lOMoARcPSD|60861374
Inhoud
SOCIALE PSYCHOLOGIE.............................................................................................3
1. SOCIALE WAARNEMING....................................................................................3
1.2.2. SPONTANTE BEELDVORMING.................................................................3
COGNITIEVE SCHEMA’S.....................................................................................4
KEUZE..............................................................................................................10
SITUATIE..........................................................................................................10
GEVOLGEN......................................................................................................10
CONSENSUS....................................................................................................10
DISTINCTIVITEIT..............................................................................................11
CONSITENTIE...................................................................................................11
VOORBEELD....................................................................................................11
DE FUNDAMENTELE ATTRIBUTIEFOUT...........................................................12
DE ACTOR-OBSERVATOR ATTRIBUTIEFOUT....................................................12
FYSIEKE GELIJKENISSEN..................................................................................14
PERSOONLIJKHEIDS-EN GEDRAGSKENMERKEN.............................................14
ATTITUDES EN WAARDEN...............................................................................15
INTERESSES EN VOORKEUREN........................................................................15
2. GROEPSPERCEPTIE..........................................................................................16
2.3.1 Houding tegenover de in-group.............................................................20
2.3.2 Houding tegenover de out-group..........................................................20
ADER EN TATUM.............................................................................................24
4. ATTITUDES.......................................................................................................30
4.1 RICHTING EN INTENSITEIT........................................................................30
4.3 HOE ONTSTAAN ATTITUDES......................................................................31
4.4 BEÏNVLOEDING VAN ATTITUDE.................................................................33
4.5 ATTITUDE EN GEDRAG..............................................................................35
5 GROEPSNORMEN.............................................................................................39
5.1 REGELS, NORMEN EN WAARDEN.............................................................39
5.2 ONTSTAAN VAN GROEPSNORMEN...........................................................40
6.1 AFFILIATIE..................................................................................................46
ONDERZOEKEN...............................................................................................48
ONDERZOEK MADY SEGAL..............................................................................49
ZAJONC'S AANBIEDINGSEFFECT.....................................................................49
BELANGRIJKE VRAAG VOOR PRAKTIJKGERICHT ORTHOPEDAGOGEN............50
KOSTEN-BATEN ANALYSE................................................................................54
, lOMoARcPSD|60861374
OPENHEID.......................................................................................................55
STAP 1.............................................................................................................65
STAP 2.............................................................................................................65
STAP 3.............................................................................................................65
STAP 4.............................................................................................................65
STAP 5.............................................................................................................66
INWERKENDE FACTOREN................................................................................66
WAARDE..........................................................................................................71
ONZEKERHEID.................................................................................................71
PASSIEVE VERMIJDING....................................................................................73
ACTIEVE VERMIJDING.....................................................................................73
, lOMoARcPSD|608613
SOCIALE PSYCHOLOGIE
1. SOCIALE WAARNEMING
1.1. HOE VORMEN WE EEN BEELD VAN MENSEN?
- Bewuste en onbewuste processen zorgen ervoor dat mensen snel een beeld van iemand vormen en
dit beïnvloedt de verdere interacties tussen mensen
- Hoe mensen reageren op iemand hangt immers af van het beeld dat iemand van die persoon heeft
- Wanneer we iemand voor de eerste keer zien -> wordt er spontaan een beeld geactiveerd over de
groep waartoe die persoon behoort
- De stereotypen over die groep dragen dus bij aan de eerste indruk over die persoon
1.2. DE EERSTE INDRUK
- Percept -> een zintuigelijke waarneming zonder dat je daar moeite voor moet doen
- Concept-> de uitwerking van het percept.
