STATISTIEK III: UNIVARIATE DATA-ANALYSE
WAT VOORAF GING …
• Statistiek I: meetschalen en beschrijvende statistiek
1. Ordeningstechnieken (tabellen en figuren)
2. Reductietechnieken (statistische grootheden: positie, spreading, vorm)
3. Associatietechnieken (spreidingsdiagram, contingentietabellen, correlatie)
• Statistiek II: kansrekening en inferentiële statistiek
4. Kansrekening: studie van toeval
5. Steekproevenverdeling (sampling distribution)
6. Inleiding tot inferentie (betrouwbaarheidsinterval, overschrijdingskans, significantietoetsen)
• Statistiek III: univariate data-analyse
INDUCTIEVE STATISTIEK
Je vertrekt van een populatie, trekt een steekproef, en maakt een terugkoppeling van steekproef naar populatie
Bv. Steekproefgemiddelde = 50, wat zegt dit over de volledie populatie?
2 soorten van inductieve technieken:
SCHATTEN – Betrouwbaarheidintervallen (BI) TOETSEN – Significantie toetsen
Bv. Wanneer je een steekproefgemiddelde hebt genomen Bv. Nagaan of het verschil tussen het waargenomen
ga je kijken of die in het BI valt, dit illustreert hoe ver die gemiddelde en hypothese onwaarschijnlijk is.
kan afwijken van het populatiegemiddelde.
9 Als het verschil tussen schatter en waarneming
groot genoeg is nemen we de nulhypothese aan
als ‘waar’.
,Illustratie: steekproevenverdeling SAT
⇒ We gaan er vanuit dat we de populatiespreiding kennen en het populatiegemiddelde niet.
9 We gaan het populatiegemiddelde benaderen a.d.h.v. het steekproevengemiddelde
⇒ Wanneer we steekproeven gaan trekken uit de populatie gaan we telkens iets anders uitkomen met een andere
variabiliteit, en dus kunnen wij wel ruw voorspellen/schatten hoe al deze steekproeftrekkingen zich gaan spreiden
rond het populatiegemiddelde.
9 Benadert een normaalverdeling:
1 steekproef
*
𝑥̅
9 𝜇 is onbekend MAAR 𝑥̅ uit eigen onderzoek met steekproef kennen wel wel.
9 Als 𝑥̅ binnen het geel vlak (BI) valt, zijn we ‘safe’.
*In 95% van alle mogelijke steekproeven ligt 𝜇 niet meer dan 9 punten onder OF boven het steekproevengemiddelde!
= lievelingsbeeld van de prof:
theoretisch de échte steekproevenverdeling.
⇒ We zijn namelijk alleen zeker van de vorm, we weten niet waar in het
assenstelsel die zich situeert.
$
Gedrag van de betrouwbaarheid: BI voor 𝜇 = %𝑥̅ ± 𝑧!/# ∙ )
√&
9 Klein BI impliceert: hoge betrouwbaarheid
= kleine foutenmarge
• grote steekproef
• lager betrouwbaarheidsniveau (meestal 95%, maar ook 90% of 99%, …)
• kleinere 𝜎
2
,SIGNIFICANTIETOETS IN 4 STAPPEN
(1) Formuleren van hypothese; nulhypothese en alternatieve hypothese
→ Wordt meestal gedaan om twee groepen te vergelijken (waarbij we meestal hopen op een verschil tussen
de groepen, en de nulhypothese zegt dat er geen verschil is)
(2) Bepaal de waarde van de toetsingsgrootheid
(3) Bepaal de overschrijdingskans p voor de toetsingsgrootheid (theoretisch vs. resampling)
(4) Formuleer de conclusie (volgens APA)
SAMENVATTING:
(1) Formuleer 𝐻! en 𝐻"
(2) Bepaal de waarde van de toetsingsgrootheid
(3) Bepaal de overschrijdingskans p voor de toetsingsgrootheid
(4) Formuleer de conclusie (APA-stijl)
KLASSIEKE AANPAK…
Experiment met 40 patiënten:
• 20 patiënten nieuw medicijn: (minstens) 15 genezen
• 20 patiënten placebo: 10 genezen
⇒ Vraag: Kan dit resultaat op toeval berusten?
9 Onderzoek steekproevenverdeling voor 𝐻!
9 Vaststelling voorleggen aan toeval
𝐻! = er is geen verschil tussen de placebo-groep en de experimentele groep
Kansrekenen: schatter van fractie successen in de placebo-groep
#$%&&'$$'( *( $+'',-./'0 2 3!
