Samenvatting Psychopathologie
Hoofdstuk 1 – Over klinische psychologie en ‘abnormaal’ gedrag
1.1 Het terrein van de klinische psychologie
Er bestaan 5 basisdisciplines: En 3 Toepassingsgerichte disciplines
1. De psychologische functieleer 1. Klinische- en gezondheidspsychologie
2. De ontwikkelingspsychologie 2. Arbeids- en organisatiepsychologie
3. De gedragsleer 3. Onderwijspsychologie
4. De persoonlijkheidspsychologie
5. Methodenleer
De klinische psychologie houdt zich bezig met het ontstaan, voortbestaan en
behandelmogelijkheden voor psychische stoornissen. In de Amerikaanse cultuur wordt gesproken
van abnormal psychology.
Afwijkingen van de norm kunnen betrekking hebben op verschillende aspecten van het menselijk
functioneren. Het kan gaan om aspecten van de
1) Individuele persoon
Daarbij kan sprake zijn van afwijkend gedrag, afwijkende gedachten en van afwijkende
belevingen. Deze afwijkingen kunnen afzonderlijk optreden, maar in veel gevallen is er
sprake van een combinatie van deze drie soorten afwijkingen. Dit is vrij normaal omdat
gedrag, gedachten en gevoelens vaak samenhangen (dwanggedachten -> angst -> overmatig
drinken)
2) Relaties met andere mensen
Een moeder kan overbezorgd zijn om haar kind, een man kan extreem agressief zijn tegen
zijn vrouw, een student kan zich overmatig onttrekken aan contacten met medestudenten.
Deze afwijkingen hebben vaak invloed op de gedachten en belevingen binnen het individu.
1.2 Aspecten van ‘abnormaal’ gedrag
Seligman, Walker en Rosenhan (2001) onderscheiden 7 factoren die bepalen of gedrag als
abnormaal of pathologisch wordt beschouwd.
1. Persoonlijk lijden (geen voldoende voorwaarde voor pathologie)
2. De (dis)functionaliteit van het gedrag
3. Irrationeel en onbegrijpelijk gedrag
4. Onvoorspelbaarheid en controle verlies
5. Opvallend en onconventioneel gedrag
6. Gedrag dat een ongemakkelijk gevoel bij anderen teweegbrengt
7. Het overtreden van morele normen
Een psychische stoornis is een syndroom, gekenmerkt door klinisch significante symptomen op het
gebied van de cognitieve functies, de emotieregulatie of het gedrag van een persoon, dat een uiting
is van een disfunctie in de psychologische, biologische of ontwikkelingsprocessen die ten grondslag
liggen aan het psychische functioneren .
1
,Om te voorkomen dat de definitie van mentale stoornissen een instrument zou worden voor sociale
repressie, zijn er drie uitsluitende omstandigheden geformuleerd:
1) Te verwachten en cultureel aanvaarde reacties
2) Deviant gedrag
3) Afwijkend gedrag moet niet voortkomen uit een persoonlijk conflict tussen het individu en de
maatschappij
1.3 Normaal en abnormaal: waar ligt de grens?
Er zijn verschillende modellen die uitspraken mogelijk maken over het onderscheid tussen
normaal en abnormaal gedrag, namelijk het statistisch model, het medisch of ziektemodel en het
leer- of onderwijsmodel.
Het statistisch model
Dit model beantwoordt de vraag tussen normaal en abnormaal
gedrag. Het uitgangspunt voor dit model zijn menselijke
eigenschappen min of meer normaal verdeeld. Er wordt dan van
abnormaliteit gesproken bij extreem lage of extreem hoge scores.
Binnen dit model heeft ‘abnormaal’ uitsluitend een statische
betekenis.
Nadelen: grens is onduidelijk, niet alles normaal verdeeld,
individueel lijden niet meegenomen
Het medisch model
Veel klinische psychologen en psychiaters nemen aan dat de oorzaken van psychische
stoornissen moeten worden gezocht in onderliggende mechanismen. Deze mechanismen kunnen
somatogeen of psychogeen zijn. Met somatogeen wordt bedoeld dat een lichamelijke
aandoening aan de psychische stoornis ten grondslag ligt. Een voorbeeld hiervan is de
syfilisinfectie.
