, Les 1
1. Overzicht en evolutie
A. Historiek
Het voormalige wetboek is vandaag geen deel meer van het vigerend recht, op een aantal
uitzonderingen na. Dat wetboek was vroeger opgebouwd rond daden van koophandel. Het idee was,
stel je een daad van koophandel, dan ben je onderhevig aan het koopmansrecht/handelsrecht.
Handelshuur bevindt zich nog op die oude wettelijke basis.
Er zijn drie daden van koophandel: objectieve daden (was een lijstje, voldeed je dan was je eraan
onderworpen), subjectieve (alle daden naast de objectieve) en daden van koophandel naar vorm
(wisselverrichtingen bijvoorbeeld). Dit is niet te kennen.
De belangrijkste ondernemingsverplichting is de boekhouding.
Wat was het probleem met dat wetboek van koophandel, omdat dat wetboek van koophandel
verouderd was en niemand wou daar een grote hervorming aan doorvoeren tot het WER. Ze hebben
het wetboek gewoon afgeschaft en alle aparte wetten laten opnemen in het WER.
B. Het begrip “koopman”
Wanneer was het koopmansrecht van toepassing?
Indien je een daad van koophandel stelde, voer je een daad (de objectieve, de subjectieve en de daden
naar vorm) uit die in die lijst staat, dan ben je een koopman.. Het idee was dat dat een objectieve toets
zou moeten zijn maar ze leidde al snel tot een hevige discussie voor het HvC.
Ze heeft uitgemond in het Pastoorsarrest. 1 van de daden van koophandel was het aanbieden van
openbare schouwspelen. Dat waren bv kermissen enzo, dat werd gezien als ondernemingsactiviteit.
Dan was je onderworpen aan die verplichtingen. Daaronder viel ook het organiseren van
zwemactiviteiten, sportactiviteiten, festival, etc. Een pastoor bood een zwembad aan, voor zijn
parochianen, dus de inwoners voor de gemeente om te gaan zwemmen. Die vroeg daarvoor een
beperkte toegangsvergoeding. Dat is eigenlijk het aanbieden van een sportactiviteit, dus dat wil
zeggen dat die een boekhouding moet houden etc, want is daad van koophandel. Dat wou men
eigenlijk niet, maar objectieve lijst is een objectieve lijst. Dus was het een handelsactiviteit. HvC was
daar niet tevreden mee, ze zeiden er is ook een extralegale voorwaarde: winst nastreven. De
pastoor wilt geen winst nastreven. Dus vrijgesteld van koopmansrecht. Dus zo moest men continu
bekijken of die persoon winst wil nastreven. Het nastreven van winst was niet vereist voor daden van
koophandel naar vorm.
(!) Belangrijk: Nastreven!! Niet of je effectief winst maakt of niet. We vinden nu dezelfde
systematiek terug. Extralegale voorwaarde toegevoegd aan het begrip onderneming met de
organisatievereiste (we zien dit later nog). Het koopmansbegrip vertoonde dus een sterk feitelijk
karakter (bewijs).
, C. Daden van koophandel
Onder het oude handelsrecht werden de objectieve daden van koophandel opgesomd in de artikelen 2
en 3 van het Wetboek van Koophandel. Zij konden worden onderverdeeld in twee categorieën:
enerzijds de daden die op zichzelf, zelfs wanneer zij éénmalig werden gesteld, als daad van
koophandel werden aangemerkt, en anderzijds de daden die slechts een handelskarakter verkregen
door hun herhaling. Deze laatste categorie werd in de wet aangeduid met de enigszins ongelukkige
term “onderneming”. Daarbij bestond discussie over de vraag of deze wettelijke opsomming een
exhaustief (limitatief) karakter had.
Naast de objectieve daden kende men ook de subjectieve daden van koophandel, omschreven in
artikel 2, twaalfde streepje W.Kh. Dit betrof alle verbintenissen van kooplieden, zowel met betrekking
tot roerende als onroerende goederen, tenzij bewezen werd dat zij een oorzaak hadden die vreemd was
aan de koophandel. Burgerlijke daden konden dus een handelskarakter verkrijgen louter omdat zij
door een koopman werden verricht. Dit systeem was gebaseerd op een vermoeden van
commercialiteit met algemene draagwijdte, ongeacht de bron van de verbintenis. Het ging echter om
een weerlegbaar vermoeden (juris tantum): men kon aantonen dat de verbintenis geen verband hield
met de handelsactiviteit.
Ten slotte waren er de daden van koophandel naar de vorm, bedoeld in artikel 2, elfde streepje W.Kh.
Dit betrof alle verbintenissen die voortvloeien uit wisselbrieven, mandaten, orderbriefjes of ander
order- of toonderpapier. Deze daden hadden een handelskarakter, ongeacht de persoon die ze stelde en
zonder dat een winststreven vereist was.
D. Begrip “handelszaak of handelsfonds”
Het wetboek van koophandel is grotendeels afgeschaft. Maar twee thematieken blijven bestaan. De
systematiek van de factuur, die verloopt nog volgens regels van wetboek van koophandel en de regels
van commissieopdrachten/verlening kennen ook nog een grondslag in het wetboek van koophandel.
Er is ook nog de feitelijke realiteit, dat in heel wat andere wetgeving/aanverwante wetgeving het
woord “handel” wordt gebruikt. Zoals handelshuur. Dat komt ook nog in andere verschijningsvorming
voor. We spreken in vennootschapsrecht ook nog over de overdracht van handelszaak of
handelsfondsen. Dat gaat dan terug tot de terminologie die verwees naar de wet van inpandgeving van
een handelszaak.
, 2