Hoofdstuk 1: samenhang tussen stelsels
1 Relaties tussen stelsels
Alle stelsels in ons lichaam werken samen zodat de werking van het lichaam goed verloopt.
Alleen als alle stelsels goed werken, kunnen wij goed bewegen en gezond leven.
P.9: stelsels herkennen, benoemen, functie uitleggen:
- Spijsverteringsstelsel: het verteren en opnemen (absorberen) van het voedsel
- Voortplantingsstelsel man/vrouw: voortplanting van de mens
- Ademhalingsstelsel: zuurstof uit de lucht in het bloed brengen en, de bij de verbranding
in de cel gevormde koolstofdioxide, uit het bloed verwijderen
- Bloedvatenstelsel: bloed rond pompen door het hele lichaam, zodat alle cellen en
weefsels van het lichaam worden voorzien van zuurstof en brandstoffen
- Beenderstelsel: ondersteuning, bescherming organen, vormgeving lichaam
- Spierstelsel: zorgen voor beweging
- Zenuwstelsel: prikkels geleiden van de zintuigen en organen
p.13,14: organen van elk stelsel opsommen
Stelsels werken samen: ze staan met elkaar in contact, ofwel rechtstreeks, of via de
uitwisseling van signalen.
- Spijsverteringsstelsels -> bloedvatenstelsel: voedingsstoffen/nutriënten transporteren
darmwand -> bloedvaten
- Ademhalingsstelsel -> bloedvatenstelsel: uitwisseling zuurstofgas en koolstofdioxide
- Hormonaal stelsel -> bloedvatenstelsel: hormonen transporteren naar andere stelsels
- Spierstelsel -> beenderstelsel: beenderen kunnen ten opzichte van elkaar bewegen en
volgen de bewegingen van de spieren.
2 Samenstellende stoffen van levende wezens
50-75% van een organisme bestaat uit water.
Water is heel belangrijk:
- Goed oplosmiddel => transportmiddel stoffen/omgeving waarin stoffen met elkaar
reageren
- Reactief => stoffen kunnen worden gesplits/aan elkaar
verbonden Moleculaire structuur van water
- Neiging om vast te hechten aan andere materialen =>
104.45°
film rond weefsels, organen => minder wrijving bij
bewegingen
- Helpt lichaamstemperatuur constant te houden.
Cohesie: aantrekkingskrachten tussen gelijke moleculen
(gelijke stoffen)
H
O
watermolecule
, Adhesie: aantrekkingskrachten tussen verschillende moleculen (verschillende stoffen) =>
waterdruppel die aan de kraan blijft hangen/ verf op de muur
Moleculaire structuur: - V-vormig => binding tussen O en de 2 H’s = extra stevig
- H = lichtjes positief geladen (δ+)
- O = lichtjes negatief geladen (δ-)
=> water = polaire structuur
Sporenelementen: mineralen die in heel kleine hoeveelheden noodzakelijk zijn voor ons
lichaam. Ons lichaam kan ze zelf niet aanmaken (dus via voeding).
3 Organische stoffen
Koolstof = belangrijkste element van organische stoffen:
- 4 valentie-elektronen => C-atomen binden gemakkelijk met elkaar
- Bindt gemakkelijk met N, O, H en S => grote variëteit aan organische moleculen
- Bindingen liggen in de hoeken van een tetraëder, met koolstof als middelpunt
c => + driedimensionale vormen aannemen = belangrijk voor de functie v.d. molecule
Monomeer: op elkaar lijkende en aan elkaar geschakelde subeenheden,
koolstofverbindingen zijn er uit opgebouwd
Dimeer: twee monomeren
Polymeer: lange keten van monomeren
Condensatiereactie: afsplitsing van water; monomeer -> polymeer
Hydrolysereactie: toevoeging van water; polymeer -> monomeer
Sachariden: suiker
monosachariden disachariden polysachariden
glucose maltose (zoete smaak) amylum
fructose sacharose of sucrose cellulose (plant groeit naar
(kristalsuiker) boven; in celwand)
galactose lactose (melksuiker) glycogeen (energieopslag
mens; opgeslagen in
spieren/lever; 1 tot 1 en een
half uur energie voor sport;
wanneer opgebruikt:
hongerdipje = prestaties dalen)
glucose
galactose
fructose