⇒ 𝑝̂ = $+'',-./'01.//++'
= ( = 4! = 0.50
9 Binomiaalverdeling B(20; 0.50) = B(n, p)
Recap binomiaalverdeling: binomiale situatie; hoe vaak een bepaalde situatie (uitkomst: succes of verlies) voorkomt
in opeenvolgende onafhankelijke pogingen van toevalsproces.
Bv. Hoe vaak zal ik kop gooien als ik 10x een muntje opgooi?
→ In deze casus: hoeveel patiënten zullen genezen als ik 20 van de 40 het nieuwe medicijn toedien (genezen = succes).
9 VOORWAARDEN binomiale situatie:
B (1) Elke waarneming valt in ½ categorieën (bi)
O (2) Waarnemingen zijn onafhankelijk
A (3) Er is een vast aantal waarnemingen
S (4) Kans op succes is voor elke waarneming dezelfde
Binomiaalverdeling B(20; 0.50) → steekproevenverdeling die zou waar zijn indien de nulhypothese klopt. Hoe groot
is de kans in deze binomiaalverdeling dat je door puur toeval 75% genezing zou vinden? → 15 van de 20
𝑃[𝑋 ≥ 15] = 𝑃[𝑋 = 15] + 𝑃[𝑋 = 16] + ⋯ + 𝑃[𝑋 = 20]
𝑃[𝑋 ≥ 15] = 0,1479 + 0,00462 + 0,00109 + 0,00018 + 0,00002 + 0
𝑃[𝑋 ≥ 15] = 0,02069
De kans dat 75% van de patiënten puur door toeval geneest is klein.
3
, 9 Drempelwaarde voor toeval ⇒ d = 5%
DUS: 2% zorgt ervoor dat we de 𝐻! verwerpen
Benadering met normaalverdeling:
np ≥ 10 en n(1 – p) ≥ 10 is net voldaan…
𝜇2 = np = 10 𝜎2 = <𝑛𝑝(1 − 𝑝) = 2,236
35,783!
z= = 2,01 𝑃[𝑧 ≥ 2,01] = 0,0222
4,49:
15000
Andere aanpak: resampling (bootstrap)
10000
⇒ 100 000 steekproeven met teruglegging uit placebo steekproef met 10 ziek / 10 genezen
37!7;55<;3!<;3:;7
5000
3!! !!!
= 0,02084 ≈ 2% → significant verschil
0
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
20 116 480 1490 3732 7522 12067 16011 17456 15942 11990 7388 3700 1505 449 109 16 5
CRUCIALE VRAGEN BIJ SIGNIFICANTIETOETSEN
• Hypothesetoets: “Hoe groot is de kans dat het resultaat van mijn onderzoek tot stand zou zijn gekomen indien
de nulhypothese waar zou zijn?”
• Onderscheidingsvermogen: “Hoe groot is de kans dat het resultaat van mijn onderzoek tot stand zou zijn
gekomen indien de nulhypotjese NIET waar zou zijn?”
→ Wat indien het verschil met de nulhypothese xxx zou bedragen, levert dat dan een significante toets op?
DOEL: indien de waarde die we aan het meten zijn met onze 𝐻! , als die een bepaalde grootte heeft, dan wil ik die
kunnen detecteren.
9 We willen ons hele onderzoek zodanig gaan opzetten dat indien het verschil de moeite waard is, dan moet
mijn statistisch resultaat dat kunnen detecteren ⇒ opgave
= onderscheidingsvermogen/power
ONDERSCHEIDINGSVERMOGEN (POWER)
In welke mate is onze statistische test in staat om een bepaald onderscheid te detecteren?
Conclusies gebaseerd op een significantietoets kunnen Waarheid over de populatie
ook foutief zijn. Er zijn 2 soorten fouten:
𝐻! correct 𝐻! foutief (⇒ 𝐻" )
Conclusies o.b.v. Niet kunnen verwerpen 𝐻! Correcte conclusie Type II fout (𝜷)
steekproef Verwerpen 𝐻! Type I fout (𝜶) Correcte conclusie (power)
• Type II fout = false negative (tegen zwangere vrouw zeggen dat ze niet zwanger is)
Type II fout = onterecht foute 𝐻! niet verwerpen (je mist een echt effect dat er wel is)
• Type I fout = false positive (tegen man zeggen dat hij zwanger is)
Type I fout = onterecht juiste 𝐻! verwerpen (je concludeert dat er een effect is, terwijl dat er eigenlijk niet is)
4