Ontstaan van de Germaanse talen
1 Begripsomschrijving: Germanen – Germaanse talen
De Germanen (Latijnse term: Germani) is de naam voor het geheel van stammen die zich ten oosten
van de Rijn bevonden en die een andere taal spraken dan de Kelten.
- 1000 vC: Germanen bevinden zich in Noord-Duitsland,Denemarken en Zuid-Zweden
- 500 vC: Germanen zakken af en bevinden zich in het gebied van de Rijnmonding (in de
Noordzee) tot aan de benedenloop van de Weichsel (nu Polen).
- 1 vC: Germanen leven aan de Rijngrens en de Donaugrens (bovenloop) van het Romeinse
Rijk. Sommigen hebben zich al IN het Romeinse Rijk gevestigd en zich daar vermengd met de
Keltische bevolking.
o Eburonen: Germaanse stam waarvan toplaag gekeltiseerd was (bv. naam Ambiorix <
rix: machtig), naamsbekendheid vanwege opstand tegen de Romeinse veroveraar in
54 vC
o Treveri: Germaanse stam die hulp verleent aan de Romeinen bij de verovering van de
Galliërs en daarna volledig geromaniseerd werd
o Suebi: leider Ariovistus trekt met zijn stam de Elzas binnen in de 1E vC
Figuur 1: Germaanse volksverhuizingen (1000 vC - 1vC)
Over de taal van deze vroege Germanen is weinig bekend:
- Enkele woorden: eigennamen (lezen we bij Griekse en Latijnse auteurs)
- Leenwoorden in buurtalen: Germaanse woorden in Fins-Oegrische en Baltische talen
De oudste geschreven attestaties van het Germaans dateren uit de 3E. Het zijn runeninscripties (rûna
= geheim, raunen = fluisteren), de Germaanse aanpassing van het complex van alfabettekens dat ook
1
,voorkomt bij Grieken, Etrusken en Romeinen. Het Germaanse schrifttekensysteem heet ‘futhark’-
alfabet, genoemd naar de eerste letters. Ze zijn moeilijk dateerbaar, daarom moet men het materiaal
(hout, steen) onderzoeken waarin de hoekige runentekens gekerfd zijn. Die handeling heet in het
Oudengels en Oudsaksisch ‘writan’ en in het Zweeds ‘rita’ (tekenen). Vaak is het slechts een woord of
een korte zin en geven ze de eigenaar of bestemmeling van het voorwerp aan. (cfr. eerste attestatie
van Latijn: fibula praenesta).
Het linguïstische criterium om over een Germaanse taal te kunnen spreken, is dat de taal de eerste
Germaanse klankverschuiving ondergaan heeft (= wet van Grimm):
- Omzetting van stemhebbende geaspireerde occlusieven naar stemhebbende ongeaspireerde
occlusieven (bʰ > b β, dʰ > d ð, gʰ > g ɣ, gʷʰ > gʷ ɣʷ)
w w
- Omzetting van stemhebbende occlusieven naar stemloze occlusieven (b > p, d > t, g > k, g > k )
w w
- Omzetting van stemloze occlusieven naar stemloze fricatieven (p > f, t > th, k > ch, k > x )
Traditioneel delen we de Germaanse talen in drie groepen in:
- Oer-Oost-Germaanse talen: uit deze geschakeerde dialectgroep ontstonden de Oudoost-Germaanse
talen Gotisch, Vandaals en Bourgondisch.
Waarschijnlijk vormde het aanvankelijk een eenheid met het Oudnoord-Germaans, want beiden
bevinden zich in de omgeving van de Baltische Zee en de Goten gaven waarschijnlijk hun naam aan het
Zweedse Gotland. Bovendien bewijzen taalkundige kenmerken dit.
- Oer-Noord-Germaanse talen: uit deze geschakeerde dialectgroep ontstonden de Oudnoordse-
Germaanse talen, die we nu kennen als het Deens, Noors, Zweeds, IJslands en Faeröers.
- Oer-West-Germaanse talen: uit deze geschakeerde dialectgroep ontstonden de Oudwest-Germaanse
talen, die we nu kennen als het Engels, Fries, Nederlands en Duits (Hoog- en Nederduits, afhankelijk
van blootstelling aan de tweede Germaanse klankverschuiving)
Omdat de Oudoost-Germaanse talen Gotisch, Vandaals en Bourgondisch allemaal uitgestorven zijn,
behandelen we ze hier kort al. We weten vrij veel af van het Gotisch dankzij de Bijbelvertaling van
bisschop Wulfila in 350. De groep Goten waartoe hij behoorde, bevond zich in de Krim vanaf 258 nC.
