OV1 Wat bepaalt de economische groei?
1 economische groei
→ een toename van economische activiteit vergeleken met een eerder meetpunt. het wordt
gemeten over een heel land ⇔ economische krimp, doorgaans aangeduid als een negatieve groei.
productiefactoren
- kapitaal (fabrieken, machines)
- arbeid (werknemers)
- technologie (design software)
Niet alleen kwantiteit telt maar ook kwaliteit!
( arbeid kan je verbeteren door scholing te voorzien, kapitaal is door nieuwe machines en dat wordt
beter door technologie)
wordt gemeten met:
BBP : bruto binnenlands product (= uitdrukking van de welvaart)
Ik→ is de totale toegevoegde waarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten
gedurende een bepaalde periode.
BBP per capita: betere maatstaf want is per inw.
3 soorten
- nominaal: tegen lopende prijzen, werkelijke prijzen, huidige waarden MET INFLATIE
= Δp * Δq
- reëel: tegen constante prijzen het Bbp in kettingeuro, referentiejaar ZONDER INFLATIE
= ⍋p * Δq
- potentieel: BBP dat onder de normale omstandigheden berekend wordt ( BBP DAT ZE
ZOUDEN KUNNEN HALEN MET DE ARBEIDSKRACHTEN (= normale inzet van
productiefactoren
Voor en Nadelen van eco groei op LT
+ toename aantal beschikbare producten - toename van de milieu bezoedeling
+ technologische innovatie (= sterke groei van de productie en consumptie)
+ hogere levensstandaard - kan negatieve externe effecten veroorzaken zoals
+ hogere tewerkstelling door diversificatie luchtpollutie en geluidsoverlast)
+ verhoogd vertrouwen van bedrijven en - uitputting natuurlijke hulpbronnen (kunnen niet-
consumenten toename inveteringen hernieuwbare zijn)
- groei stimuleert creatie van artificiële behoeften
, - onevenredige verdeling van inkomen en welvaart
Productiviteit
→ output per persoon in een bepaalde tijd
hoe hoger productiviteit→ hoger eco. groei
arbeid
De indicatoren bestrijken tien dimensies van de kwaliteit van de arbeid.
1. Intrinsieke kwaliteit van de arbeid
2. Kwalificaties en levenslang leren en opbouw van de loopbaan
3. Gelijke kansen voor mannen en vrouwen
4. Veiligheid en gezondheid
5. Flexibiliteit en zekerheid
6. Inschakeling en toegang tot de arbeidsmarkt
7. Organisatie van het werk en evenwicht tussen beroeps- en gezinsleven
8. Sociale dialoog en deelname van de werknemers
9. Verscheidenheid en non-discriminatie
10. Algemene economische prestaties en productiviteit
PAAR KUNNZN GEVEN
De volgende indicatoren geven inzicht in de structuur en de omvang van de arbeidsmarkt:
activiteitsgraad = [beroepsbevolking/totale bevolking) * 100
participatiegraad = (beroepsbevolking/bevolking op arbeidsleeftijd) *100
werkzaamheidsgraad = (werkenden bevolking/bevolking op arbeidsleeftijd) * 100
werkloosheidsgraad = (werkloze bevolking/beroepsbevolking) * 100
Op de arbeidsmarkt is er nooit een perfect evenwicht tussen vraag en aanbod. Er is altijd een
gedeelte van de bevolking werkloos
, soorten werkloosheid
➢ conjuncturele werkloosheid
tijden dat het economisch wat minder gaat, worden minder nieuwe werknemers aangenomen,
worden contracten niet verlengd, en mensen ontslagen.
➢ kwantitatieve structurele
niet genoeg arbeidsplaatsen zijn voor het aantal mensen dat werk zoekt. Dit kan zijn omdat
bedrijven naar het buitenland zijn gegaan of omdat het werk is vervangen door machines.
➢ kwalitatieve structurele
niet de juiste kwalificaties om aan het werk te gaan. Het aanbod van arbeid sluit dan niet aan bij
de vraag. Stel je voor dat in een land veel vraag is naar arbeid in ziekenhuizen, maar dat weinig
mensen een zorgopleiding hebben gedaan.
➢ frictiewerkloosheid
over een korte tijd die nodig is om een baan te vinden. het kost ook tijd om te solliciteren
➢ seizoenwerkloosheid
mensen hebben maar voor een deel van het jaar werk en zijn voor de rest van het jaar werkloos
verborgen werkloosheid: je staat niet geregistreerd als werkloos bv: huisvrouwen
Kapitaal
welke rol speelt BINNENLANDS sparen bij kapitaalvorming?
rechtstreekse financiering
→ een onderneming kan rechtstreeks kapitaal ophalen bij kapitaalverschaffers door uitgifte van
aandelen of obligaties
onrechtstreekse financiering
→geldmiddelen aantrekken door geld te lenen bij een financiële instelling ( bv bij de bank)
bij beide is de spaarquote een bepalende factor
→ is het aandeel in het beschikbaar inkomen dat niet gebruikt wordt om uitgaven me te doen.
sparen: gezinnen, ondernemingen en de overheid