Het begrip psychogeen houdt in dat aan een stoornis een psychologisch mechanisme ten
grondslag ligt. Bijvoorbeeld een psychose die ontstaat door neurologische defecten, of door
dementie wat die ontstaat door de uitval van hersencellen.
Nadelen: client in afhankelijke rol, niet voor alle stoornissen is een oorzaak, labelling-theorie
Leer- of onderwijsmodel
Als alternatief voor het medisch model bepleiten verschillende auteurs een leer- en
onderwijsmodel. Dat pleidooi geldt met name voor stoornissen waaraan geen duidelijke
organische oorzaken ten grondslag liggen (stoornissen ontstaan door verkeerd gelopen
leerprocessen). Net als in het medisch model zijn er in het onderwijsmodel twee partijen. Bij het
medisch model waren dat de therapeut en de patiënt. In het onderwijs model zijn dat de leraar
en de leerling. In dit model is dan ook het woord therapie vervangen voor ‘uitvoering van een
onderwijsprogramma’.
2
, Hoofdstuk 9 – Classificatie
9.1 Wat is classificeren?
Bij het classificeren gaat het om ordenen van menselijke gedragingen, ervaringen, belevingen of
eigenschappen, en niet om het in hokjes plaatsen van mensen. Een groep symptomen die vaak
gezamenlijk voorkomen, worden aangeduid als een syndroom of een stoornis, bijvoorbeeld een
depressieve stoornis.
Verschijnselen kunnen op verschillende manieren in klassen worden ingedeeld;
1) Categoriale en dimensionele classificatie
2) Het onderscheid tussen monothetische en polythetische classificatie
3) Het onderscheid tussen classificatie op grond van symptomen en op grond van pathogene
mechanismen
4) Het onderscheid tussen hiërarchische en nevenschikkende classificatie
1. Categoriale en dimensionele classificatie
Een indeling in afzonderlijke categorieën die duidelijk van elkaar zijn afgegrensd anders gezegd wordt
dit ook wel categoriële classificatie genoemd. Hierbij hoort ook het begrip differentiële diagnose of
differentiaaldiagnose. Dit betekent dat je bij de beoordeling of iemand als lid van een bepaalde
klassen kan worden beschouwd, het van belang is om ook na te gaan of het lid van een andere
klassen daarmee onwaarschijnlijk is geworden. Naast de indeling in afzonderlijke klassen bestaan er
indelingen die uitgaan van een glijdende schaal, oftewel dimensie. Bij een dimensionele classificatie
bepaalt de mate waarin iemand een klacht vertoont, de plaats die hij in het classificatiesysteem krijgt
toegekend.
2. Monothetische en polythetische classificatie
Bij een monothetische classificatie hebben de leden van een klasse een of meer specifieke
kenmerken met elkaar gemeen; die kenmerken zij de voorwaarde voor het klassenlidmaatschap.
Polythetische classificatie houdt in dat de leden van een klasse een groot aantal kenmerken
gemeenschappelijk hebben, maar dat ze niet noodzakelijk een specifiek kenmerk hoeven te delen.
3. Symptomen tegenover pathogene mechanismen
Psychische stoornissen kunnen worden beschreven in termen van symptomen. Het betreft dan een
beschrijving van de symptomen die ‘aan de buitenkant’ waarneembaar zijn of die de cliënt
rapporteert. De wijze van classificeren wordt descriptieve of beschrijvende classificatie genoemd.
Als een client erg passief is, moeilijk beslissingen kan nemen, een sombere stemming heeft en vrijwel
elke nacht slecht slaapt, kan een clinicus op grond van deze waarneembare en gerapporteerde
symptomen besluiten de problematiek van de cliënt in te delen in een categorie. Een andere indeling
is die op basis van pathogene mechanismen, ook wel structurele diagnostiek genoemd. Stoornissen
worden in dat geval ingedeeld op grond van de processen die de symptomen zouden veroorzaken.
4. Hiërarchische en nevenschikkende classificatie
De verhouding tussen de klassen is een ander punt waarop classificatiesystemen zich van elkaar
onderscheiden. In sommige systemen hebben de klassen allemaal dezelfde rang; nevenschikkend.
Maar er zijn ook systemen waarin sommige klassen belangrijker zijn dan de andere; er is dan sprake
van een hiërarchie van klassen.
