Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 6 van de 154 pagina's
Samenvatting

Volledige Samenvatting Diagnostiek - Literatuur + Hoorcolleges + Tentamencasus met Flashcards - Tentamenklaar! Studiejaar 2025/2026

Document preview thumbnail
Voorbeeld 6 van de 154 pagina's

Alle stof (hoorcolleges, literatuur, uitleg over de tentamencasus) samengevat in deze samenvatting! Het bevat uitgebreide volledige stof van het vak Diagnostiek POW op de UvA. Studiejaar 2025/2026. De samenvatting bestaat uit complete samenvoeging van hoorcolleges, boeken: nieuwste versie van handboek Begeer, 2024 en handboek Verschueren en Koomen, oefenvragen van canvas, de artikelen, uitleg over de tentamencasus met voorbeelden/letterlijke zinnen die je op je tentamen moet gebruiken,en tips van docent voor tentamen - Puntsgewijze structuur, tabellen en plaatjes voor duidelijke weergave. De link naar de Flashcards staat achterin het document! Succes met leren! Cijfer Meerkeuzevragen: 7,5 + Cijfer Casus: 9

Voorbeeld van de inhoud

,College 1a

Handboek Begeer – H1 – De plaats van diagnostiek binnen het Hulpverleningsproces

• Psychodiagnostisch onderzoek
Het vindt plaats binnen een proces waarbij hulp wordt gezocht voor klachten van of zorgen over een
kind. De relatie tussen hulpverlener en het kind en zijn/haar ouders is belangrijk voor het
hulpverleningsproces.
• Therapeutische alliantie
De mate waarin de hulpverlener weet aan te sluiten bij de hulpvraag en hier een gezamenlijk proces
van weet te maken.
• Diagnostiek
Diangosis = onderscheiding. Het op systematische wijze informatie verzamelen, ordenen en wegen
ter onderbouwing van de volgende stap in het hulpverleningsproces. De situatie wordt valide en
betrouwbaar in beeld gebracht en worden mogelijke verklaringen voor het ontstaan en voortbestaan
van de klachten en/of zorgen getoetst. Vervolgens worden passende keuzes gemaakt ten aanzien
van de behandelmogelijkheden, deze ook te evalueren om te kijken of er de gewenste effecten zijn.
Ontwikkelingsgerichte kennis is belangrijk net als de relationele context op de ontwikkeling van
kinderen.
• De functie van Diagnostiek
- Diagnostiek is één van de kerntaken van de orthopedagoog
- De basis voor behandeling/begeleiding/ondersteuning
- NVO: beroepsvereniging waar orthopedagogen in Nederland ondervallen. De NVO checkt of je
aan bepaalde eisen voldoet (bijv. opleidingseisen), maar je laat ook zien dat je handelt en
kwaliteit laat zien als orthopedagoog (beroepscode).
• Onderscheid - Psychodiagnostiek en Diagnostiek
- Psychodiagnostiek: ‘psycho’ legt de nadruk op het individu. Wat is er met deze persoon aan de
hand en wat zegt dat over de ontwikkeling die hij of zij doormaakt.
- Diagnostiek betekent niet alleen dat je vaststelt wat er met een kind aan de hand is. Is er ADHD
of sprake van een depressie? Het is veel breder, je kijkt welke risicofactoren, welke
beschermingsfactoren er spelen. Is niet altijd sprake van iets wat in een stoornis te vangen is.
Diagnostiek is heel breed: een classificatie of als uitspraak, diagnostisch onderzoek en/of als
hulpverlening of het de praktijk of de leer. Diagnostiek: vanaf het moment dat je met een
cliëntsysteem in aanraking komt tot het moment dat je ze loslaat.

Diagnostisch Proces
• Diagnostische beschrijvingen en verklaringen en de daarbij gebruikte instrumenten dienen
betrouwbaar en valide te zijn.
- Betrouwbaar: ze dienen zo onafhankelijk mogelijk te zijn van de onderzoeker of het
specifieke moment van onderzoek.
- Valide: de instrumenten dienen datgene te meten wat ze beogen te meten.
• Omvat alle fasen die worden doorlopen in een diagnostisch proces
• Er zijn normatieve modellen of procedures die voorschrijven welke stappen hierbij in welke volgorde
moeten worden genomen (van aanmelding tot advies).
- Regulatieve cyclus, empirische cyclus, NVO-richtlijnen. Deze doorlopen alle orthopedagogen.
• Je doet als diagnosticus niet zomaar iets, je volgt een vaststaande procedure die navolgbaar is voor
cliënten en collega’s. Bij verschillende diagnostica moet dit controleerbaar en herhaalbaar zijn.
• Diagnostisch proces: heb je kennis nodig van theorie, kennis van psychometrie (hoe onderzoek je
het), kennis van instrumenten.
• Als orthopedagoog ben je een onpartijdige gesprekspartner met kennis
van zaken (dialoog), doe je diagnostisch onderzoek en bied je hulp,
ga je een professionele relatie aan door aan te sluiten bij de client.

, • Het proces verloopt volgens de stappen van de empirische cyclus (de Groot, 1961)
- 1. Observatie: het verzamelen van gegevens (vragenlijsten afnemen, observaties,
gesprekken)
- 2. Inductie: het formuleren van hypothesen op basis van de waarnemingen
het kind heeft beperkte intelligentie
- 3a. Deductie: het afleiden van toetsbare voorspellingen uit die hypothesen
Bij een intelligentiescreeningstest zal blijken dat het IQ onder de 85 ligt
- 3b. Operationalisering: bij iedere voorspelling worden nu adequate onderzoeksmiddelen
gezocht om de voorspelingen toetsbaar te maken
- 4. Toetsing: Het onderzoeksplan wordt uitgevoerd, de hypothesen worden getoetst met de
gekozen instrumenten
Bij de screening van de intelligentie (met een non-verbale test) blijkt het IQ op gemiddeld
niveau te liggen)
- 5. Evaluatie: het terugkoppelen van de uitkomsten van het onderzoek naar de hypothesen:
kunnen zij de toetsing doorstaan en worden ze geaccepteerd of worden ze verworpen?

Kwaliteitsbewaking
• Voor de testleer, theorieën en concepten en de meetinstrumenten gebruiken we:
COTAN-commissie, die houden de nieuwe testen bij en beoordelen deze.
• Voor het diagnostisch proces: gebruiken we de NVO-richtlijnen.
• Diagnostisch proces: Je hebt kennis nodig van theorie, kennis van psychometrie (hoe onderzoek je
het), kennis van instrumenten.
- Kennis van Meetinstrumenten
- Meetinstrumenten: Als orthopedagoog kennis nodig over middelen om iets te weten te
komen over een conditie binnen een persoon en of diens omgeving
(Observatietechnieken, vragenlijsten, interviews en testen)
- Centrale begrippen: items, vragen, opdrachten, schaalconstructie.
- Middelen om kenmerken of gedragingen van een persoon weer te geven in een getal en
te kunnen interpreteren, zodat we kunnen bepalen of bepaalde condities wel of niet
aanwezig zijn.
- Kennis van psychometrie en statistiek
- Deze kennis heb je nodig om het juiste instrument te kiezen, te hanteren en de resultaten
correct te interpreteren. Daarvoor hebben orthopedagogen kennis nodig van
psychometrie (de leer van het meten)
- Centrale begrippen: betrouwbaarheid, validiteit, normering, scoreverdeling
- Pas als we iets weten over de verdeling van kenmerken in een populatie en hoe we die
kunnen vaststellen bij één persoon kunnen we aangeven of de score van die persoon
afwijkend of problematisch is.
- Kennis van theorieën en concepten
- Een orthopedagoog werkt vanuit theorieën over individuele verschillen tussen personen en
omgevingen en over de ontwikkeling van personen.
- Kijken wat allemaal mogelijke oorzaken zouden kunnen zijn die bij de symptomen horen. Je
hebt dus kennis nodig van relevante theorieën en constructen.
- Moet kunnen denken over kenmerken, gedragingen, belevingen, wisselwerking
- Geven ons een handvatten voor relevantie condities die van invloed kunnen zijn binnen een
persoon of vanuit de omgeving.

De Regulatieve Cyclus
Psychodiagnostiek betekent ook de start van een hulpverleningsproces dat als doel heeft bij te dragen aan
een gewenste verandering in het leven van een kind. Dit proces is de regulatieve cyclus. Iedere fase heeft
eigen diagnostische vragen en type onderzoek om beslissingen te onderbouwen.
• Probleemherkenning: Vaststellen van het probleem via screening. Onderzoek is breed en
verkennend. De opbouw van de therapeutische alliantie start hier. Op welke gebieden zijn er
problemen en op welke gebieden zijn er beschermende factoren/hulpbronnen? Grote
onzekerheidsmarges bij instrumenten.
• Probleemdefiniëring: Onderzoeken van oorzaken door hypothesen te toetsen. Onzekerheidsmarges
moeten zo klein mogelijk. Meer specifieke instrumenten en meer disciplines betrokken.
Casusconceptualisatie.

, • Kiezen van de interventie: Bepalen van haalbare en effectieve interventies via literatuur en overleg.
Dit plan is afhankelijk van leeftijd, ontwikkelingsniveau kind en contextfactoren. Resultaat fase
bestaat uit interventieplan met prioritering van doelen, middelen, keuze van setting/intensiteit.
• Planning: Logistiek van interventieplan (wie doet wat in de interventiefase).
• Uitvoering: Interventieplan wordt uitgevoerd. Heeft de interventie effect en zijn er neveneffecten?
Monitoren van implementatie en voortgang. Er vindt terugkoppeling plaats naar alle voorgaande
fases. Eindigt met besluit dat interventieplan uitgevoerd is, voldoende resultaat is bereikt of gestopt
moet worden wegens onuitvoerbaarheid.
• Eindevaluatie: het onderzoek naar het effect dat bereikt is, naar tevredenheid van het kind, de
ouders en andere betrokkenen daarover, moment van reflectie over hele proces.




Begrippen
• Diagnostiek: het op systematische wijze informatie verzamelen, ordenen en wegen ter
onderbouwing van de volgende stap in het hulpverleningsproces.
• Screening: een eerste, niet diepgravend onderzoek van een hulpvraag die een globale
oordeelsvorming mogelijk maakt m.b.t. de aanwezige problemen en beschermende factoren en de
aard en ernst van de situatie en de achtergronden van de hulpvraag.
• Assessment: het vaststellen of meten van de onderscheidende kenmerken van het individu en zijn
of haar situatie (in het Engels soms gebruikt als equivalent van diagnostiek).
• Classificatie: het onderbrengen van individuele kenmerken bij een algemeen bekend beeld, zonder
uitspraken te doen over oorzaken of indicaties van hulp.

, • Monitoring: onderzoek tijdens het uitvoeren van een interventie om het verloop en de resultaten
daarvan in beeld te brengen ten behoeve van eventuele bijsturing.
• Gericht onderzoek: Het toetsen van hypothesen ten behoeve van een specifieke vraag
• Evaluatie: onderzoek om effect van een interventie te bepalen (in het Engels soms gebruikt als
equivalent van diagnostiek).