- Wordt verder uitgewerkt in het concept
1.2.1. WAAROP BASEREN WE ONS VOOR DE EERSTE INDRUK?
- We baseren onze eerste indruk vooral op het visuele, het zichtbare
- Dit visueel aspect omvat drie grote blokken
o Uiterlijk
o Lichaamstaal
o Gedrag
- Uiterlijk -> het eerste wat iemand van een persoon waarneemt ( huidskleur, haarkleur,… )
- Waar we spontaan eerst op letten is leeftijd, geslacht en huidskleur
De theorie van Mehrabian
- 7-38-55 regel
- Een boodschap wordt
o 7 procent wordt bepaald door de woorden
o 38 procent wordt bepaald door de toon
o 55 procent wordt bepaald door de lichaamstaal
- De regel klopt enkel wanneer de boodschap ambigu is, namelijk wanneer de intonatie, de manier
waarop een boodschap gebracht wordt, en de inhoud van de boodschap elkaar tegenspreken.
- bv -> je krijgt een cadeau en je vertelt ‘ ik ben er heel blij mee ‘ terwijl je ziet aan de lichaamstaal dat
het niet klopt
1.2.2. SPONTANTE BEELDVORMING
- De mens vormt zich vrij snel een beeld van een persoon op basis van weinig gegevens.
- Bijvoorbeeld -> wanneer je op school iemand ziet lopen met een paars-wit lint over de schouder
gedrapeerd, dan roept dit mogelijks bij velen een idee op ‘dit is een sociaal iemand die houdt van
feesten en fuiven
- De evaluatie van onze waarneming gebeurt automatisch
O Zonder dat het de bedoeling is
O Zonder dat je je er noodzakelijk van bewust bent
O Zonder dat het aandacht vergt
O Zonder dat je het tegen kunt houden
, lOMoARcPSD|60861374
- Onze spontane beeldvorming gebeurt in onze hersenen aan de hand van onze cognitieve schema’s
COGNITIEVE SCHEMA’S
- Menselijke, innerlijke structuren over de wijze waarop bepaalde zaken of gebeurtenissen
samenhangen
- Door ervaring op te doen -> leren we dat bepaalde dingen samen voorkomen of op elkaar volgen
- Deze ervaringen vormen de basis van een cognitief schema
- Ervaringen ->
o Dingen die we zelf meemaken
o Dingen die we gezien hebben
o Dingen die we gehoord hebben
- Wat we waarnemen ordenen we op de ene of andere manier zodat het voor ons logisch overkomt
- Bv -> we zien iemand met een paars lint dus zit in een studentenvereniging en feest graag
o We zien enkel een lint
o De rest van de informatie vullen we zelf in met al dan niet de juiste informatie uit ons
cognitief schema.
- Voordeel cognitieve schema’s ->
O Als mens gaan we sneller reageren op prikkels
o Het maakt het gemakkelijker en minder vermoeiend om met de vele prikkels rond ons om te
gaan
Psychologe Roos Vonk
Cognitieve schema’s hebben drie functies
1. Ze dienen als schijnwerper
- Ze zorgen ervoor dat onze aandacht naar de juiste zaken gaat
Bv -> Als er een agent voor je staat, dan zorgt het schema ervoor dat het uniform een reactie uitlok
- Onze schema’s duwen onze aandacht in de ( voor ons ) meest relevante richting
2. Gatenvuller
- We vullen met cognitieve schema’s ontbrekende informatie in
Bv -> iemand is verlaten door zijn partner -> we vullen in hoe deze persoon zich voelt
3. Gedragswijzer
- Door de informatie gelinkt aan hetgeen wat we zien en invullen weten we hoe we ons moeten
gedragen
o Schema’s zorgen ervoor dat we niet lang moeten nadenken over ons gedrag
o Bv -> Je kan denken dat ‘mensen met een bakfiets waarschijnlijk milieuvriendelijke mensen
zijn met jonge kinderen.’ Dus wanneer ze mij de weg versperren, zal ik veeleer vriendelijk
glimlachen
- Deze schema’s hebben ook een aantal gevaren en nadelen
- Cognitieve schema’s leiden tot stereotypering (die mensen zijn zo, die zijn zo, … )
Inhoud
SOCIALE PSYCHOLOGIE.............................................................................................3
1. SOCIALE WAARNEMING....................................................................................3
1.2.2. SPONTANTE BEELDVORMING.................................................................3
COGNITIEVE SCHEMA’S.....................................................................................4
KEUZE..............................................................................................................10
SITUATIE..........................................................................................................10
GEVOLGEN......................................................................................................10
CONSENSUS....................................................................................................10
DISTINCTIVITEIT..............................................................................................11
CONSITENTIE...................................................................................................11