Daar bezaten ze een groot rijk, maar dit werd vernietigd door de Hunnen. Daarna verspreidden de
Goten zich over Europa. In de 13E ontdekte de franciscaan Willem van Rubroek (‘de Vlaamse Marco
Polo’) dat er nog door een beperkt aantal stammen Gotisch gesproken werd in de Krim. Pas in de 18E
stierf dit Krimgotisch uit. We beschikken over enkele woorden doordat de gezant van de Habsburgse
keizer (Ogier Ghiselin van Busbecque), die zich in 1560 aan het hof van de Ottomaanse sultan in
Istanboel bevond, over deze taal berichtte. Hij schreef een lijst van 68 woorden neer, met daarop
bijvoorbeeld slapen: schlipen [Krimgot.] vs. slepan [Bijbels Got.] en maan: mine [Krimgot.] vs. mena
[Bijbels Got.]. Hij maakte toen melding van het feit dat de taal aan het afsterven was.
2
, 2 Distinctieve innovaties in jongere talen
We bespraken al de drie verschillende groepen waarin we de Germaanse talen kunnen indelen. In dit
deel bekijken we de specifieke vernieuwingen die de dialectisch geschakeerde taalgroepen
(onderling en in elke taalgroep) doormaakten waardoor we kunnen spreken van verscheidene talen.
2.1 Behandeling Germaanse dentale stemloze fricatieven (Þ/ th)
Continentaal Westgermaans: th > d
In het continentaal Westgermaans wordt de dentale stemloze fricatief een dentale stemhebbende
occlusief. (! Niet in Oudsaksisch) Deze evolutie verloopt in geografische stappen.
- 8E: Beieren
- 10E: gebieden langs Midden-Rijn
- 12E: Oudnederlands (maar: 10E nog steeds th)
Engels (Ingveoons Westgermaans) + moderne Scandinavische talen: ~ functie andere wending
Woorden die geen volle semantische functie uitoefenen, bv. lidwoorden/ voornaamwoorden:
Þ > stemhebbend
- OE: Þ > đ (dentale stemhebbende fricatief) (bv. ‘the’)
- ZDN: Þ > d (dentale stemhebbende occlusief)
Woorden die wel een volle semantische functie uitoefenen, bv. naamwoorden/ werkwoorden:
- OE: Þ blijft Þ (dentale stemloze fricatief) (bv. bath)
- ZDN: Þ > t (dentale stemloze occlusief)
In de oudste
Nederlandse teksten
verschijnt th wel nog. Via
tekststudie kan men de
verspreiding van het
fenomeen bestuderen.
2.2 Innovaties in Noordgermaans
In de anlaut (begin van het woord) gaat de j- verloren.
Op zich is deze evolutie niet vreemd, want ook in het Grieks en Latijns gaat de PIE anlaut verloren.
Toch is dit heel specifiek voor de Noordgermaanse talen, want de anlaut j- blijft wel staan in de
3
1 Begripsomschrijving: Germanen – Germaanse talen
De Germanen (Latijnse term: Germani) is de naam voor het geheel van stammen die zich ten oosten
van de Rijn bevonden en die een andere taal spraken dan de Kelten.
- 1000 vC: Germanen bevinden zich in Noord-Duitsland,Denemarken en Zuid-Zweden
- 500 vC: Germanen zakken af en bevinden zich in het gebied van de Rijnmonding (in de
Noordzee) tot aan de benedenloop van de Weichsel (nu Polen).
- 1 vC: Germanen leven aan de Rijngrens en de Donaugrens (bovenloop) van het Romeinse
Rijk. Sommigen hebben zich al IN het Romeinse Rijk gevestigd en zich daar vermengd met de
Keltische bevolking.
o Eburonen: Germaanse stam waarvan toplaag gekeltiseerd was (bv. naam Ambiorix <
rix: machtig), naamsbekendheid vanwege opstand tegen de Romeinse veroveraar in
54 vC
o Treveri: Germaanse stam die hulp verleent aan de Romeinen bij de verovering van de
Galliërs en daarna volledig geromaniseerd werd
o Suebi: leider Ariovistus trekt met zijn stam de Elzas binnen in de 1E vC
Figuur 1: Germaanse volksverhuizingen (1000 vC - 1vC)
Over de taal van deze vroege Germanen is weinig bekend:
- Enkele woorden: eigennamen (lezen we bij Griekse en Latijnse auteurs)
- Leenwoorden in buurtalen: Germaanse woorden in Fins-Oegrische en Baltische talen
De oudste geschreven attestaties van het Germaans dateren uit de 3E. Het zijn runeninscripties (rûna
= geheim, raunen = fluisteren), de Germaanse aanpassing van het complex van alfabettekens dat ook
1
,voorkomt bij Grieken, Etrusken en Romeinen. Het Germaanse schrifttekensysteem heet ‘futhark’-
alfabet, genoemd naar de eerste letters. Ze zijn moeilijk dateerbaar, daarom moet men het materiaal
(hout, steen) onderzoeken waarin de hoekige runentekens gekerfd zijn. Die handeling heet in het
Oudengels en Oudsaksisch ‘writan’ en in het Zweeds ‘rita’ (tekenen). Vaak is het slechts een woord of
een korte zin en geven ze de eigenaar of bestemmeling van het voorwerp aan. (cfr. eerste attestatie
van Latijn: fibula praenesta).