Perspectieven op de regulatieve cyclus
• Handelingsgerichtheid: diagnostiek en behandeling is liefst
‘zo kort als mogelijk en zo uitgebreid als nodig’. Dit geldt ook voor de behandeling.
• Methodisch werken en kwaliteit: de hulpverlener gaat methodisch te werk. Op systematische wijze
aanstekingen over proces en uitkomsten bijhouden en bouwt zo een dossier op. Je moet je handelen
kunnen verantwoorden (wetenschappelijk onderbouwd,
niet de buurvrouw). Je schrijft het zo op dat collega’s ook
wat van de stappen kunnen vinden.
• Algemene, context specifieke of specifieke werkzame
factoren - zie abeelding hiernaast

Therapeutische alliantie
• De relatie tussen kind/gezin en hulpverlener (ook wel
werkrelatie of therapeutische alliantie). Dit bepaalt
voor 30-45% de effectiviteit van de hulpverlening.
• De relatie is tijdelijk, doelgericht en gepland
MAAR ook persoonlijk. Er moet gerekend kunnen worden
op discretie en deskundigheid, respect empathie en betrokkenheid.
• Distantie: zonder oordeel. Dit stelt de hulpverlener in staat objectief te reageren. Nabijheid is
essentieel voor het afstemmen op de hulpvrager. Is er een balans tussen aftand-nabijheid relatie =
belangrijk voor therapeutische alliantie.
• Samenwerken, humor, deadlines en doelen stellen, aandacht aan culturele waarden versterkt dit

Cultuur binnen psychodiagnostiek – Intercultureel competent
• Cultuur is van invloed op de wijze waarop het kind. En de ouders over hun zorgen communiceren en
wat zij verwachten van een hulpverlener. Culturele diversiteit uit zich op verschillende niveaus:
- Tastbare zaken (zoals kleding);
- Waarden (bijv. gezag voor oudere mensen);
- Normen (bijv. wie geef je een hand);
- Minder zichtbare basiswaarden waarvan men meestal niet bewust is (bijv. de mate waarin
een individu zich verbonden voelt met zijn groep).
• Kennis van culturen helpt te voorkomen dat klachten zorgen en de beleving daarvan verkeerd
worden geïnterpreteerd. Sensitiviteit, kennis en bijv. terughoudendheid bij meetinstrumenten.
• Onderscheid in dimensies van culturen. Ze kunnen verschillen in machtsafstand, masculiniteit.
Collectivistische cultuur, waardering plezier en genot, gerichtheid op lange termijn etc. Hierdoor
kunnen culturele wederzijdse misverstanden ontstaan
- Laagcontext culturen:
de context van de mededelingen doet er niet zo toe, de boodschap is expliciet,
gestructureerd en de letterlijke betekenis is van belang. Er is eerst aandacht voor de kern,
daarna voor de bijzaken. Er hoort ook een grote persoonlijke ruimte, individualisme en een
monochrome tijdsopvatting ‘tijd is geld’.
- Hoogcontext culturen:
uitspraken zijn vaker figuurlijk bedoeld, hangt de betekenis sterk samen met de context en
de gebaren die daarbij gemaakt worden en werkt men vanuit die context toe naar de kern.
Een goed gesprek is belangrijker dan op tijd komen voor je afspraak, raak je elkaar
makkelijker aan en is er veel aandacht voor de juiste vorm.
• Binnen culturen vindt er ook diversiteit plaats, ook is er diversiteit in de positie die mensen innemen
ten opzichte van de cultuur (meer of minder verbonden met de cultuur waarin je geboren bent)

, Juridische Verantwoordelijkheden
• In de hulpverlening bestaan regels om betrokkenen duidelijkheid te geven over rechten en plichten
(informed consent en beroepsgeheim – informatie de je krijgt is vertrouwelijk en mag niet zomaar
gedeeld worden) De meldcode bestaat voor wanneer je je zorgen maakt om de veiligheid.
• Uitgangspunt: beide ouders (met gezag) moeten in principe toestemming verlenen voor diagnostiek
en hulpverlening tot 12 maar bij een kind van 12 tot 16 jaar is diens stem doorslaggevend en vanaf
16 jaar is alleen de stem van de jongere voldoende. Je wil de ouder vaak ook wel betrekken.
• Toestemming via school of instelling geldt alleen als ouders expliciet toestemming hebben gegeven
en ouders dus geïnformeerd zijn.
• Goed hulpverlenerschap en belang van het kind staat voorop.
• Tot de 16-jarige leeftijd kan het kind de inzage van de ouders in het dossier niet blokkeren.
• Belofte dat je niets achter de rug van het kind omdoet kan wel gemaakt worden maar niet dat
anderen niets te horen krijgen over wat het kind verteld.




