaardering
moet naar beneden worden aangepast indien de opbrengstwaarde van het betreffende
goed lager is dan de boekwaarde van het activum.
2 soorten grondslagen van waardering activa:
1. historische kostenmethode
- verkrijgingsprijs: inkoopprijs incl bijkomende kosten voor activum zijn betaald
- vervaardigingsprijs: alle kosten die direct & indirect zijn gemaakt om het
product te realiseren → vooral bij materiële vaste activa (behalve
inefficiënties)
voordeel: administratie ervan relatief eenvoudig is, objectief systeem is.
nadeel: als prijzen stijgen, komt dit niet tot uitdrukking op balans
2. actuele waarde
de prijs die op het waarderingsmoment van toepassing is
nadeel: actuele waarde voortdurend schommelen, actuele waarde niet altijd duidelijk
→ vooral bij unieke activa moeilijk
waarderingsgrondslag tegen actuele waarde:
- vervangingswaarde: prijs wat bij vervanging activum betaald moet worden
- bedrijfswaarde: opbrengst die met bedrijfsmiddel kan worden bereikt door
dit nog in te zetten bij productie
- opbrengstwaarde: de waarde die een activum kan opleveren door verkoop
Door stijgende prijzen kan het voorkomen dat de vervangingswaarde (actuele waarde) hoger
is dan de historische uitgaafprijs → herwaarderingsreserve
Boekwaarde: actuele waarde/historische kostprijs - afschrijvingen
Contante waarde en nominale waarden hebben betrekking op activa in de geldsfeer.
Nominale waarde van een schuld is het geldbedrag dat op dat moment nog terugbetaald
moet worden. Bij contante waarde houd je rekening met de actuele rente. Schulden die een
lagere rente hebben dan de kosten van vermogen op dat moment worden verdisconteerd
tegen die hogere rente en hebben een lagere contante waarde dan de nominale waarde.
De liquidatiewaarde is de waarde bij liquidatie/opheffing van de onderneming → lager dan
de historische of actuele waarde
, Het Resultaat
Een handelsonderneming koopt goederen in en verkoopt deze goederen zonder dat de
goederen een omvorming ondergaan. Door in te kopen ontstaat een voorraadvorming.
Keuze uit voorraadregistratie:
1. fifo-methode
first in first out
voorraden worden geregistreerd tegen de historische inkoopprijs → de langst
aanwezige goederen
2. lifo-methode
last in first out
ook hier voorraad geregistreerd tegen historische inkoopprijs, maar die als laatste
zijn ingekocht gaan er ook als eerste weer uit
Het bijhouden van de waarde van de goederenvoorraad en het toepassen van de juiste
inkoopprijzen bij een verkoop lijkt bij het fifo-systeem en het lifo-systeem steeds
ingewikkelder te worden naarmate er meer transacties plaatsvinden met wisselende
inkoopprijzen.
3. de vaste verrekenprijs
kijkt naar de toekomst, naar de verwachte gemiddelde inkoopprijs in het nieuwe jaar
alle ingekochte en verkochte goederen worden gewaardeerd tegen de vvp
Het verschil tussen de werkelijke inkoopprijs en de vvp (schatting inkoopprijs) is het
prijsverschil.
→ werkelijke inkoopprijs > vvp = nadelig prijsverschil (verlies)
→ werkelijke inkoopprijs < vvp = voordelig prijsverschil (winst)
hoofdstuk 3 - de handelsonderneming
Een handelsonderneming is een onderneming die goederen inkoopt en verkoopt zonder
deze goederen verder te bewerken. → kleinhandel (detailhandel) & groothandel (grossier)
Een onderneming die voor een korte periode een overschot heeft aan liquide middelen kan
deze tijdelijk beleggen en hierdoor extra opbrengsten behalen → dit heeft niks te maken
met de eigenlijke activiteiten van de onderneming, daarom incidentele resultaten.
De inkoopwaarde van de verkochte goederen = inkoopwaarde van de omzet
→ omzet - inkoopwaarde van de omzet = brutowinst/brutoverkoopresultaat
Bedrijfskosten: inkoopkosten, verkoopkosten, algemene kosten, personeelskosten en
financieringskosten → zowel variabel als constant
brutowinst en nettowinst handelsonderneming:
(omzet - inkoopwaarde van de omzet) - bedrijfskosten
De eigenaar van een eenmanszaak leeft van de winst van de eenmanszaak, uit die winst
moet een privé opname gehaald kunnen worden waarmee de eigenaar:
- zichzelf salaris geeft
- vergoeding krijgt voor eigen vermogen in eenmanszaak
- compensatie voor ondernemersrisico