Mycologie en Parasitologie
H1: Inleiding
1.1. Definities
Parasiet = dierlijk of plantaardig organisme dat voedt TEN KOSTE v.e. ander organisme (gastheer) en
schadelijke werking uitoefent
1.2. Taxonomie
Geslacht soort = genus species → bvb Homo sapiens
!!!
Protozoa = eencellige parasieten zonder celwand
- Rhizopoda = amoeben, verplaatsing via pseudopodiën
- Flagellata = zweepdiertjes, verplaatsing via flagellen
- Ciliaten = verplaatsing en vangst voedsel via trilhaartjes
- Sporozoa = geen verplaatsingsmanier
Metazoa = meercellige parasieten = wormen (Helminthes) + geleedpotigen (Arthropoda)
Helminthes = plathelminthes + nemathelmintes
- Plathelminthes = platwormen
o Trematoda = zuigwormen
o Cestoda = lintwormen
- Nemathelmintes = rondwormen = nematoda
- Arthropoda
o Arachnida = 8-poten = spinachtigen, teken, mijten
o Hexapoda = 6-poten = vliegen, muggen, vlooien, …
1
,Mycologie en Parasitologie
1.3. Belang (!!)
Parasieten veroorzaken infectieziekten bij mens & dier
- In tropen en subtropen → hogere incidentie → negatieve impact op volksgezondheid en
economische ontwikkeling
- Warm en vochtig klimaat → gunstig levenscyclus parasiet
- Importinfecties: malaria, amoebedysenterie, worminfecties
Parasieten inheems beperkter
- Toxoplasma (sporozoa), Giardia (flagellata), Trichomonas (flagellata), Enterobius vermicularis
(aarsmade, nematode), Pediculis (hoofdluis, athropoda (hexapoda))
Levenscyclus
- Eitje – larve/juveniel – volwassen stadium/vegetatieve vorm – cyste
- Gesloten kringloop
- Kennis cyclus
o Inzicht in transmissie
o Helpt bij diagnose
o Behandeling
- Rechtstreekse cyclus = 1 gastheer | onrechtstreek = meerdere
1.4. Pathologische begrippen
Tussengastheer: ongeslachtelijke voortplanting vindt plaats
Eindgatheer: geslachtelijke vermenigvuldiging vindt plaats
Bvb.
- Plasmodium
o Ongeslacht = tussen = mens
o Geslacht = eind = mug
- Taenia saginata
o Ongeslacht = tussen = rund
o Geslacht = eind = mens
Vector: insect dat parasiet overbrengt
Prevalentie: aantal besmette personen op gegeven moment
Incidentie: aantal nieuwe gevallen per tijdseenheid, per aantal
2
,Mycologie en Parasitologie
1.5. Transmissie en pathogenese
1.5.1. Transmissie
Bron parasitaire infectie: geïnfecteerde gastheer
Overdracht v GH 1 naar GH 2
Kans bereiken nieuwe GH stijgt
- Productie talrijk nageslacht
o Sterk ontwikkelde geslachtsorganen
o Zeer lange fertiele levensduur
- Via vector
Parasiet verlaat 1e GH
- Via faeces, urine, sputum, bloed, huid, verorbering
Overdracht naar 2e GH
- Direct contact (faeco-oraal), via voeding, water, bodem, biologische
vectoren/tussengastheren, sexueel contact
2 GH binnendringen (ingangspoort)
e
- Direct contact, via G.I. tractus, huid, bloed
1.5.2. Pathogenese
Basis v afweer
- Mechanische barrières: intacte huid & slijmvliezen
- Adequaat functioneren immuunsysteem
Overleving parasieten id gastheer
- Parasieten zijn complex → verschillende antigenen op oppervlak
- Antigenen wijzigen door genexpressie → immuunsysteem kan moeilijk reageren
- Sommige parasieten absorberen gastheerantigenen = moleculaire mimicry → niet als vreemd
herkend
Schadelijke effecten van parasieten
- Spoliatief (onttrekken v voedingsstoffen)
- Toxisch, traumatisch, mechanisch, irritatie en inflammatoir, secundaire effecten
Verhoogd risico bij verminderde afweer: opportunistische infecties
- Pathogene parasieten: Giardia lamblia, Cryptosporidium parvum – ernstigere en langdurige
problemen
- Latent aanwezige parasieten: Toxoplasma gondii of niet-pathogenen (Pneumocystis gondii) –
kunnen leiden tot ziekte
- Beschadiging mechanische barrières: Acanthamoeba-keratitis
3
, Mycologie en Parasitologie
H2: Labodiagnostiek v parasitaire infecties
Vaststellen parasitaire infectie
- Geen karakteristieke symptomen
- Routine labonderzoek:
o Hoge eosinofilie: worminfectie in weefsels?