Aanvullingen van Hoorcollege 1a zijn in de tekst verwerkt

Inhoudsopgave

  1. 01 College 1a 2
  2. 02 Handboek Begeer – H1 – De plaats van diagnostiek binnen het Hulpverleningsproces 2
  3. 03 • Psychodiagnostisch onderzoek 2
  4. 04 Het vindt plaats binnen een proces waarbij hulp wordt gezocht voor klachten van of zorgen over een kind. De relatie tussen hulpverlener en het kind en zijn/haar ouders is belangrijk voor het hulpverleningsproces. 2
  5. 05 • Therapeutische alliantie 2
  6. 06 De mate waarin de hulpverlener weet aan te sluiten bij de hulpvraag en hier een gezamenlijk proces van weet te maken. 2
  7. 07 • Diagnostiek 2
  8. 08 Diangosis = onderscheiding. Het op systematische wijze informatie verzamelen, ordenen en wegen ter onderbouwing van de volgende stap in het hulpverleningsproces. De situatie wordt valide en betrouwbaar in beeld gebracht en worden mogelijke verklaringe... 2
  9. 09 • De functie van Diagnostiek 2
  10. 10 Diagnostisch Proces 2
  11. 11 • Diagnostische beschrijvingen en verklaringen en de daarbij gebruikte instrumenten dienen betrouwbaar en valide te zijn. 2
  12. 12 - Betrouwbaar: ze dienen zo onafhankelijk mogelijk te zijn van de onderzoeker of het specifieke moment van onderzoek. 2
  13. 13 - Valide: de instrumenten dienen datgene te meten wat ze beogen te meten. 2
  14. 14 • Het proces verloopt volgens de stappen van de empirische cyclus (de Groot, 1961) 3
  15. 15 • Voor het diagnostisch proces: gebruiken we de NVO-richtlijnen. 3
  16. 16 - Kennis van Meetinstrumenten 3
  17. 17 De Regulatieve Cyclus Psychodiagnostiek betekent ook de start van een hulpverleningsproces dat als doel heeft bij te dragen aan een gewenste verandering in het leven van een kind. Dit proces is de regulatieve cyclus. Iedere fase heeft eigen diagnostis... 3
  18. 18 • Probleemherkenning: Vaststellen van het probleem via screening. Onderzoek is breed en verkennend. De opbouw van de therapeutische alliantie start hier. Op welke gebieden zijn er problemen en op welke gebieden zijn er beschermende factoren/hulpbronne... 3
  19. 19 • Probleemdefiniëring: Onderzoeken van oorzaken door hypothesen te toetsen. Onzekerheidsmarges moeten zo klein mogelijk. Meer specifieke instrumenten en meer disciplines betrokken. Casusconceptualisatie. 3
  20. 20 • Kiezen van de interventie: Bepalen van haalbare en effectieve interventies via literatuur en overleg. Dit plan is afhankelijk van leeftijd, ontwikkelingsniveau kind en contextfactoren. Resultaat fase bestaat uit interventieplan met prioritering van ... 4
  21. 21 • Planning: Logistiek van interventieplan (wie doet wat in de interventiefase). 4
  22. 22 • Uitvoering: Interventieplan wordt uitgevoerd. Heeft de interventie effect en zijn er neveneffecten? Monitoren van implementatie en voortgang. Er vindt terugkoppeling plaats naar alle voorgaande fases. Eindigt met besluit dat interventieplan uitgevoe... 4
  23. 23 • Eindevaluatie: het onderzoek naar het effect dat bereikt is, naar tevredenheid van het kind, de ouders en andere betrokkenen daarover, moment van reflectie over hele proces. 4
  24. 24 Begrippen 4
  25. 25 • Diagnostiek: het op systematische wijze informatie verzamelen, ordenen en wegen ter onderbouwing van de volgende stap in het hulpverleningsproces. 4
  26. 26 • Screening: een eerste, niet diepgravend onderzoek van een hulpvraag die een globale oordeelsvorming mogelijk maakt m.b.t. de aanwezige problemen en beschermende factoren en de aard en ernst van de situatie en de achtergronden van de hulpvraag. 4
  27. 27 • Assessment: het vaststellen of meten van de onderscheidende kenmerken van het individu en zijn of haar situatie (in het Engels soms gebruikt als equivalent van diagnostiek). 4
  28. 28 • Classificatie: het onderbrengen van individuele kenmerken bij een algemeen bekend beeld, zonder uitspraken te doen over oorzaken of indicaties van hulp. 4
  29. 29 • Monitoring: onderzoek tijdens het uitvoeren van een interventie om het verloop en de resultaten daarvan in beeld te brengen ten behoeve van eventuele bijsturing. 5
  30. 30 • Gericht onderzoek: Het toetsen van hypothesen ten behoeve van een specifieke vraag 5
  31. 31 • Evaluatie: onderzoek om effect van een interventie te bepalen (in het Engels soms gebruikt als equivalent van diagnostiek). 5
  32. 32 Perspectieven op de regulatieve cyclus 5
  33. 33 • Handelingsgerichtheid: diagnostiek en behandeling is liefst ‘zo kort als mogelijk en zo uitgebreid als nodig’. Dit geldt ook voor de behandeling. 5
  34. 34 • Methodisch werken en kwaliteit: de hulpverlener gaat methodisch te werk. Op systematische wijze aanstekingen over proces en uitkomsten bijhouden en bouwt zo een dossier op. Je moet je handelen kunnen verantwoorden (wetenschappelijk onderbouwd, niet ... 5
  35. 35 • Algemene, context specifieke of specifieke werkzame factoren - zie abeelding hiernaast 5
  36. 36 Therapeutische alliantie 5
  37. 37 • De relatie tussen kind/gezin en hulpverlener (ook wel werkrelatie of therapeutische alliantie). Dit bepaalt voor 30-45% de effectiviteit van de hulpverlening. 5
  38. 38 • De relatie is tijdelijk, doelgericht en gepland MAAR ook persoonlijk. Er moet gerekend kunnen worden op discretie en deskundigheid, respect empathie en betrokkenheid. 5
  39. 39 • Distantie: zonder oordeel. Dit stelt de hulpverlener in staat objectief te reageren. Nabijheid is essentieel voor het afstemmen op de hulpvrager. Is er een balans tussen aftand-nabijheid relatie = belangrijk voor therapeutische alliantie. 5
  40. 40 • Samenwerken, humor, deadlines en doelen stellen, aandacht aan culturele waarden versterkt dit 5
  41. 41 - Tastbare zaken (zoals kleding); 5
  42. 42 - Waarden (bijv. gezag voor oudere mensen); 5
  43. 43 - Normen (bijv. wie geef je een hand); 5
  44. 44 - Minder zichtbare basiswaarden waarvan men meestal niet bewust is (bijv. de mate waarin een individu zich verbonden voelt met zijn groep). 5
  45. 45 • Kennis van culturen helpt te voorkomen dat klachten zorgen en de beleving daarvan verkeerd worden geïnterpreteerd. Sensitiviteit, kennis en bijv. terughoudendheid bij meetinstrumenten. 5
  46. 46 • Onderscheid in dimensies van culturen. Ze kunnen verschillen in machtsafstand, masculiniteit. Collectivistische cultuur, waardering plezier en genot, gerichtheid op lange termijn etc. Hierdoor kunnen culturele wederzijdse misverstanden ontstaan 5
  47. 47 - Laagcontext culturen: de context van de mededelingen doet er niet zo toe, de boodschap is expliciet, gestructureerd en de letterlijke betekenis is van belang. Er is eerst aandacht voor de kern, daarna voor de bijzaken. Er hoort ook een grote persoo... 5
  48. 48 - Hoogcontext culturen: uitspraken zijn vaker figuurlijk bedoeld, hangt de betekenis sterk samen met de context en de gebaren die daarbij gemaakt worden en werkt men vanuit die context toe naar de kern. Een goed gesprek is belangrijker dan op tijd ko... 5
  49. 49 • Binnen culturen vindt er ook diversiteit plaats, ook is er diversiteit in de positie die mensen innemen ten opzichte van de cultuur (meer of minder verbonden met de cultuur waarin je geboren bent) 5
  50. 50 Juridische Verantwoordelijkheden 6
  51. 51 • Uitgangspunt: beide ouders (met gezag) moeten in principe toestemming verlenen voor diagnostiek en hulpverlening tot 12 maar bij een kind van 12 tot 16 jaar is diens stem doorslaggevend en vanaf 16 jaar is alleen de stem van de jongere voldoende. Je... 6
  52. 52 • Toestemming via school of instelling geldt alleen als ouders expliciet toestemming hebben gegeven en ouders dus geïnformeerd zijn. 6
  53. 53 • Goed hulpverlenerschap en belang van het kind staat voorop. 6
  54. 54 • Tot de 16-jarige leeftijd kan het kind de inzage van de ouders in het dossier niet blokkeren. 6
  55. 55 • Belofte dat je niets achter de rug van het kind omdoet kan wel gemaakt worden maar niet dat anderen niets te horen krijgen over wat het kind verteld. 6
  56. 56 Handboek V&K – Hoofdstuk 1 – Diagnostisch proces in het onderwijs 7
  57. 57 College 1b 12
  58. 58 Handboek Begeer – H2 – Theoretische aspecten van de psychodiagnostiek 12
  59. 59 NVO-richtlijnen – Inleiding 14
  60. 60 • De beroepsvereniging gebruikt een klinisch registratiesysteem om de kwaliteit van het werk van orthopedagogen te bewaken en te verbeteren. In dit systeem zijn diagnostiek en behandeling geïntegreerd in één traject. Deze richtlijn laat zien hoe die i... 14
  61. 61 • Het eerste deel van het document beschrijft uitgangspunten en eisen. Het tweede deel beschrijft de fasen van het hulpverleningsproces. 15
  62. 62 • De richtlijn helpt bij het beschrijven van het volledige hulpverleningstraject binnen één casus. Het doel van de casusbeschrijving is het verantwoorden van keuzes, beslissingen en stappen tijdens hulpverlening. Daarbij moet zichtbaar zijn 15
  63. 63 o De theoretische basis 15
  64. 64 o De conclusies 15
  65. 65 o De gevolgen daarvan voor het verdere hulpverleningsproces 15
  66. 66 Aanvulling - Hoorcollege 1b 16
  67. 67 1. Koomen en Pameijer (Verschueren & Koomen H1) geven aan dat begeleidingsgerichte diagnostiek vaak niet als apart type onderscheiden wordt naast verklarende diagnostiek. Waarom is het toch zinvol om begeleidingsgerichte diagnostiek los te koppelen va... 21
  68. 68 - Omdat soms het functioneren verbeterd kan worden, zonder zicht op de oorzaak van problemen. 21
  69. 69 College 2a 22
  70. 70 Handboek Begeer – H3 – Praktische aspecten van psychodiagnostiek 22
  71. 71 Aanvulling Hoorcollege 2a Terugblik - HC 1 24
  72. 72 Handboek Begeer – H4 – Psychodiagnostisch Interview met Ouders/Kind/Adolescenten 30
  73. 73 Handboek Begeer – H5 – Systematische gedragsobservatie onderdeel psychodiagnostiek 33
  74. 74 Handboek Begeer – H7 – Individueel testonderzoek bij kinderen 35
  75. 75 Aanvulling Hoorcollege 2b 41
  76. 76 1. Om meer zicht te krijgen op de woedeaanvallen van Zeynep vraagt de orthopedagoog aan moeder om elke dag net na het ontbijt, de lunch en het avondeten te noteren of Zeynep tijdens het betreffende eetmoment wel of niet een woedeaanval had. Dit is een... 46
  77. 77 - Time Sampling 46
  78. 78 Handboek Begeer – H6 – Achtergrond/gebruik vragenlijst emotionele/gedragsproblemen 47
  79. 79 Aanvulling Hoorcollege 3a Terugblik - HC 2b 50
  80. 80 • Als X leert te werken met een gevoelsthermometer en beter leert aangeven wanneer hij boosheid voelt opkomen, zal de onvoorspelbaarheid van de driftbuien van X afnemen (cluster 4a) voor de leerkrachten. 50
  81. 81 o Cluster: onvoorspelbaarheid van de driftbuiten van X afnemen 50
  82. 82 o Conditie: leert te werken met een gevoelsthermometer, beter leert aangeven wanneer hij boosheid voelt opkomen. 50
  83. 83 o Verband: als… dan – dus het is een veranderingsgerichte hypothese. 50
  84. 84 • Door de afwezigheid van sport/lichaamsbeweging in het leven van X, mist zij een uitlaatklep voor haar somberheid en negatieve gedachten (cluster 4). Als X elke dag 10 minuten wandelt, verbetert haar stemming (cluster 4). 50