VOORBEELD....................................................................................................11
DE FUNDAMENTELE ATTRIBUTIEFOUT...........................................................12
DE ACTOR-OBSERVATOR ATTRIBUTIEFOUT....................................................12
FYSIEKE GELIJKENISSEN..................................................................................14
PERSOONLIJKHEIDS-EN GEDRAGSKENMERKEN.............................................14
ATTITUDES EN WAARDEN...............................................................................15
INTERESSES EN VOORKEUREN........................................................................15
2. GROEPSPERCEPTIE..........................................................................................16
2.3.1 Houding tegenover de in-group.............................................................20
2.3.2 Houding tegenover de out-group..........................................................20
ADER EN TATUM.............................................................................................24
4. ATTITUDES.......................................................................................................30
4.1 RICHTING EN INTENSITEIT........................................................................30
4.3 HOE ONTSTAAN ATTITUDES......................................................................31
4.4 BEÏNVLOEDING VAN ATTITUDE.................................................................33
4.5 ATTITUDE EN GEDRAG..............................................................................35
5 GROEPSNORMEN.............................................................................................39
5.1 REGELS, NORMEN EN WAARDEN.............................................................39
5.2 ONTSTAAN VAN GROEPSNORMEN...........................................................40
6.1 AFFILIATIE..................................................................................................46
ONDERZOEKEN...............................................................................................48
ONDERZOEK MADY SEGAL..............................................................................49
ZAJONC'S AANBIEDINGSEFFECT.....................................................................49
BELANGRIJKE VRAAG VOOR PRAKTIJKGERICHT ORTHOPEDAGOGEN............50
KOSTEN-BATEN ANALYSE................................................................................54
, lOMoARcPSD|60861374
OPENHEID.......................................................................................................55
STAP 1.............................................................................................................65
STAP 2.............................................................................................................65
STAP 3.............................................................................................................65
STAP 4.............................................................................................................65
STAP 5.............................................................................................................66
INWERKENDE FACTOREN................................................................................66
WAARDE..........................................................................................................71
ONZEKERHEID.................................................................................................71
PASSIEVE VERMIJDING....................................................................................73
ACTIEVE VERMIJDING.....................................................................................73
, lOMoARcPSD|608613
SOCIALE PSYCHOLOGIE
1. SOCIALE WAARNEMING
1.1. HOE VORMEN WE EEN BEELD VAN MENSEN?
- Bewuste en onbewuste processen zorgen ervoor dat mensen snel een beeld van iemand vormen en
dit beïnvloedt de verdere interacties tussen mensen
- Hoe mensen reageren op iemand hangt immers af van het beeld dat iemand van die persoon heeft
- Wanneer we iemand voor de eerste keer zien -> wordt er spontaan een beeld geactiveerd over de
groep waartoe die persoon behoort
- De stereotypen over die groep dragen dus bij aan de eerste indruk over die persoon
1.2. DE EERSTE INDRUK
- Percept -> een zintuigelijke waarneming zonder dat je daar moeite voor moet doen
- Concept-> de uitwerking van het percept.
