13.1. Algemeen:
- gespecialiseerde vorm van bindweefsel
- bestaat uit kraakbeencellen en kraakbeenmatrix
- typische matrix die door zijn elastische consistentie weerstand kan bieden aan druk
- matrix is relatief hard maar flexibel, NIET verkalkt in normale omstandigheden
⇒ voor voedingsstoffen volledig afhankelijk van diffusie
functies:
- steunfunctie: ondersteunt weke delen
- verbindt botten
- vormt het glijoppervlak van gewrichten
- rol bij aanleg en lengtegroei van pijpbeenderen
kraakbeencellen kunnen nooit omvormen tot botcellen!
→ kunnen afsterven en daarna vervangen worden
13.2. Extracellulaire KB matrix:
bestaat uit:
- grondsubstantie
- eiwitvezels: vnl. collageen, elastine
- weefselvloeistof: ongeveer 75% v/h water gebonden aan KB matrix
de eiwitketens van proteoglycanen zijn via
verbindingseiwitten niet-covalent gebonden aan
lineaire hyaluronzuurmoleculen
⇒ vorming van aggrecaan
de zijketens van chondroïtinesulfaat v/h
proteoglycaan zijn elektrostatisch gebonden aan
de collagene vezels
de veerkracht van de KB-matrix berust op:
1. elektrostatische verbindingen tussen collageenvezels en de GAG-zijketens
2. het vasthouden van water door de negatief geladen GAG-zijketens van
proteoglycanen (schokbreker effect!)
3. buigzaamheid en onderlinge verschuifbaarheid van collagene vezels
chondroblasten:
→ starten met de productie van grondsubstantie en
eiwitvezels
→ grote hoeveelheid aan RER (basofiele) en GA
→ zetten KB-matrix af rondom zichzelf
→ wanneer volledig ingesloten worden ze chondrocyten
genoemd
→ in gevormd KB terug te vinden aan periferie v/h KB-stuk,celvorm: afgeplat en ellipsvormig
= interstitiële groei
,chondrocyten:
minder actieve productie van grondsubstantie en
eiwitvezels
→ goed ontwikkeld RER en GA
→ liggen ingesloten door matrix die ze zelf produceren!
ontstane holtes in matrix: lacunes
ingesloten chondrocyten kunnen nog steeds delen
→ ontstane celgroepjes blijven samen in matrix (= isogene
groep: ontstaan uit 1 moedercel)
door groeihormoon (somatotroop hormoon), T4,
testosteron : synthese GAG’s ↑
door cortison, hydrocortison, oestradiol: synthese van GAG’s ↓
13.2.1. Terminologie:
KB-matrix onder te verdelen in:
territoriale matrix (= celhof):
- direct rondom chondrocyten (rondom isogene groepen)
- hoofdzakelijk uit GAG (sterkere basofilie)
interterritoriale matrix:
- bestaat uit hoofdzakelijk eiwitvezels
- minder basofiel want bevat al meer fibrillen en weefselvloeistof
IG: Isogene Groep
13.3. Perichondrium:
→ kraakbeen bevat geen bloedvaten, lymfevaten of zenuwen!!
- een kapsel van dicht BW dat het KB bijna volledig omsluit
- bevat WEL bloedvaten, zorgt voor toevoer van voedingsstoffen en afvoer van
afvalstoffen van de KB-stukken
- gaat naar buiten over in losmazig BW en naar binnen geleidelijke overgang in KB
,voedingsstoffen bereiken de chondrocyten door diffusie:
bij beschadiging herstelt volwassen KB slecht of niet
⇒ donkerblauw stuk aan weerszijden
bestaat uit een fibreuze laag en een celrijke of chondrogene
laag
celrijke laag bevat fibroblasten die differentiëren tot
chondroblasten
gewrichtskraakbeen heeft geen perichondrium, maar wordt door diffusie van zuurstof en
voedingsstoffen voorzien vanuit de synoviale vloeistof
13.4. Histogenese:
- KB ontstaat uit mesenchym
- proliferatie van ongedifferentieerde mesenchymcellen, dus ontstaan van celrijk
weefsel
- mesenchymcellen differentiëren tot chondroblasten
- door productie van KB matrix wijken de cellen uiteen
- deling van de KB cellen resulteert in de vorming van isogene groepen
- differentiatie van een KB stuk voltrekt zich van binnen naar buiten; binnenste cellen
al typische kenmerken van chondrocyten, buitenste chondroblasten
groei kan op 2 manieren:
- interstitiële groei: bestaande chondroblasten en chondrocyten gaan delen
- appositionele groei: aan het oppervlak gelegen perichondriumcellen differentiëren tot
KB cellen
degeneratieve veranderingen door veroudering:
- matrix verkalkt
- cellen sterven af door gebrek aan voedingsstoffen
regeneratie van beschadiging KB:
- mogelijk bij jonge kinderen
- bij volwassenen alleen mogelijk vanuit perichondrium en vaak onvolledig, meestal
ontstaan van BW s.s.
, 13.5. Vormen van kraakbeen:
13.5.1. Hyalien kraakbeen:
komt meest voor in het lichaam
helder en glanzend uitzicht ( hyalos: glas) ⇒ homogene matrix
bv. tijdelijk skelet embryo, groeischijf beenderen, luchtwegen, gewrichtskraakbeen, rib
aanhechting aan sternum
KB-matrix bestaat uit 40% type 2 collageen, ingebed in grondsubstantie
fijne type 2 collageenfibrillen meestal niet zichtbaar in LM, wegens te fijn en dezelfde
brekingsindex als grondsubstantie
13.5.2. Elastisch kraakbeen:
buigbaar en vervormbaar kraakbeen, bijkomende stevigheid en flexibiliteit
door elastine: gele tint
bv. oorschelp, buitenste gehoorgang, epiglottis
KB-matrix zoals hyalien KB (dus ook type 2), maar bevat een extra uitgebreid netwerk van
fijne elastische vezels
aanwezigheid van perichondrium
13.5.3. Vezelig of fibreus kraakbeen:
sterkste en meest duurzame vorm, bestand tegen trekkrachten
→ tussenvorm tussen hyalien KB en dicht BW
bv. tussenwervelschijven, symphysis pubica, menisci
KB-matrix opgevuld met stevige bundels van collageen type 1
geen perichondrium als dusdanig, geleidelijke overgang naar dicht BW
→ ontstaat ook na breuk tussen 2 botstukken (op plaatsen met minder doorbloeding)
onderhevig aan verkalking
⇒ symphysis pubica
botstructuren, skeletspierweefsel, hyalienkraakbeen en
vezelig KB, dens BW
→ strepen: artefacten
vezelig en hyalien KB, dens BW