  85. 85 o Cluster: voor haar somberheid en negatieve gedachten 50
  86. 86 o Conditie: de afwezigheid van sport/lichaamsbeweging, een uitlaatklep 50
  87. 87 o Verband: Door… (verklarende hypothese) EN 50
  88. 88 o Cluster: haar stemming 50
  89. 89 o Conditie: elke dag 10 min. wandelen 50
  90. 90 o Verband: als…dan... (veranderingsgerichte hypothese) 50
  91. 91 Er zijn hier dus 2 onderzoekshypothesen. 50
  92. 92 • De verhoogde alertheid, het lage tempo en het aandachttekort van X (cluster 2a & 2c) zijn mede ontstaan door een kritische en afwijzende houding met negatief affect van moeder richting X. 51
  93. 93 o Cluster: De verhoogde alertheid, het lage tempo en het aandachttekort van X 51
  94. 94 o Conditie: een kritische en afwijzende houding met negatief affect van moeder richting X 51
  95. 95 o Verband: zijn mede ontstaan door (verklarende hypothese) Voorbeeld van de drie onderzoekshypothesen (die zijn kort) 51
  96. 96 Er is sprake van een kritische houding van moeder richting X 51
  97. 97 Er is sprake van een negatief affect van moeder richting X 51
  98. 98 Er is sprake van een afwijzende houding richting X 51
  99. 99 Welk instrument kies je (NJI) 51
  100. 100 • De geschiktheid van het instrument voor de doelgroep en het doel 51
  101. 101 • De psychometrische kwaliteit van het instrument. Is het betrouwbaar? Is het valide, dus meet het wat het zegt te meten? Is het recent en daardoor passend? 51
  102. 102 • De praktische hanteerbaarheid van het instrument. Is het instrument efficiënt en gemakkelijk te hanteren? Staan de kosten in verhouding tot de gebruiksmogelijkheden? Is er een duidelijke handleiding? 51
  103. 103 • Normen maken het mogelijk om te bepalen óf en in welke mate het gedrag van het onderzochte kind afwijkt van dat van de normgroep. 51
  104. 104 • Wat is een adequate normering? 51
  105. 105 o Representatieve normgroep 51
  106. 106 o Vergelijkbaar met kind dat je onderzoekt qua… 51
  107. 107 o Leeftijd 51
  108. 108 o Geslacht 51
  109. 109 o Groep: bv algemene populatie of klinische groep (groep die dezelfde kenmerken heeft als waar je in de vragenlijst naar opzoek bent, stel vragenlijst screent op aandacht = klinische groep is de groep met hoge scores op aandachtsproblemen) De keuze vo... 51
  110. 110 • Grote normgroep (voldoende omvang) 200+ per relevante subgroep, 400+ bij belangrijke beslissingen (>300 voldoende) 51
  111. 111 • Verschillende typen normen horen bij verschillende typen scores. 51
  112. 112 Betrouwbaarheid 51
  113. 113 Validiteit 52
  114. 114 • Meet de test wat je zou willen meten? 52
  115. 115 • Kom je met een vergelijkbare test tot dezelfde conclusie? 52
  116. 116 • Begripsvaliditeit: meet de test wat het beoogt te meten? 52
  117. 117 o Theoretische structuur aantonen met factoranalyses 52
  118. 118 o Testscore vergelijken met scores op meetinstrumenten met dezelfde meetpretentie 52
  119. 119 • Criteriumvaliditeit: kan ik leunen op de uitslag van een test? Kan ik op basis van de resultaten van de test uitspraak doen over hoe een kind zich gedraagt in een andere situatie (school, thuis) 52
  120. 120 o Testscore als voorspeller van gedrag buiten de testsituatie 52
  121. 121 o Testscore als voorspeller van extern criterium (observatie, interview) 52
  122. 122 o Sensitiviteit: Hoe goed wordt de stoornis opgespoord met de vragenlijst? 52
  123. 123 o Specificiteit: Hoe goed wordt het niet aanwezig zijn van de stoornis bepaald? 52
  124. 124 Kijk in de handleidingen van instrumenten naar specificiteit en sensitiviteit 52
  125. 125 Type informatie/scores 52
  126. 126 Handboek Begeer – H16 – Diagnostiek van het kind binnen het gezin 57
  127. 127 • Alleen diagnostiek van het kind te midden van en in relatie tot anderen helpt om goed te begrijpen wat er op dit moment aan de hand is, hoe situatie mogelijk is ontstaan en wat er nodig is om beter verder te kunnen. 57
  128. 128 • Transactioneel ontwikkelingsmodel: het functioneren van een kind is nooit afhankelijk van alleen het kind of alleen zijn ervaringen. De ontwikkeling van het kind wordt gezien als een continu proces van interactie tussen kind en de ervaringen van het... 57
  129. 129 o Doordat de diagnosticus verschillende factoren die een rol spelen binnen de ouder-kind interactie in een gezin inzichtelijk maakt voor ouders, kan hij helpen om het probleemgedrag te laten zien als onderdeel van interactieve keten. 57
  130. 130 o Volgens dit model is nooit één factor of een individu de oorzaak van de ontstane problemen. Het is de verandering in de dynamiek die ontstaat door een of meerdere factoren die een patroon kan veroorzaken waarin problemen bij het kind de ouders of in... 57
  131. 131 Ouder-kindrelatie als basis voor ontwikkeling (Leesstof, Geen Leerstof) 57
  132. 132 • Voor een gezonde ontwikkeling van een kind is het belangrijk dat een kind binnen de ouder-kindrelatie voldoende vertrouwen ontwikkelt in zichzelf en de mensen om hem heen. In de eerste levensjaren ontwikkelt zich de relatie tussen ouder en kind het ... 57
  133. 133 • Cirkel van veiligheid: In een gezonde ontwikkeling kan het kind de opvoer gebruiken als een veilige basis om vol vertrouwen de wereld te gaan ontdekken, wetende dat de ouder er ook is als het even mis gaat. 57
  134. 134 • In situaties waarin het kind structureel minder basisvertrouwen ontwikkelt in de gehechtheidinteracties ontstaat er onveilige gehechtheid. Dit kan leiden tot gehechtheidspatronen. Bij ontwikkelen hiervan spelen zowel ouderfactoren als kindfactoren m... 57
  135. 135 o Vermijdende gehechtheid: kinderen laten weinig gehechtheidsgedrag zien richting de ouder. De ouder is voor het kind geen veilige haven, kind laat zelfstandig gedrag zien. Onderliggende ontwikkelingsstoornis als ASS is bijv. risicofactor, ook ouder t... 57
  136. 136 o Ambivalente gehechtheid: Kind laat juist veel gehechtheidsgedrag zien met als doel ouder bij zich te houden. Kind is door wisselend en inconsistent gedrag van de ouder onzeker over wat het mag verwachten van ouder. Kind kan moeite met separatie vert... 57
  137. 137 o Gedesorganiseerde gehechtheid: verstoring van de hechtingsrelatie tussen ouder en kind. Bijv. sprake van geweld of psychopathologie bij ouder. Het is voor kind lastig om grip te krijgen op het gedrag van de ouder en laat afwijkend en onvoorspelbaar ... 57
  138. 138 • Psychopathologie bij ouder: de aanwezigheid hiervan is een risico voor het ontstaan van onveiligheid binnen de ouder-kindrelatie. Ze zijn vaak minder in staat om zich adequaat af te stemmen op behoefte van het kind. 57
  139. 139 • De kwaliteit van de relatie heeft veel invloed op de ontwikkeling van het kind. Het leert ook vaardigheden in emotieregulatie (stressniveau blijft in de window of tolerance). 57
  140. 140 • Het doel binnen het begrijpen van de dynamiek tussen ouder kind is niet per se de gehechtheidrelatie definiëren maar om een indruk te krijgen van hoe ouder en kind omgaan met ontregeling en tot welk patroon zij geneigd zijn wanneer stress toeneemt. 57
  141. 141 Ontwikkelingsfasen, behoeften en match (Leesstof, Geen Leerstof) 57
  142. 142 • Binnen iedere fase van het kind staan andere ontwikkelingstaken centraal en zijn er uitdagingen die passen bij de fase van het kind. Kunnen ouders onvoldoende afstemmen op deze uitdagingen kan dit leiden tot psychische problematiek en disbalans dat ... 57
  143. 143 • Vier buffers die maken dat er niet altijd problemen ontstaan wanneer er sprake is van problematiek: solidaire gemeenschap, goede taakverdeling, kunnen reflecteren op eigen handelen en vooral om het hebben van goede ouder-ervaringen. 58
  144. 144 o Ontwikkelingsfase 0-2 jaar (baby-dreumes) 58
  145. 145 Belangrijkste taak: opbouwen van een veilige gehechtheidsrelatie met een of meer volwassenen. Wereld leren verkennen en vertrouwen op de ander. 58
  146. 146 Ouders: moeten sensitief en responsief reageren, daarvoor mentalliserend vermogen nodig. Mentaliseren is het actieve proces van begrijpen van gedrag van jezelf en de ander in relatie tot mentale toestanden zoals (gedachten, gevoelens, wensen, motivatie) 58
  147. 147 Normale problemen: regulatieproblemen (rondom huilen, slapen voeding, angst voor vreemden, scheidingsangst. Hier moeten ouders mee dealen. 58
  148. 148 o Ontwikkelingsfase 2-4 jaar (peuter) 58
  149. 149 Belangrijkste taken: Dit is de eerste autonomiefase, vermogen tot imitatie en taalontwikkeling komt op gang, samenspelen, aanpassen aan eisen van opvoeders. 58
  150. 150 Ouders: voor ouders geldt dat ze hetzelfde moeten doen als bij baby-dreumes fase. 58
  151. 151 Normale problemen: de angst voor vreemden, koppigheid, driftbuien, ongehoorzaamheid, druk gedrag en niet zindelijk zijn. 58
  152. 152 o Ontwikkelingsfase 4-12 jaar (basisschoolleeftijd) 58
  153. 153 Belangrijke taken: de autonomie en zelfredzaamheid kind neemt toe, vermogen om andermans perspectief te zien, ontwikkelen van empathie, werkhouding, doorzettingsvermogen, concentratievermogen. 58
  154. 154 Ouders: moeten kind positief aanmoedigen en waarderen. Ouders moeten wennen minder zicht hebben op kind en hun taak om gelegenheid te bieden voor omgang met leeftijdgenoten en verder stimuleren van autonomie onder toezicht. Trauma’s uit verleden kunne... 58
  155. 155 Normale problemen: ruziemaken, gepest worden, concentratieproblemen, lage (school)prestaties, niet naar school willen en incidenteel stelen/vandalisme. 58
  156. 156 o Ontwikkelingsfase 12-16 (vroege adolescentie) 58
  157. 157 Belangrijke taken: zelfstandiger worden, identiteitsontwikkeling, ontwikkelen van eigen normen en waarden, houding vormen ten opzichte van samenleving. 58
  158. 158 Ouders: kind ondersteunen, moet de mogelijkheid krijgen om te experimenteren met normen en waarden, het in contact blijven met kind is moeilijk, kinderen kunnen kwetsende dingen zeggen, maar ouders moeten rustig blijven en mentaliseren begrip hebben v... 58
  159. 159 o Ontwikkelingsfase 16-21 jaar (late adolescentie) 58
  160. 160 De identiteit ontwikkelt zich nog verder, meer besef krijgen van eigen gevoelens wensen en nadrukkelijker uiten hiervan, toenemende mate rekening houden met sociale en emotionele gevolgen van hun gedrag. Zelfbewuster worden, toleranter en flexibeler. 58
  161. 161 Ouder: de relatie tussen ouder en kind wordt gelijkwaardiger, hebben wel ondersteuning nodig maar controleren neemt af. Ouder moet kind ruimte geven om eigen keuzes en fouten te maken en te steunen zonder zich al te veel bemoeien. 58
  162. 162 Normale problemen: pessimisme over toekomst, ervaringen met grensoverschrijdend gedrag, twijfels over beroeps/studiekeuze. 58
  163. 163 Ontwikkeling van Ouderschap 58
  164. 164 • Hoe de ouder zichzelf en het leven tot dat moment meeneemt in de interactie met kind. Dit geeft diagnosticus aanknopingspunten over waarom het patroon dat Transactioneel te zien is, is ontstaan. 58