3
Hoofdstuk 1 – Over klinische psychologie en ‘abnormaal’ gedrag
1.1 Het terrein van de klinische psychologie
Er bestaan 5 basisdisciplines: En 3 Toepassingsgerichte disciplines
1. De psychologische functieleer 1. Klinische- en gezondheidspsychologie
2. De ontwikkelingspsychologie 2. Arbeids- en organisatiepsychologie
3. De gedragsleer 3. Onderwijspsychologie
4. De persoonlijkheidspsychologie
5. Methodenleer
De klinische psychologie houdt zich bezig met het ontstaan, voortbestaan en
behandelmogelijkheden voor psychische stoornissen. In de Amerikaanse cultuur wordt gesproken
van abnormal psychology.
Afwijkingen van de norm kunnen betrekking hebben op verschillende aspecten van het menselijk
functioneren. Het kan gaan om aspecten van de
1) Individuele persoon
Daarbij kan sprake zijn van afwijkend gedrag, afwijkende gedachten en van afwijkende
belevingen. Deze afwijkingen kunnen afzonderlijk optreden, maar in veel gevallen is er
sprake van een combinatie van deze drie soorten afwijkingen. Dit is vrij normaal omdat
gedrag, gedachten en gevoelens vaak samenhangen (dwanggedachten -> angst -> overmatig
drinken)
2) Relaties met andere mensen
Een moeder kan overbezorgd zijn om haar kind, een man kan extreem agressief zijn tegen
zijn vrouw, een student kan zich overmatig onttrekken aan contacten met medestudenten.
Deze afwijkingen hebben vaak invloed op de gedachten en belevingen binnen het individu.
1.2 Aspecten van ‘abnormaal’ gedrag
Seligman, Walker en Rosenhan (2001) onderscheiden 7 factoren die bepalen of gedrag als
abnormaal of pathologisch wordt beschouwd.
1. Persoonlijk lijden (geen voldoende voorwaarde voor pathologie)
2. De (dis)functionaliteit van het gedrag
3. Irrationeel en onbegrijpelijk gedrag
4. Onvoorspelbaarheid en controle verlies
5. Opvallend en onconventioneel gedrag
6. Gedrag dat een ongemakkelijk gevoel bij anderen teweegbrengt
7. Het overtreden van morele normen
Een psychische stoornis is een syndroom, gekenmerkt door klinisch significante symptomen op het
gebied van de cognitieve functies, de emotieregulatie of het gedrag van een persoon, dat een uiting
is van een disfunctie in de psychologische, biologische of ontwikkelingsprocessen die ten grondslag
liggen aan het psychische functioneren .
1
,Om te voorkomen dat de definitie van mentale stoornissen een instrument zou worden voor sociale
repressie, zijn er drie uitsluitende omstandigheden geformuleerd:
1) Te verwachten en cultureel aanvaarde reacties
2) Deviant gedrag
3) Afwijkend gedrag moet niet voortkomen uit een persoonlijk conflict tussen het individu en de
maatschappij
1.3 Normaal en abnormaal: waar ligt de grens?
Er zijn verschillende modellen die uitspraken mogelijk maken over het onderscheid tussen
normaal en abnormaal gedrag, namelijk het statistisch model, het medisch of ziektemodel en het
leer- of onderwijsmodel.
Het statistisch model
Dit model beantwoordt de vraag tussen normaal en abnormaal
gedrag. Het uitgangspunt voor dit model zijn menselijke
eigenschappen min of meer normaal verdeeld. Er wordt dan van
abnormaliteit gesproken bij extreem lage of extreem hoge scores.
Binnen dit model heeft ‘abnormaal’ uitsluitend een statische
betekenis.
Nadelen: grens is onduidelijk, niet alles normaal verdeeld,
individueel lijden niet meegenomen
Het medisch model
Veel klinische psychologen en psychiaters nemen aan dat de oorzaken van psychische
stoornissen moeten worden gezocht in onderliggende mechanismen. Deze mechanismen kunnen
somatogeen of psychogeen zijn. Met somatogeen wordt bedoeld dat een lichamelijke
aandoening aan de psychische stoornis ten grondslag ligt. Een voorbeeld hiervan is de
syfilisinfectie.