Het linguïstische criterium om over een Germaanse taal te kunnen spreken, is dat de taal de eerste
Germaanse klankverschuiving ondergaan heeft (= wet van Grimm):
- Omzetting van stemhebbende geaspireerde occlusieven naar stemhebbende ongeaspireerde
occlusieven (bʰ > b β, dʰ > d ð, gʰ > g ɣ, gʷʰ > gʷ ɣʷ)
w w
- Omzetting van stemhebbende occlusieven naar stemloze occlusieven (b > p, d > t, g > k, g > k )
w w
- Omzetting van stemloze occlusieven naar stemloze fricatieven (p > f, t > th, k > ch, k > x )
Traditioneel delen we de Germaanse talen in drie groepen in:
- Oer-Oost-Germaanse talen: uit deze geschakeerde dialectgroep ontstonden de Oudoost-Germaanse
talen Gotisch, Vandaals en Bourgondisch.
Waarschijnlijk vormde het aanvankelijk een eenheid met het Oudnoord-Germaans, want beiden
bevinden zich in de omgeving van de Baltische Zee en de Goten gaven waarschijnlijk hun naam aan het
Zweedse Gotland. Bovendien bewijzen taalkundige kenmerken dit.
- Oer-Noord-Germaanse talen: uit deze geschakeerde dialectgroep ontstonden de Oudnoordse-
Germaanse talen, die we nu kennen als het Deens, Noors, Zweeds, IJslands en Faeröers.
- Oer-West-Germaanse talen: uit deze geschakeerde dialectgroep ontstonden de Oudwest-Germaanse
talen, die we nu kennen als het Engels, Fries, Nederlands en Duits (Hoog- en Nederduits, afhankelijk
van blootstelling aan de tweede Germaanse klankverschuiving)
Omdat de Oudoost-Germaanse talen Gotisch, Vandaals en Bourgondisch allemaal uitgestorven zijn,
behandelen we ze hier kort al. We weten vrij veel af van het Gotisch dankzij de Bijbelvertaling van
bisschop Wulfila in 350. De groep Goten waartoe hij behoorde, bevond zich in de Krim vanaf 258 nC.
Daar bezaten ze een groot rijk, maar dit werd vernietigd door de Hunnen. Daarna verspreidden de
Goten zich over Europa. In de 13E ontdekte de franciscaan Willem van Rubroek (‘de Vlaamse Marco
Polo’) dat er nog door een beperkt aantal stammen Gotisch gesproken werd in de Krim. Pas in de 18E
stierf dit Krimgotisch uit. We beschikken over enkele woorden doordat de gezant van de Habsburgse
keizer (Ogier Ghiselin van Busbecque), die zich in 1560 aan het hof van de Ottomaanse sultan in
Istanboel bevond, over deze taal berichtte. Hij schreef een lijst van 68 woorden neer, met daarop
bijvoorbeeld slapen: schlipen [Krimgot.] vs. slepan [Bijbels Got.] en maan: mine [Krimgot.] vs. mena
[Bijbels Got.]. Hij maakte toen melding van het feit dat de taal aan het afsterven was.
2
, 2 Distinctieve innovaties in jongere talen
We bespraken al de drie verschillende groepen waarin we de Germaanse talen kunnen indelen. In dit
deel bekijken we de specifieke vernieuwingen die de dialectisch geschakeerde taalgroepen
(onderling en in elke taalgroep) doormaakten waardoor we kunnen spreken van verscheidene talen.
2.1 Behandeling Germaanse dentale stemloze fricatieven (Þ/ th)
Continentaal Westgermaans: th > d
In het continentaal Westgermaans wordt de dentale stemloze fricatief een dentale stemhebbende
occlusief. (! Niet in Oudsaksisch) Deze evolutie verloopt in geografische stappen.
- 8E: Beieren
- 10E: gebieden langs Midden-Rijn
- 12E: Oudnederlands (maar: 10E nog steeds th)
Engels (Ingveoons Westgermaans) + moderne Scandinavische talen: ~ functie andere wending
Woorden die geen volle semantische functie uitoefenen, bv. lidwoorden/ voornaamwoorden:
Þ > stemhebbend
- OE: Þ > đ (dentale stemhebbende fricatief) (bv. ‘the’)
- ZDN: Þ > d (dentale stemhebbende occlusief)
Woorden die wel een volle semantische functie uitoefenen, bv. naamwoorden/ werkwoorden:
- OE: Þ blijft Þ (dentale stemloze fricatief) (bv. bath)
- ZDN: Þ > t (dentale stemloze occlusief)
In de oudste
Nederlandse teksten
verschijnt th wel nog. Via
tekststudie kan men de
verspreiding van het
fenomeen bestuderen.
2.2 Innovaties in Noordgermaans
In de anlaut (begin van het woord) gaat de j- verloren.
Op zich is deze evolutie niet vreemd, want ook in het Grieks en Latijns gaat de PIE anlaut verloren.
Toch is dit heel specifiek voor de Noordgermaanse talen, want de anlaut j- blijft wel staan in de
3