  165. 165 • De transactie naar het ouderschap wordt gezien als een van de grootste uitdagingen aan het begin van het huwelijk of partnerschap. Binnen ouder-relatie is het meer functioneel dan emotioneel wat in de partnerrelatie zo is. Goede balans in vinden. 58
  166. 166 • Motherhood constellation: Psychische reorganisatieproces begint tijdens de zwangerschap. In het proces van ouder worden, spelen vier thema’s een rol die ouders bezig kunnen houden. 58
  167. 167 o De primaire relatie (kan ik mij emotioneel hechten aan mijn baby, een relatie aangaan) een risicofactor is bijv. persoonlijkheidsproblematiek bij de ouder. 59
  168. 168 o De ondersteunende omgeving (kan ik de nodige steun creëren, kan ik toelaten dat mensen mij steen geven, kan mijn partner mij ondersteunen) risicofactoren zijn bijv. multiculturaliteit of migranten (vluchtelingen). 59
  169. 169 o De indentiteitsreorganisatie (Kan ik mijn identiteit aanpassen om al de functies en rollen te integreren) risicofactor op dit gebeid is bijvoorbeeld perfectionisme en dwang. 59
  170. 170 o Leven en groei (kan ik deze baby in leven houden, groeit mijn kind gezond op) Risicofactoren op dit gebied zijn bijvoorbeeld prematuriteit en eetproblemen. 59
  171. 171 • Fatherhood constellation: Naast de motherhood constellation wordt hier tegenwoordig ook vaker over gesproken. In dit proces twee belangrijke thema’s. 59
  172. 172 o De wens van de vader om de moeder en de baby te beschermen en te ondersteuning 59
  173. 173 o Betekenis geven aan wat vaderschap is, aan de hand van wat het in tegenstelling tot het moederschap allemaal niet is. 59
  174. 174 • Risicofactoren in de ontwikkeling van het ouderschap: de ouder neemt zijn eigen geschiedenis mee wat maakt dat de ontwikkeling van ouder worden voor beide ouders erg kan verschillen. Sprake van gehechtheidsproblemen en jeugdtrauma’s kunnen in het ou... 59
  175. 175 • Ouders als partners: Het emotioneel beschikbaar zijn voor je kind kan veel vragen van het incasseringsvermogen en frustratietolerantie van ouders, sterke partnerrelatie kan ondersteunen. Is dat niet zo kunnen ze ook minder emotioneel beschikbaar zij... 59
  176. 176 o Sociaal Economische Status: lager opleidingsniveau, jongere leeftijd, lager inkomen, kortere relatie vaak negatievere effecten op de relatie. Hoge SES meer negatieve effecten doordat zij inleveren op gebied van minder autonomie en vrijheid. 59
  177. 177 o Geslacht: vrouwen ervaren vaker meer negatief dan mannen. Heeft meer impact op hun leven (vaker deeltijd werken, zwanger zijn). 59
  178. 178 o Geplande/ongeplande zwangerschap: Ongeplande zwangerschappen hebben meer risico op negatief effect. 59
  179. 179 o Depressie: 10% van de moeders krijgt te maken met postnatale depressie, samenhangend met trauma tijdens de bevalling kan impact hebben op dagelijks leven van gezin. 59
  180. 180 o Eigenschappen van het kind: geslacht, voorspelbaarheid van ritme en de mate waarin baby huilt. 59
  181. 181 o Hechtingsrepresentaties van ouders: veilige hechting van de ouder vormt een buffer voor de ouder, ook beter in staat om te mentaliseren. 59
  182. 182 Interacties en patronen binnen het gezin 59
  183. 183 • De meeste gezinnen bestaan uit meer personen dan alleen een ouder en een kind (twee ouders, broertjes, zusjes, samengestelde gezinnen) 59
  184. 184 • Het is voor diagnosticus relevant om naar een bredere context te kijken dan alleen ouder-kindrelatie aangezien het gedrag van een kind ook functie kan hebben binnen een systeem en het symptoom kan zijn van onderliggend probleem. 59
  185. 185 • In een systeem (waarin meerdere personen in een groep relaties met elkaar aangaan) is er sprake van circulaire causaliteit: er is een voortdurende wisselwerking en wederzijdse beïnvloeding tussen de personen die deel uitmaken van het systeem. Het sy... 59
  186. 186 • Triade: manier om betrekkingen binnen een gezin inzichtelijk te maken door te tekenen. Er wordt in een oogopslag inzichtelijk welke positie de leden innemen en welke functies en rollen ze voor elkaar hebben. Zie het als eer soort driehoek bijv. Oude... 59
  187. 187 o Er wordt onderscheid gemaakt tussen evenwichtige (de vriend van mijn vriend is mijn vriend) en onevenwichtige triades (disbalans, een zit tussen twee vuren of vader en moeder hebben ruzie maar wel positieve relatie met kind – wordt goedgemaakt ontst... 59
  188. 188 o Triades die niet in evenwicht zijn, zullen streven naar evenwicht. De onderlinge verhoudingen staan onder druk en kunnen eenvoudig veranderen. 59
  189. 189 o Triades die wel in evenwicht zijn kunnen uit evenwicht gebracht worden. 59
  190. 190 Patronen 60
  191. 191 • Vanuit het langdurige bestaan van een evenwichtige triade kan een patroon vormen. Dit hoeft niet altijd naar ieders tevredenheid te zijn. 60
  192. 192 o Coalitievorming: patroon waarbij een er een stabiele relatie bestaat tussen ouder en kind tegen de andere ouder. Kan tot verwarring en onveiligheid leiden 60
  193. 193 o Triangulatie: patroon waarbij het kind zich onder druk gezet voelt te kiezen tussen dan weer de ene dan weer de andere ouder en het klem zit in de triade. Loyaliteitsconflict 60
  194. 194 o Omleiding: gezinspatroon waarbij door de ouders een front wordt gevorm tegenover een kind dat als enige als probleem wordt beschouwd. Kind is zondebok waarbij het de bliksemafleider is voor conflicten, ergernissen die er tussen ouders bestaan. Kind ... 60
  195. 195 o Parentificatie: gezinspatroon waarbij de ouder het kind ook tot ouder/partner maakt en het kind deze rol op zich neemt. Het kind kan binnen dit patroon bijv. door emotionele zorg voor de ouder over te nemen. Kan ontstaan door onmacht weinig grenzen ... 60
  196. 196 o Het loszandgezin: gezinspatroon waarin de gezinsleden geen hechte band met elkaar ervaren. De verschillende leden zijn in staat om samen te leven maar ervaren geen of geringe affectieve band en zijn nauwelijks betrokken bij elkaar. 60
  197. 197 o Het kluwengezin: tegenovergestelde van loszand. De betrokkenheid richting elkaar is extreem sterk. Iedereen buiten het gezin wordt gezien als vijand of bedreiging van het evenwicht in systeem. 60
  198. 198 De invloed van de bredere context: familie, omgeving, meegemaakte gebeurtenissen 60
  199. 199 • Al deze contexten hebben invloed op het functioneren van het gezin en het kind, er kunnen stressoren zijn in de omgeving die een specifieke dynamiek binnen gezin en kind uitlokken (minder veilige buurt, structurele financiële problemen) maar ook bes... 60
  200. 200 • Dit breder kijken wordt binnen de diagnostiek en hulpverlening vaak verbonden met het ecologisch perspectief van Bronfenbrenner. 60
  201. 201 • De diagnosticus verzamelt gericht informatie over wat er aan de hand is en waar mogelijkheden liggen om het beter te laten gaan, elementen die mogelijk relevant zijn voor problemen en verandering worden uitgezocht. 60
  202. 202 o Familie: Ieder gezin maakt deel uit van een groter familieverband. De wijze waarop familieleden buiten het kerngezin gezinsleden beïnvloeden kent vele lagen (veel wordt van generatie tot generatie overgedragen). In Nederland vinden we de moeder-kind... 60
  203. 203 o Het netwerk, de school, de buurt: De impact van het netwerk is vooral gelegen in potentiële steunbronnen of het ontbreken ervan. Dit kan gaan emotionele of praktische steun. De impact van de buurt waarin gezin woont is groot. Betere leefomstandighed... 60
  204. 204 o Maatschappij en cultuur: De directe omgeving van kind/gezin is ingebed in een bredere maatschappij en subcultuur/culturen. Welke invloed de subcultuur heeft hangt af van in hoeverre de dominante cultuur lijkt op subcultuur, toegankelijkheid van de m... 60
  205. 205 o Meegemaakte gebeurtenissen: Een groot deel van de mensen maakt in de kindertijd ingrijpende gebeurtenissen mee = ACE’s (adverse childhood experiences). Gaat om gebeurtenissen die als grensoverschrijdend en/of verlies worden ervaren en waar het kind ... 60
  206. 206 o Kind beschermen tegen negatieve impact risicofactoren: Door structureel effectieve opvoedingsstrategieën toe te passen fungeren ouders als een buffer voor de impact van ongunstige omstandigheden, beperkingen en belemmeringen in het functioneren. Dez... 60
  207. 207 Handboek V&K – Hoofdstuk 12 – Opvoeding en Gezin 62
  208. 208 Andere Conceptualiseringen v.d. ouder-kindrelatie 63
  209. 209 • Gehechtheidstheorie - Bowlby, sociaalecologische theorie - Bronfenbrenner, model over coërcieve gezinsprocessen - Patterson, kwetsbaarheid en veerkracht - Rutter. 63
  210. 210 • Transactionele theorie - Bell: deze beklemtonen dat ouders en kinderen elkaar wederzijds beïnvloeden over de tijd heen en dat de kwaliteit van de ouder-kindrelatie het product is van deze wederkerige transactie (bijv. het schools presteren van kinde... 63
  211. 211 • De rol van gen-omgevingsinteracties: de veronderstelling dat kinderen verschillen in hun reacties op omgeving naargelang hun genetische aanleg en dat ouderlijke opvoeding dus verschillende resultaten kan hebben naargelang deze erfelijke aanleg. Dit ... 63
  212. 212 o Diathesis-stress model: kinderen met een kwetsbare aanleg veronderstellen meer nadeel van een negatieve opvoeding dan kinderen zonder deze genetische kwetsbaarheid. 63
  213. 213 o Vantage-sensivity model: focust op de positieve kanten van de gevoeligheid voor de omgeving en stelt dat kinderen met bepaalde genetische aanleg meer profiteren van een positieve opvoedingsomgeving. 63
  214. 214 o Differential susceptibility model: stelt dat bepaalde genen kinderen meer gevolg maken voor de positieve effecten van een positieve opvoeding én voor de negatieve effecten van een negatieve opvoeding. 63
  215. 215 • Rol van cultuur: De aandacht hiervoor in opvoeding en ontwikkeling is toegenomen. Er zijn verschillen en gelijkenissen in opvoedingsgedrag en overtuigingen tussen ouders van verschillende herkomst. De effecten van opvoedingsgedrag op de ontwikkeling... 63
  216. 216 Gezin als Geheel 63
  217. 217 • Om vragen en problemen in de ontwikkeling/opvoeding goed te kunnen begrijpen kan het nodig zijn ze te situeren in de ruimere gezinscontext. Er kunnen drie theoretische benaderingen van het gezin als geheel worden onderscheiden 63
  218. 218 o Intergenerationele benadering: nadruk gelegd op verstoorde relaties tussen ouder en kinderen. Centraal staat ‘loyaliteit’. Problemen ontstaan als de balans van geven en nemen tussen ouders en kind verstoord is. Patronen (zoals bijv. mishandeling) ku... 63
  219. 219 o Structurele benadering: het accent ligt op structuur van interactiepatronen binnen een gezin. Centraal staat cohesie: de mate waarin de gezinsleden emotioneel aan elkaar zijn gevonden en waar elk gezinslid over autonomie beschikt. Vier typen gezinnen: 63
  220. 220 o Kluwengezinnen: te sterke cohesie 63
  221. 221 o Verbonden gezinnen: adequaat, eerder veel cohesie 63
  222. 222 o Onderscheidbare gezinnen: adequaat, eerder weinig cohesie 63