Het begrip psychogeen houdt in dat aan een stoornis een psychologisch mechanisme ten
grondslag ligt. Bijvoorbeeld een psychose die ontstaat door neurologische defecten, of door
dementie wat die ontstaat door de uitval van hersencellen.
Nadelen: client in afhankelijke rol, niet voor alle stoornissen is een oorzaak, labelling-theorie
Leer- of onderwijsmodel
Als alternatief voor het medisch model bepleiten verschillende auteurs een leer- en
onderwijsmodel. Dat pleidooi geldt met name voor stoornissen waaraan geen duidelijke
organische oorzaken ten grondslag liggen (stoornissen ontstaan door verkeerd gelopen
leerprocessen). Net als in het medisch model zijn er in het onderwijsmodel twee partijen. Bij het
medisch model waren dat de therapeut en de patiënt. In het onderwijs model zijn dat de leraar
en de leerling. In dit model is dan ook het woord therapie vervangen voor ‘uitvoering van een
onderwijsprogramma’.
2
, Hoofdstuk 9 – Classificatie
9.1 Wat is classificeren?
Bij het classificeren gaat het om ordenen van menselijke gedragingen, ervaringen, belevingen of
eigenschappen, en niet om het in hokjes plaatsen van mensen. Een groep symptomen die vaak
gezamenlijk voorkomen, worden aangeduid als een syndroom of een stoornis, bijvoorbeeld een
depressieve stoornis.
Verschijnselen kunnen op verschillende manieren in klassen worden ingedeeld;
1) Categoriale en dimensionele classificatie
2) Het onderscheid tussen monothetische en polythetische classificatie
3) Het onderscheid tussen classificatie op grond van symptomen en op grond van pathogene
mechanismen
4) Het onderscheid tussen hiërarchische en nevenschikkende classificatie
1. Categoriale en dimensionele classificatie
Een indeling in afzonderlijke categorieën die duidelijk van elkaar zijn afgegrensd anders gezegd wordt
dit ook wel categoriële classificatie genoemd. Hierbij hoort ook het begrip differentiële diagnose of
differentiaaldiagnose. Dit betekent dat je bij de beoordeling of iemand als lid van een bepaalde
klassen kan worden beschouwd, het van belang is om ook na te gaan of het lid van een andere
klassen daarmee onwaarschijnlijk is geworden. Naast de indeling in afzonderlijke klassen bestaan er
indelingen die uitgaan van een glijdende schaal, oftewel dimensie. Bij een dimensionele classificatie
bepaalt de mate waarin iemand een klacht vertoont, de plaats die hij in het classificatiesysteem krijgt
toegekend.
2. Monothetische en polythetische classificatie
Bij een monothetische classificatie hebben de leden van een klasse een of meer specifieke
kenmerken met elkaar gemeen; die kenmerken zij de voorwaarde voor het klassenlidmaatschap.
Polythetische classificatie houdt in dat de leden van een klasse een groot aantal kenmerken
gemeenschappelijk hebben, maar dat ze niet noodzakelijk een specifiek kenmerk hoeven te delen.
3. Symptomen tegenover pathogene mechanismen
Psychische stoornissen kunnen worden beschreven in termen van symptomen. Het betreft dan een
beschrijving van de symptomen die ‘aan de buitenkant’ waarneembaar zijn of die de cliënt
rapporteert. De wijze van classificeren wordt descriptieve of beschrijvende classificatie genoemd.
Als een client erg passief is, moeilijk beslissingen kan nemen, een sombere stemming heeft en vrijwel
elke nacht slecht slaapt, kan een clinicus op grond van deze waarneembare en gerapporteerde
symptomen besluiten de problematiek van de cliënt in te delen in een categorie. Een andere indeling
is die op basis van pathogene mechanismen, ook wel structurele diagnostiek genoemd. Stoornissen
worden in dat geval ingedeeld op grond van de processen die de symptomen zouden veroorzaken.
4. Hiërarchische en nevenschikkende classificatie
De verhouding tussen de klassen is een ander punt waarop classificatiesystemen zich van elkaar
onderscheiden. In sommige systemen hebben de klassen allemaal dezelfde rang; nevenschikkend.
Maar er zijn ook systemen waarin sommige klassen belangrijker zijn dan de andere; er is dan sprake
van een hiërarchie van klassen.
3