Bij biologie bestudeer je organismen. Alle organismen vertonen deze 7
levensverschijnselen:
★ Bewegen
★ Groeien
★ Ademhalen
★ Voeden
★ Uitscheiden
★ Voortplanten
★ Waarnemen
Elk organisme/individu heeft een levensloop, deze begint wanneer een
organisme is geboren en begint met groeien en ontwikkelen, en deze eindigt
wanneer het organisme doodgaat. Dingen die nooit hebben geleefd noemen
we levenloos. Een soort heeft en levenscyclus. Deze eindigt alleen als de
soort uitsterft.
Er zijn 7 biologische eenheden (van klein naar groot):
★ Een molecuul
★ Een cel
★ Een orgaan
★ Een organisme
★ Een populatie
★ Een ecosysteem
★ Een biosfeer/het systeem aarde
Als er op een hoger organisatieniveau een eigenschap is die op een lager
niveau niet voorkomt, noem je dat een emergente eigenschap. Een voorbeeld
van een emergente eigenschap is bijvoorbeeld voortplanten. Deze
eigenschap is alleen mogelijk vanaf het organisatieniveau populatie, omdat
een organisme niet zelf kan voortplanten.
, 1.2 Organen, weefsels en cellen
Een orgaanstelsel is een aantal organen die samen een bepaalde functie
hebben in het lichaam. Organen bestaan uit weefsels. Weefsels bestaan uit
heel veel cellen met dezelfde functie. Een aantal voorbeelden van weefsels
zijn:
★ Dekweefsel: Een beschermend weefsel met rechthoekige cellen die
dicht tegen elkaar aan liggen.
★ Zenuwweefsel: Weefsel in het zenuwstelsel dat bestaat uit cellen met
vertakkingen, om informatie door te geven.
★ Spierweefsel: Weefsel van de spieren die uit langgerekte cellen die
kunnen samentrekken bestaat.
★ Bindweefsel: Steunend weefsel dat bestaat uit ver uit elkaar liggende
cellen met daartussen vezels en tussencelstof. De vezels en de
tussencelstof bepalen de functie van het bindweefsel.
De tussencelstof kan verschillende functies hebben, zoals stevigheid, de
mogelijkheid tot vervormen en de mogelijkheid van transport tussen cellen.
De vorm en functie gaan vaak gepaard met elkaar. Een dolfijn heeft
bijvoorbeeld een gestroomlijnde vorm. Dit heeft als functie dat hij goed door
het water kan bewegen. Ook de botten hebben een handige vorm om het
lichaamsgewicht te kunnen dragen, zonder dat de botten te zwaar zijn.