  223. 223 o Loszandgezinnen: te weinig cohesie 63
  224. 224 Centraals staat adaptie: vermogen van gezinssysteem om zijn machtsstructuur, rolverdelingen en regels aan te passen aan de omstandigheden. Vier typen gezinnen: 63
  225. 225 o Rigide gezinnen: te laag aanpassingsvermogen 63
  226. 226 o Gestructureerde gezinnen: adequaat, eerder laag aanpassingsvermogen 63
  227. 227 o Soepele gezinnen: adequaat, eerder hoog aanpassingsvermogen 63
  228. 228 o Chaotische gezinnen: te weinig structuur 63
  229. 229 o Strategische benadering: de focus ligt op de inhoud van de interactieprocessen. Centraal staat (disfunctionele) communicatie tussen ouders en kinderen. Voorbeeld van deze benadering is Coërciviteit/wederzijdse dwang - Patterson: kerngedachte is dat ... 63
  230. 230 Implicaties voor Diagnostiek 64
  231. 231 • Opvoedings- en gezinsfactoren kunnen een risico- of beschermingsrol vervullen ten aanzien van het (schools)functioneren van kinderen en jongeren 64
  232. 232 • Het is mogelijk dat ouders, in geval van leer- en gedragsproblemen op school, zich niet bewust zijn van de eigen mogelijke invloed. Denken dat het mogelijk alleen ligt aan kindfactoren, verkeerde aanpak school, realiseren niet dat zij zelf een betek... 64
  233. 233 • Parent Blaming: oppassen voor deze valkuil, ouders krijgen de schuld van gedrag kind. In elk afzonderlijk geval moeten de opvoedingsvaardigheden van ouders worden gezocht om de bijdrage aan problemen te kunnen bepalen. Oog hebben voor beschermende f... 64
  234. 234 • Leerlingen met etnische minderheidsgroepen en kansarme groepen: diagnostiek kan bij hen bijzonder delicaat zijn. Ouders kunnen zich extra bekritiseerd voelen, zijn minder vertrouwd in context van onderwijs, taalproblemen of sneller sociaal wenselijk... 64
  235. 235 • Onderzoeksfase: men zoekt naar antwoorden op geselecteerde onderzoeksvragen. Diverse middelen kunnen hiervoor worden gebruikt afhankelijk van de vraag. 64
  236. 236 • In de strategiefase dient bij de hypotheseformulering rekening te worden gehouden met de opvoeding en het gezin. 64
  237. 237 • Er zijn meerdere mogelijke informatiebronnen; de waarde van de onderzoeksbevindingen neemt toe naarmate ze meer consistent zijn over verschillende informatiebronnen heen (triangulatieprincipe) 64
  238. 238 • Weten wat er aan de hand is en wat er moet veranderen bij het kind, de ouders en het gezin leert nog niet uit hoe de begeleiding/hulpverlening er uit moet zien. Vertaalslag is nodig naar een advies wat wenselijk en haalbaar is: wat kunnen en willen ... 64
  239. 239 Aanvulling Hoorcollege 3b 64
  240. 240 Handboek V&K – H9 – Motivatie in de Klas 70
  241. 241 Inleiding 70
  242. 242 • Een beter diagnostisch inzicht in de drijfveren van het studiegedrag van leerlingen is belangrijk omdat studiemotivatie zowel het positieve als het negatieve schoolse functioneren voorspelt. 70
  243. 243 • Motivatie schenkt aandacht aan de drijfveren van het menselijk gedrag en de doelen die mensen nastreven. De intensiteit van de drijfveer/doel wordt onderscheiden van het type drijfveer/doel. 70
  244. 244 • Intensiteit van motivatie: verwijst naar de sterkte van de motivatie. 70
  245. 245 o Amotivatie: verwijst naar gebrek aan motivatie. Bijv. door tekort aan geloof in het eigen kunnen. Als leerlingen verwachten niet bekwaam te zijn hebben zij een lage effectiviteitsverwachting. Ook kan Amotivatie komen door gebrek aan geloof in het be... 70
  246. 246 Zelf-Determinatie-Theorie (ZDT) 70
  247. 247 • De kwaliteit van motivatie heeft te maken met verschil tussen ‘willen leren’ en ‘moeten leren’. 70
  248. 248 • ZDT stelt dat het vrijwillig leren gebaseerd kan zijn op twee verschillende motivationele drijfveren 70
  249. 249 o Intrinsieke en gedragsregulatie/motivatie: het uitvoeren van de activiteit omdat deze op zichzelf bevredigend is. Het studiemateriaal kan boeiend of leuk zijn, het kan ook saai zijn maar wanneer leerlingen begrijpen waarom ze iets leren en dat perso... 70
  250. 250 o Gecontroleerde of verplichtende motivatie: Er zijn twee types waarbij leerlingen allebei het gevoel hebben dat ze geen andere keuze hebben dan de studieactiviteit uit te voeren. Bij moeten leren kan dat zijn omdat anderen hen hiertoe verplichten, dr... 70
  251. 251 • Externe motivatie bestaat dus uit subtypes waarbij leerlingen zich inspannend voor hun schoolwerk om een uitkomst te bereiken die buiten de activiteit zelf gelegen is. 70
  252. 252 o Externe regulatie: Als leerlingen leren om aan de verwachtingen van ouders te voldoen 70
  253. 253 o Geïntrocjeerde regulatie: leren om te bewijzen dat zij verstandig zijn 70
  254. 254 o Geïdentificeerde regulatie: leren omdat zij de toepassingsmogelijkheden ervan inzien. 70
  255. 255 • Niet alle types extrinsieke motivatie zijn noodzakelijk van mindere kwaliteit dan intrinsieke motivatie. Geïdentificeerde regulatie kan ook positieve effecten hebben. 70
  256. 256 • Het is relevant om te peilen naar de motivatie van leerlingen om te leren maar ook naar motivatie om zich te houden aan regels en afspraken. 70
  257. 257 o Externe regulatie: huiswerk op tijd indienen omdat ze anders straf krijgen. 70
  258. 258 o Geïntrocjeerde regulatie: omdat zij huiswerk op tijd af moeten hebben als modelleerling. 70
  259. 259 o Geïdentificeerde regulatie: ze zien in dat dit belangrijk is voor samenwerking leerkracht. 70
  260. 260 • Studies hebben aangetoond dat profielen waarin autonome motivatie meer overheerst en gecontroleerde motivatie eerder afwezig is, het meest wenselijke patroon van leeruitkomsten en welbevinden vertonen. 70
  261. 261 Psychologische basisbehoeften en Behoefteondersteunende leerkrachtsstijl 70
  262. 262 • Hoe kan het type autonome motivatie dan gevoed worden? 70
  263. 263 • Binnen de ZDT wordt een bevoorrechte plaats toegekend aan de psychologische basisbehoeftes: autonomie (ervaren van psychologische vrijheid en keuze bij activiteiten), relationele verbondenheid (ervaren van een warme en hechte band met leeftijdgenote... 70
  264. 264 • Als deze drie basisbehoeften vervuld worden stelt de ZDT dat leerlingen meer gebied zijn door schoolwerk en zich minder verzetten tegen hun leerkracht. Ondersteunen van deze basisbehoeftes is essentieel voor autonome motivatie te bevorderen. 71
  265. 265 • De meest optimale leerkrachtstijl wordt gekenmerkt door de combinatie van structuur en houvast op een autonomie-ondersteunende wijze (niet je moet of ik had dit niet van je verwacht maar, ik stel voor, je kan) waarbij de leerkracht betrokken en warm... 71
  266. 266 Kwaliteit van Motivatie – Prestatiedoelentheorie 71
  267. 267 • Het meest recente model is een 3x2 tabel waarbij zes prestatiedoelen worden onderscheiden. Zie tabel. Er is onderscheid tussen: 71
  268. 268 • Competentie: Volgens de prestatiedoelentheorie van Andrew J. Elliot is competentie de manier waarop iemand bepaalt of hij goed presteert (bijv. taakgebonden (in vergelijking met taak), intra persoonlijk gebonden (in vergelijking met jezelf), prestat... 71
  269. 269 • Valentie: Valentie is de motivatierichting die aangeeft of iemand succes probeert te bereiken (toenaderingsgericht) of falen probeert te vermijden (vermijdingsgericht). 71
  270. 270 • Uit studies blijkt dat vooral het nastreven van taaktoenaderingsdoelen met wenselijke leeruitkomsten samenhangt, dat de positieve effecten van prestatietoenaderingsdoelen beperkter zijn en dat prestatievermijdingsdoelen eerder een onwenselijk patroo... 71
  271. 271 • Taakgerichte leerlingen nemen op een meer aandachtige en grondige wijze het studiemateriaal door, ervaren meer plezier bij leren en leveren grotere inspanning. 71
  272. 272 • Prestatietoenaderingsgerichte leerlingen voelen zich competent om een leertaak tot een goed einde te brengen en hebben positief zelfbeeld maar maken ook gebruik van oppervlakkige verwerkingsstrategie. 71
  273. 273 • Taakgerichte kinderen lijken meer een open houding en te nemen en gericht te zijn op het verbeteren van hun fouten terwijl prestatiegerichte kinderen eerder geneigd zijn om slechte examenscores toe te schrijven aan externe factoren. 71
  274. 274 • Prestatiemotivatie en faalangst hangen samen met prestatietoenaderingsdoelen (jongeren die in geval van faalangst gericht zijn op het vermijden van falen, proberen dit op te lossen door beter te presteren dan leeftijdsgenoten). 71
  275. 275 Implicaties voor Diagnostiek 72
  276. 276 • Intakefase: Hierbij wordt nagegaan welke motivationele relevantie informatie beschikbaar is. Wie ervaart motivatieproblemen, wat is er al aan gedaan, welke aanpassingen waren succesvol? 72
  277. 277 • Strategiefase: De informatie uit de intakefase wordt gebundeld en geeft aanleiding tot het formuleren van meer concrete onderzoekshypothesen met focus op de specificiteit (algemeen of domein/vak/taak-specifiek), aard (hoeveelheid of soort motivatie)... 72
  278. 278 • Onderzoeksfase: hierin kunnen specifieke motivationele processen en oorzaken worden onderzocht. 72
  279. 279 • Adviesfase: hierin worden oplossingen voorgesteld op een autonomie-ondersteunende en gestructureerde wijze, waarbij alle actoren betrokken worden in het proces voor voldoende draagvlak. Als de interventie wordt doorgedrukt tegen de zin in is kans va... 72
  280. 280 Multi-informant Metingen 72
  281. 281 • Een multi-informant benadering biedt een vollediger beeld van het motivatieprobleem en kan de validiteit van de motivatiemeting vergroten. 72
  282. 282 • Het is echter lastig om de motivatie van anderen te beoordelen, omdat we vaak gedrag toeschrijven aan persoonskenmerken, inschattingen als zelfvervullende voorspellingen kunnen functioneren, en het moeilijk is om uit studiegedrag of betrokkenheid de... 72
  283. 283 • Motivatie moet direct gemeten worden en niet worden afgeleid uit betrokkenheid of werkhouding van leerlingen, om cirkelredeneringen te voorkomen. 72
  284. 284 • Er zijn nog geen Nederlandse genormeerde meetinstrumenten, maar ze kunnen wel communicatie-georiënteerd worden ingezet. Interventies kunnen geïndividualiseerd zijn of gericht op de omgeving, bijvoorbeeld door leerkrachten te trainen om autonomie-ond... 72
  285. 285 Handboek V&K – H13 – Relaties tussen kinderen op school 73
  286. 286 Inleiding 73
  287. 287 • Kinderen brengen een groot deel van hun leven door in gezelschap met andere kinderen. Deze relaties zijn van grote invloed op het welzijn en de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. 73
  288. 288 • Een zorgvuldige diagnostiek van relaties tussen kinderen is dan ook een belangrijke verantwoordelijkheid van betrokken leerkrachten en begeleiders. 73
  289. 289 • Je hebt concepten die sociale relaties beschrijven en concepten die gebruikt worden om sociale processen te verklaren. 73
  290. 290 Sociaal Functioneren 73
  291. 291 • Sociometrische status: sociometrie beschrijft de relaties tussen kinderen in een groep op basis van beoordelingen die alle kinderen in die groep over elkaar geven. De combinatie van beoordelingen over een kind door groepsgenoten wordt de sociometris... 73