- Wordt verder uitgewerkt in het concept
1.2.1. WAAROP BASEREN WE ONS VOOR DE EERSTE INDRUK?
- We baseren onze eerste indruk vooral op het visuele, het zichtbare
- Dit visueel aspect omvat drie grote blokken
o Uiterlijk
o Lichaamstaal
o Gedrag
- Uiterlijk -> het eerste wat iemand van een persoon waarneemt ( huidskleur, haarkleur,… )
- Waar we spontaan eerst op letten is leeftijd, geslacht en huidskleur
De theorie van Mehrabian
- 7-38-55 regel
- Een boodschap wordt
o 7 procent wordt bepaald door de woorden
o 38 procent wordt bepaald door de toon
o 55 procent wordt bepaald door de lichaamstaal
- De regel klopt enkel wanneer de boodschap ambigu is, namelijk wanneer de intonatie, de manier
waarop een boodschap gebracht wordt, en de inhoud van de boodschap elkaar tegenspreken.
- bv -> je krijgt een cadeau en je vertelt ‘ ik ben er heel blij mee ‘ terwijl je ziet aan de lichaamstaal dat
het niet klopt
1.2.2. SPONTANTE BEELDVORMING
- De mens vormt zich vrij snel een beeld van een persoon op basis van weinig gegevens.
- Bijvoorbeeld -> wanneer je op school iemand ziet lopen met een paars-wit lint over de schouder
gedrapeerd, dan roept dit mogelijks bij velen een idee op ‘dit is een sociaal iemand die houdt van
feesten en fuiven
- De evaluatie van onze waarneming gebeurt automatisch
O Zonder dat het de bedoeling is
O Zonder dat je je er noodzakelijk van bewust bent
O Zonder dat het aandacht vergt
O Zonder dat je het tegen kunt houden
, lOMoARcPSD|60861374
- Onze spontane beeldvorming gebeurt in onze hersenen aan de hand van onze cognitieve schema’s
COGNITIEVE SCHEMA’S
- Menselijke, innerlijke structuren over de wijze waarop bepaalde zaken of gebeurtenissen
samenhangen
- Door ervaring op te doen -> leren we dat bepaalde dingen samen voorkomen of op elkaar volgen
- Deze ervaringen vormen de basis van een cognitief schema
- Ervaringen ->
o Dingen die we zelf meemaken
o Dingen die we gezien hebben
o Dingen die we gehoord hebben
- Wat we waarnemen ordenen we op de ene of andere manier zodat het voor ons logisch overkomt
- Bv -> we zien iemand met een paars lint dus zit in een studentenvereniging en feest graag
o We zien enkel een lint
o De rest van de informatie vullen we zelf in met al dan niet de juiste informatie uit ons
cognitief schema.
- Voordeel cognitieve schema’s ->
O Als mens gaan we sneller reageren op prikkels
o Het maakt het gemakkelijker en minder vermoeiend om met de vele prikkels rond ons om te
gaan
Psychologe Roos Vonk
Cognitieve schema’s hebben drie functies
1. Ze dienen als schijnwerper
- Ze zorgen ervoor dat onze aandacht naar de juiste zaken gaat
Bv -> Als er een agent voor je staat, dan zorgt het schema ervoor dat het uniform een reactie uitlok
- Onze schema’s duwen onze aandacht in de ( voor ons ) meest relevante richting
2. Gatenvuller
- We vullen met cognitieve schema’s ontbrekende informatie in
Bv -> iemand is verlaten door zijn partner -> we vullen in hoe deze persoon zich voelt
3. Gedragswijzer
- Door de informatie gelinkt aan hetgeen wat we zien en invullen weten we hoe we ons moeten
gedragen
o Schema’s zorgen ervoor dat we niet lang moeten nadenken over ons gedrag
o Bv -> Je kan denken dat ‘mensen met een bakfiets waarschijnlijk milieuvriendelijke mensen
zijn met jonge kinderen.’ Dus wanneer ze mij de weg versperren, zal ik veeleer vriendelijk
glimlachen
- Deze schema’s hebben ook een aantal gevaren en nadelen
- Cognitieve schema’s leiden tot stereotypering (die mensen zijn zo, die zijn zo, … )