▪ Eosinofiel = allergische reactie + afweer tegen extracellulaire parasieten
- Geografische anamnese
o Reizen naar (sub)tropen
- Specifiek gericht labonderzoek: bloed, urine, faeces, beenmerg
2.1. Het microscopisch onderzoek
2.1.1. Het faeces-onderzoek
= coprologisch onderzoek
- Opsporen parasieten die langs darm lichaam verlaten
- Zoeken naar vegetatieve stadia (trofozoïeten), cysten, wormen, wormeieren
2.1.1.1. Staalafname
Steriel lekvrij faecespotje
Geen contaminatie met urine of water
Faeces-staal: zo snel mogelijk nr labo!
- Vloeibare stoelgang: binnen 30min (vegetatieve vormen v protozoa aantonen)
- Halfgevormde: binnen 1uur
- Normale: zelfde dag
Indien niet mogelijk
- Koel bewaren
- Bewaarmiddel/fixeermiddel: formol 10%, polyvinyl-alcohol of SAF
o Doel: degeneratie parasieten tegengaan, zonder wijziging vorm
▪ Trofozoïeten fixeren + erna kleuring voor microscopisch onderzoek
o SAF: natriumacetaat – azijnzuur – formaldehyde 37%
Staalname herhalen
- Uitscheiding parasieten verloopt wisselend
- Meestal 3 stalen met interval 2-3 dagen
4
H1: Inleiding
1.1. Definities
Parasiet = dierlijk of plantaardig organisme dat voedt TEN KOSTE v.e. ander organisme (gastheer) en
schadelijke werking uitoefent
1.2. Taxonomie
Geslacht soort = genus species → bvb Homo sapiens
!!!
Protozoa = eencellige parasieten zonder celwand
- Rhizopoda = amoeben, verplaatsing via pseudopodiën
- Flagellata = zweepdiertjes, verplaatsing via flagellen
- Ciliaten = verplaatsing en vangst voedsel via trilhaartjes
- Sporozoa = geen verplaatsingsmanier
Metazoa = meercellige parasieten = wormen (Helminthes) + geleedpotigen (Arthropoda)
Helminthes = plathelminthes + nemathelmintes
- Plathelminthes = platwormen
o Trematoda = zuigwormen
o Cestoda = lintwormen
- Nemathelmintes = rondwormen = nematoda
- Arthropoda
o Arachnida = 8-poten = spinachtigen, teken, mijten
o Hexapoda = 6-poten = vliegen, muggen, vlooien, …
1
,Mycologie en Parasitologie
1.3. Belang (!!)
Parasieten veroorzaken infectieziekten bij mens & dier
- In tropen en subtropen → hogere incidentie → negatieve impact op volksgezondheid en
economische ontwikkeling
- Warm en vochtig klimaat → gunstig levenscyclus parasiet
- Importinfecties: malaria, amoebedysenterie, worminfecties
Parasieten inheems beperkter
- Toxoplasma (sporozoa), Giardia (flagellata), Trichomonas (flagellata), Enterobius vermicularis
(aarsmade, nematode), Pediculis (hoofdluis, athropoda (hexapoda))
Levenscyclus
- Eitje – larve/juveniel – volwassen stadium/vegetatieve vorm – cyste
- Gesloten kringloop
- Kennis cyclus
o Inzicht in transmissie
o Helpt bij diagnose
o Behandeling
- Rechtstreekse cyclus = 1 gastheer | onrechtstreek = meerdere
1.4. Pathologische begrippen
Tussengastheer: ongeslachtelijke voortplanting vindt plaats
Eindgatheer: geslachtelijke vermenigvuldiging vindt plaats
Bvb.