  292. 292 o Populair: door weinig kinderen onaardig gevonden, door veel kinderen aardig gevonden 73
  293. 293 o Afgewezen: veel kinderen onaardig gevonden, door weinig kinderen aardig gevonden. 73
  294. 294 o Controversieel: door veel kinderen aardig én door veel kinderen onaardig gevonden 73
  295. 295 o Genegeerd: weinig kinderen genoemd als aardig én door weinig als onaardig. 73
  296. 296 o Vermeende populariteit: mate waarin klasgenoten denken dat een kind door de klas populair wordt gevonden. Dit begrip verschilt vaak van de daadwerkelijke populariteit. 73
  297. 297 • Sociale netwerkanalyses: hierbij wordt dezelfde informatie gebruikt over de mate waarin kinderen elkaar aardig en onaardig vinden maar wordt deze vollediger benut door na te gaan welke kinderen welke kinderen noemen. Belangrijke relaties die vastges... 73
  298. 298 o Vriendschappen: waarbij kinderen elkaar wederzijds aardig vinden 73
  299. 299 o Asymmetrische relaties: waarbij een kind een ander kind aardig vindt, maar de ander dit omgekeerd niet vindt. 73
  300. 300 o Groepen van kinderen waarin alle kinderen elkaar aardig vinden. 73
  301. 301 o Lossere cliques: waarin ieder kind slechts een deel van de groep aardig vindt 73
  302. 302 • Sociale afwijzing vormt een risicofactor voor de ontwikkeling en instandhouding van gedragsproblematiek, echter ook kinderen die een dominante positie in sociale netwerken innemen kunnen probleemgedrag vertonen (relationele agressie of pesten). 73
  303. 303 • Pesten: een herhaalde vorm van agressie waarbij een of meer machtige kinderen opzettelijk andere minder machtige kinderen kwetsen. Pesten is een groepsfenomeen, pester pest alleen als een deel van de klas hiervoor gelegenheid en bekrachtiging geeft.... 73
  304. 304 o Pestrollen: sociale relaties die bij pesten een rol spelen 73
  305. 305 o Daders: nemen het initiatief tot pesten 73
  306. 306 o Mededaders: doen hieraan mee. 73
  307. 307 o Supporters: betrachtingen het pestgedrag door bijv. te lachen of aan te moedigen 73
  308. 308 o Slachtoffers: worden gepest 73
  309. 309 o Verdedigers: nemen het op voor slachtoffers 73
  310. 310 o Buitenstaanders: houden zich actief afzijdig van het pesten 73
  311. 311 o Dader/slachtoffer: dubbelrol waarbij het slachtoffer tracht de dader terug te pesten en op zijn beurt weer andere kinderen pest. 73
  312. 312 • Sociale competentie: Er is geprobeerd individuele kenmerken van het sociale gedrag van kinderen te beschrijven. Sociale competentie/vaardigheid duidt op de mate waarin iemand in staat is die sociale relaties aan te gaan en te onderhouden die hij wil... 73
  313. 313 Sociaal-Cognitieve Processen 74
  314. 314 • Sociaal gedrag wordt aangestuurd door de manier waarop kinderen sociale situaties waarnemen en begrijpen. 74
  315. 315 • Sociale informatieverwerking: mensen gedragen zich verschillend doordat zij de aanwezige informatie verschillend verwerking. Verschillen in sociale informatieverwerking worden deels veroorzaakt door eerdere sociale ervaringen die liggen als verwacht... 74
  316. 316 o De verwerking van informatie wordt weergeven in opeenvolgende stappen: 74
  317. 317 o 1) mensen in een en dezelfde situatie nemen verschillende informatie waar en 74
  318. 318 o 2) interpreteren deze anders, waardoor zij dezelfde situatie anders beleven. Door die verschillende beleving streven zij verschillende 74
  319. 319 o 3) doelen na, krijgen zij verschillende emoties en neigen zij tot 74
  320. 320 o 4) verschillende reacties, die zij anders 74
  321. 321 o 5) evalueren en op verschillende manieren 74
  322. 322 o 6) uitvoeren. 74
  323. 323 • Perspectief nemen: sociaal gedrag wordt mede bepaald door de mate waarin kinderen in staat zijn om zich in andere te verplaatsen (de Theory of Mind). Dit is belangrijk voor sociale competentie, maar ook pesters kunnen een goed presteren in de ToM he... 74
  324. 324 • Moreel redeneren: Wat vinden kinderen acceptabel gedrag en niet en waarom? Verschillende redeneerstijlen worden onderscheden: 74
  325. 325 o Morele redeneerstijl: overschrijdingen van morele grenzen (stelen of niet delen) onacceptabel omdat het moreel gezien niet goed is. 74
  326. 326 o Empathische redeneerstijl: vinden morele overschrijdingen onacceptabel omdat het slachtoffer zich slecht zal voelen. 74
  327. 327 o Strafgeoriënteerde redeneerstijl: tegen morele overschrijdingen, willen geen straf krijgen. 74
  328. 328 o Hedonistische redeneerstijl: tegen morele overschrijdingen omdat zij zich op de voordelen voor de dader richten, zoals iets stelen wat je graag wilt hebben, kinderen die denken dat de dader blij is laten meer antisociaal gerag zien. Deze redeneersti... 74
  329. 329 Groepsprocessen 74
  330. 330 • Groepen hebben een eigen dynamiek waarin het sociale gedrag van ieder kind meebepaald wordt door groepsprocessen als selectie, invloed, verdeling van resources en deviancy training. 74
  331. 331 • Selectie: selecteren en door anderen geselecteerd worden om bij een groep te horen. Positieve selectie is aangaan van sociale relaties die je zelf verkiest, negatieve is dat je sociale relaties aangaat die je niet zelf verkiest (je gaat om met kinde... 74
  332. 332 • Invloed: betreft beïnvloeding door sociale relaties. Invloed en selecte gaan vaak hand in hand. Jongere zal wellicht beïnvloed worden door een groep vrienden die hij uitgekozen heeft. 74
  333. 333 • Resource Control Theory: Resources zijn sociale waarderingen als aandacht, bewonderd worden, macht, mee mogen doen in de groep. De theorie stelt dat kinderen in verschillende mate gemotiveerd zijn om deze resources te bemachtigen. Deze theorie verkl... 74
  334. 334 o Agressie 74
  335. 335 o Prosociaal gedrag (aardig zijn, anderen helpen en steunen) 74
  336. 336 o Bi-strategische kinderen: kinderen die afhankelijk van de situatie zowel agressie als prosociale strategie gebruiken. 74
  337. 337 • Deviancy training: Binnen groepjes jongeren met soortgelijke problemen kan een proces van deviancy training ontstaan. Het afwijkende gedrag wordt dan de norm binnen de groep die de groepsleden bij elkaar bekrachtigen (bij agressie, depressie bij mei... 74
  338. 338 Implicaties voor Diagnostiek 74
  339. 339 • Sociaal Functioneren: Vragen op dit gebied kunnen naar voren komen bij onderkenning (bijv. wordt dit kind afgewezen door de klas) of verklaring (worden de depressieve klachten verklaard door afwijzing?) De diagnostiek moet niet blijven bij individu ... 74
  340. 340 • Sociaal-Cognitieve Processen: spelen een belangrijke rol binnen de verklarende diagnostiek (bijv. wordt het agressieve gedrag van Joost verklaard door negatieve interpretaties die hij maakt van het gedrag van zijn klasgenoten?) 75
  341. 341 • Groepsprocessen: Deze zijn niet direct meetbaar maar kunnen wel belangrijke inzichten met zich meebrengen (bijv. rekening houden met het proces van deviancy training). 75
  342. 342 Selectie van Diagnostische Middelen 75
  343. 343 • Er zijn instrumenten nodig om onderzoekshypothesen rond sociaal functioneren te toetsen. 75
  344. 344 o Gedocumenteerde Instrumenten: ontwikkeld voor gebruik in de praktijk. Ze bevatten een handleiding en zijn gestandaardiseerd. Beoordeling v.d. kwaliteit door COTAN. 75
  345. 345 o Research Instrumenten: ontwikkeld voor wetenschappelijk onderzoek en alleen beschikbaar via de onderzoeksliteratuur. Bevatten geen handleiding of normgegevens. Zijn niet geschikt om stellige diagnostische uitspraken op te baseren. 75
  346. 346 o Klinische Inventarisatie: bijvoorbeeld op basis van observatie in de klas of gestructureerde gesprekken. Deze inventarisaties zijn subjectief; dus aanvullen met gestandaardiseerde instrumenten of aanvulling andere bronnen. 75
  347. 347 Diagnostiek 75
  348. 348 • Sociometrische status: wordt gemeten met de sociometrische methode, waarbij scores worden gestandaardiseerd om voor klassengrootte te corrigeren. 75
  349. 349 • Pesten: kan worden beoordeeld via zelfrapportage, klasgenoten, leerkrachten en/of ouders met vragenlijsten of sociometrie. Vaak heeft combinatie van rapportage door klasgenoten en zelfrapportage de voorkeur. 75
  350. 350 • Sociale competentie: wordt in kaart gebracht met vragenlijsten voor het kind, ouders en/of leerkrachten. Er is ruim aantal gedocumenteerde instrumenten beschikbaar. 75
  351. 351 • Sociale informatieverwerking: wordt onderzocht met een research instrument door kinderen hypothetische sociale situaties voor te leggen en hun gedachtegang systematisch uit te vragen. Geen gedocumenteerd instrument beschikbaar. 75
  352. 352 • Moreel redeneren: wordt beoordeeld met een research instrument aan de hand van reacties op situaties waarin morele regels worden overtreden, inclusief gevoelens en redeneringen. Geen gedocumenteerd instrument beschikbaar. 75
  353. 353 • Perspectief nemen: wordt onderzocht met een gedocumenteerd instrument door kinderen zich te laten inleven in anderen. 75
  354. 354 • De positieve effecten van interventies zijn soms blijvend tot in de volwassenheid, met positieve langetermijneffecten op hun schools en maatschappelijk functioneren. 75
  355. 355 Handboek V&K – H15 – Interacties tussen Leerkrachten en Individuele Leerlingen 76
  356. 356 Inleiding 76
  357. 357 • Kinderen profiteren van een warme relatie met hun leerkracht. Wanneer er problemen ontstaan kan dit aanzienlijke gevolgen hebben voor de ontwikkeling van kinderen. 76
  358. 358 • Gedrag doet zich altijd voor in een relationele context (het ligt dus niet alleen aan de leerling en afzonderlijke gedragingen van leerling en leerkracht) 76
  359. 359 • Onderzoek naar leerkracht-leerling interacties gaat dan ook verder dan het analyseren van observeerbaar gedrag en omvat ook aandacht voor de affectieve kwaliteit van de relatie en de unieke beleving hiervan door de leerkracht en leerling. 76
  360. 360 Theoretische en Empirische Achtergrond 76
  361. 361 • Leerkracht-leerling interacties kunnen vanuit diverse theoretische perspectieven worden benaderd 76
  362. 362 o Als… Dyadisch microsysteem: ofwel een complex samenspel van factoren waarin kenmerken van beide partners (leerkracht en leerling), relatierepresentaties van beide, waargenomen interactieprocessen en omgevingsinvloeden een rol spelen. 76
  363. 363 o De mentale representaties van de leerkracht/leerling bestaat uit verzameling van geïnternaliseerde gevoelens, gedachten en verwachtingen ten aanzien van zichzelf de ander en de onderlinge relatie. De beleving van de relatie kan dus sterk uiteenlopen. 76
  364. 364 o Extern waarneembaar interactieve gedrag: dit vertonen leerkracht en leerling van moment tot moment met elkaar in de klas. Het kan dat mentale representaties niet samenhangen met de extern waarneembare kwaliteit van de interacties. Bijv. leerkrachte... 76