- Plasmodium
o Ongeslacht = tussen = mens
o Geslacht = eind = mug
- Taenia saginata
o Ongeslacht = tussen = rund
o Geslacht = eind = mens
Vector: insect dat parasiet overbrengt
Prevalentie: aantal besmette personen op gegeven moment
Incidentie: aantal nieuwe gevallen per tijdseenheid, per aantal
2
,Mycologie en Parasitologie
1.5. Transmissie en pathogenese
1.5.1. Transmissie
Bron parasitaire infectie: geïnfecteerde gastheer
Overdracht v GH 1 naar GH 2
Kans bereiken nieuwe GH stijgt
- Productie talrijk nageslacht
o Sterk ontwikkelde geslachtsorganen
o Zeer lange fertiele levensduur
- Via vector
Parasiet verlaat 1e GH
- Via faeces, urine, sputum, bloed, huid, verorbering
Overdracht naar 2e GH
- Direct contact (faeco-oraal), via voeding, water, bodem, biologische
vectoren/tussengastheren, sexueel contact
2 GH binnendringen (ingangspoort)
e
- Direct contact, via G.I. tractus, huid, bloed
1.5.2. Pathogenese
Basis v afweer
- Mechanische barrières: intacte huid & slijmvliezen
- Adequaat functioneren immuunsysteem
Overleving parasieten id gastheer
- Parasieten zijn complex → verschillende antigenen op oppervlak
- Antigenen wijzigen door genexpressie → immuunsysteem kan moeilijk reageren
- Sommige parasieten absorberen gastheerantigenen = moleculaire mimicry → niet als vreemd
herkend
Schadelijke effecten van parasieten
- Spoliatief (onttrekken v voedingsstoffen)
- Toxisch, traumatisch, mechanisch, irritatie en inflammatoir, secundaire effecten
Verhoogd risico bij verminderde afweer: opportunistische infecties
- Pathogene parasieten: Giardia lamblia, Cryptosporidium parvum – ernstigere en langdurige
problemen
- Latent aanwezige parasieten: Toxoplasma gondii of niet-pathogenen (Pneumocystis gondii) –
kunnen leiden tot ziekte
- Beschadiging mechanische barrières: Acanthamoeba-keratitis
3
, Mycologie en Parasitologie
H2: Labodiagnostiek v parasitaire infecties
Vaststellen parasitaire infectie
- Geen karakteristieke symptomen
- Routine labonderzoek:
o Hoge eosinofilie: worminfectie in weefsels?
▪ Eosinofiel = allergische reactie + afweer tegen extracellulaire parasieten
- Geografische anamnese
o Reizen naar (sub)tropen
- Specifiek gericht labonderzoek: bloed, urine, faeces, beenmerg
2.1. Het microscopisch onderzoek
2.1.1. Het faeces-onderzoek
= coprologisch onderzoek
- Opsporen parasieten die langs darm lichaam verlaten
- Zoeken naar vegetatieve stadia (trofozoïeten), cysten, wormen, wormeieren
2.1.1.1. Staalafname
Steriel lekvrij faecespotje
Geen contaminatie met urine of water
Faeces-staal: zo snel mogelijk nr labo!
- Vloeibare stoelgang: binnen 30min (vegetatieve vormen v protozoa aantonen)
- Halfgevormde: binnen 1uur
- Normale: zelfde dag
Indien niet mogelijk
- Koel bewaren
- Bewaarmiddel/fixeermiddel: formol 10%, polyvinyl-alcohol of SAF
o Doel: degeneratie parasieten tegengaan, zonder wijziging vorm
▪ Trofozoïeten fixeren + erna kleuring voor microscopisch onderzoek
o SAF: natriumacetaat – azijnzuur – formaldehyde 37%
Staalname herhalen
- Uitscheiding parasieten verloopt wisselend
- Meestal 3 stalen met interval 2-3 dagen
4