  365. 365 o Als… Motivationele benadering: de kwaliteit van de leerkracht-leerlingrelatie als de mate waarin de leerkracht afgestemd is op de psychologische basisbehoeften van een leerling. De Zelfdeterminatietheorie geldt zowel op klasniveau als op individuele... 76
  366. 366 o Betrokkenheid: de affectieve kwaliteit van de interactie van de leerkracht met de leerling (afstemmen op leefwereld, tijd en energie vrijmaken, beschikbaar wanneer nodig). Betrokkenheid zou gevoel van verbondenheid bij leerlingen bevorderen 76
  367. 367 o Structuur: de hoeveelheid informatie die in de context aanwezig is over hoe de leerling op de meest effectieve manier gewenst gedrag en gewenste resultaten kan bewerkstelligen (consequent, voorspelbaar handelen). 76
  368. 368 o Autonomie-ondersteuning: de hoeveelheid ruimte die de leerkracht geeft aan de leerling om zijn/haar eigen gedrag te bepalen. 76
  369. 369 o Interpersoonlijke Benadering: Het model van interpersoonlijke communicatie biedt uitgangspunt voor beschrijven van interactie gedrag leerkrachten en leerlingen. 76
  370. 370 o Interactief gedrag kan beschreven worden door twee dimensies: 76
  371. 371 Dominantie: betrekking op mate waarin mensen macht/controle over elkaar (willen) uitoefenen. Uiteinde bevindt zich extreme dominantie en extreme afhankelijkheid 76
  372. 372 Affiliatie: de mate waarin mensen op elkaar betrokken zijn. Uiteinde bevindt zich vriendelijkheid naar de ander (dichtbij) en vijandig staan tegenover de ander (veraf) 76
  373. 373 o Door de dimensies met elkaar te combineren in de Roos van Leary krijg je acht gedragspatronen over hoe mensen zich kunnen opstellen in de relatie tot anderen. 76
  374. 374 o Leerkrachten en leerlingen lokken door hun interpersoonlijke gedrag/stijl (on)bewust gedragingen bij elkaar uit die op hun beurt het eigen gedrag in stand houden. 76
  375. 375 o Zolang er flexibiliteit is in de interactiepatronen is er niet per definitie sprake van een probleem. Is het inflexibel, houden leerling en leerkracht elkaar gevangen in patroon. 76
  376. 376 Symmetrie: Op dimensie Affiliatie speelt dit principe een rol. Gedrag dat vriendelijkheid/vijandigheid uitdrukt lokt zelfde gedrag uit bij de ander en andersom. 76
  377. 377 Complementariteit: Op dimensie dominantie waarbij afhankelijk gedrag bij de leerling dominant gedrag uitlokt bij de leerkracht en dit gedrag van leerkracht leidt weer tot meer afhankelijkheid leerling. Zolang er flexibiliteit is in de interactiepatr... 77
  378. 378 o Gehechtheidsbenadering: Om de affectieve kwaliteit uitvoerig te beschrijven biedt de gehechtheidstheorie aanvulling. Een gehechtheidsrelatie kan worden omschreven als een duurzame exclusieve affectieve band die een persoon vormt met een andere perso... 77
  379. 379 o Dimensie Nabijheid: verwijst naar de mate van genegenheid, warmte en open communicatie in de relatie en de mate waarin het kind de leerkracht gebruikt als veilige haven in tijden van stress. 77
  380. 380 o Dimensie Conflict: verwijst naar de onveiligheid in de relatie en wordt gekenmerkt door negatieve interacties tussen leerkracht en leerling, bijv. onderlinge strijd 77
  381. 381 o Dimensie Afhankelijkheid: betreft de mate van leeftijdsinadequate afhankelijkheid van de leerling ten overstaand van de leerkracht (bezitterig, aandachtvragend, aanhankelijk gedrag) dit geeft aan dat de leerling leerkracht niet als veilige basis kan... 77
  382. 382 ▪ Conflictueuze relaties kunnen leiden tot gedragsproblemen, motivatieproblemen, lage zelfwaardering, schoolvermijding. Een warme relatie gaat samen met minder depressie, meer zelfwaardering en belangrijke bron van motivatie en inspiratie. 77
  383. 383 ▪ Samengevat: affectief negatieve (conflictueuze en/of overmatige afhankelijke) relaties met leerkrachten risicofactoren vormen voor de schoolse aanpassing en ontwikkeling terwijl positieve (nabije) relaties een gezonde ontwikkeling ondersteunen. 77
  384. 384 ▪ De kwaliteit van leerkracht-leerlingrelaties is relevant voor de leerprestaties en het welbevinden dit geldt voor leerlingen in het algemeen maar voor zorgleerlingen zeker! 77
  385. 385 Implicaties voor Diagnostiek 77
  386. 386 • Een aanmeldingsklacht en/of hulpvraag kan rechtstreeks verwijzen naar een probleem in de interactie of relatie tussen kind en leraar. 77
  387. 387 • Een analyse van de relatiekwaliteit kan bijdragen aan het verklaren van problemen op school. 77
  388. 388 • De leerkracht vervult binnen de schoolcontext een sleutelrol: hij is zowel belangrijk informant als professional die interventies en advies van de diagnosticus uitvoert. 77
  389. 389 • Het is in diagnostisch proces belangrijk om rekening te houden met de relatieperceptie van de leerkracht (een negatieve relatieperceptie van de leerkracht kan samenhangen met vertekend beeld van de leerling, wat eerder kan neigen tot toeschrijven va... 77
  390. 390 • Informatie hierover kan gewonnen worden in de intakefase. 77
  391. 391 Selectie van Diagnostische Middelen 77
  392. 392 • Leerkracht en leerling kunnen dus aanzienlijk verschillen wat betreft hun subjectieve beleving van de relatie. Die perceptieverschillen zijn belangrijk om rekening mee te houden bij keuze van diagnostische middelen. 77
  393. 393 • De instrumenten zijn veelal niet genormeerd en daardoor vooral geschikt voor communicatie-georiënteerd gebruik. 77
  394. 394 • Leerling Leerkracht Relatie Vragenlijst (LLRV): genormeerde vragenlijst, kan gebruikt worden als uitgangspunt voor een gesprek met leerkracht over relationele behoefte kind. 77
  395. 395 • Leerkracht-Relatie-Interview (LRI): Afname past binnen de onderzoeksfase. Het is een voorbeeld van een instrument voor een meer diepgaande handlings- en adviesgerichte analyse van de relatie. De waarde staat of valt met correcte afname. Semigestruct... 77
  396. 396 Aansluiting Diagnostiek en Advisering 78
  397. 397 • HGD is gericht op advisering. Vraag is dan ook welke kenmerken te beïnvloeden zijn. Vaak zijn dat ongunstige interactiepatronen (dit is gemakkelijker dan bijv. kindkenmerken). 78
  398. 398 • Is er een ongunste relatie dan is de leerkracht de eerste persoon om hiermee aan de slag te gaan. Hij is professional en dient verantwoordelijkheid te dragen voor veranderen van relatie. Verhogen van sensitiviteit en responsiviteit kan belangrijk do... 78
  399. 399 • Een combinatie van interactie- of handelingsgerichtebenadering en een reflectiegericht programma is goed mogelijk. 78
  400. 400 Aanvulling Hoorcollege 4a 78
  401. 401 Leerdoelen 78
  402. 402 • Wel kennen en herkennen van relevantie theorieën over de invloed van kind-en omgevingsfactoren 78
  403. 403 • Weten met wat voor typen(n) diagnostische instrumenten deze factoren zichtbaar gemaakt kunnen worden. De voorbeelden van de instrumenten worden niet getoetst. 78
  404. 404 • Weten met wat voor type(n) interventie deze factoren beïnvloed kunnen worden. 78
  405. 405 College 4b 83
  406. 406 Handboek V&K – H17 – Leerlingen met een LVB 83
  407. 407 Definitie LVB 83
  408. 408 Handboek V&K – H18 – Begaafde Leerlingen 86
  409. 409 Handboek Begeer – H9 – Onderzoek naar Leervorderingen 89
  410. 410 Handboek Begeer – H10 – Intelligentieonderzoek 94
  411. 411 Aanvulling Hoorcollege 4b 97
  412. 412 Weet je nog? 97
  413. 413 • Testafnames, zoals intelligentietests, maken onderdeel uit van een breed diagnostisch proces, waarin op verschillende manieren informatie wordt verzameld 97
  414. 414 • Prestaties zijn zowel persoons- als situatie gebonden. 97
  415. 415 • Interindividuele (tussen kinderen) en intra-individuele (binnen de persoon) vergelijkingen 97
  416. 416 • Objectief en gestandaardiseerd (precies volgens de regels afnemen) 97
  417. 417 • Betrouwbaar en valide 97
  418. 418 • Deviatienormen en de normaalverdeling 97
  419. 419 Mogelijke Hulpvragen (intelligentie kan relevant zijn) 97
  420. 420 Intelligentiefactoren 99
  421. 421 • Fluïde redeneervaardigheid (Gf) 99
  422. 422 o Mentale operaties; inductief en deductief redeneren 99
  423. 423 o Moeite met abstract redeneren en procedures leren 99
  424. 424 o Hoogste relatie met totaal IQ of g-factor 99
  425. 425 • Gekristalliseerde kennis (Gc) 99
  426. 426 o Breedte en diepte van verworven kennis 99
  427. 427 o Moeite met taal en feitenkennis 99
  428. 428 o Sterk voorspellend voor schoolprestaties 99
  429. 429 • Werkgeheugencapaciteit (Gwm) 99
  430. 430 o Informatie kort vasthouden en verwerken; in verschillende modaliteiten 99
  431. 431 o Belangrijk voor taken op school en thuis 99
  432. 432 • Leerefficiëntie en retrieval fluency (Gl/Gr of Glr) 99
  433. 433 o Informatie lang opslaan en terughalen; in verschillende modaliteiten 99
  434. 434 o Vertaalt zich vooral in leertempo/leerrendement 99
  435. 435 • Verwerkingssnelheid (Gs) 99
  436. 436 o Snel eenvoudige cognitieve taken uitvoeren; automatiseren 99
  437. 437 o Vertaalt zich vooral in werktempo 99
  438. 438 • Visuele informatieverwerking (Gv) 99
  439. 439 o Visueel-ruimtelijke vaardigheid 99
  440. 440 o Vooral belangrijk voor STEM-vakken (wiskundige vakken) 99
  441. 441 • Auditieve informatieverwerking (Ga) 99
  442. 442 o Klanken en ritmes waarnemen 99
  443. 443 o Vooral belangrijk in taal- en leesontwikkeling 99
  444. 444 • Kwantitatieve kennis (Gq) 99
  445. 445 o Verworven kennis van rekenen en wiskunde 99
  446. 446 o Sterke relatie met schooltoetsen rekenen/wiskunde 99
  447. 447 Let op 99
  448. 448 • Kinderen met hetzelfde totaal IQ kunnen verschillende prestaties laten zien op de verschillende factoren. Daarom kijken naar factorscores. 99
  449. 449 • Factorscores zijn klinisch het meest interessant en relevant 99
  450. 450 o Scores hoog/laag of relatief hoog/laag dus in vergelijking met andere factoren. 99
  451. 451 o Afwijkingen significant en/of klinisch relevant 99
  452. 452 o Maar, let op: Hoe specifieker het niveau, hoe lager de betrouwbaarheid Niveau subtest is minder betrouwbaar dan bijv de gehele factor intelligentie want daar heb je de toevalligheden een beetje uitgemiddeld. 99
  453. 453 LVB-problematiek 100
  454. 454 • Meervoudige problematiek 100
  455. 455 o Meerdere domeinen van functioneren en ontwikkeling 100
  456. 456 • Complexe problematiek 100
  457. 457 o Risicofactoren in kind en omgeving 100
  458. 458 • Als je een diagnostiek gaat doen naar LVB is een zorgvuldige analyse van (on)mogelijkheden kind en afstemming vanuit omgeving (hoe goed sluit die aan bij cliënt) belangrijk 100
  459. 459 DSM-V 100
  460. 460 • Definitie LVB: een verstandelijke beperking is een stoornis die ontstaat tijdens de ontwikkelingsperiode en die zowel beperkingen in het intellectueel functioneren omvat als beperkingen in het adaptief functioneren op conceptueel, sociaal en praktis... 100
  461. 461 (L)VB 100
  462. 462 • Beperkingen in het intellectueel functioneren 100
  463. 463 o Klinische beoordeling en intelligentiescore (< 2sd rond de 70 of lager) 100
  464. 464 • Beperkingen in het adaptief functioneren (voldoende zelfstandig functioneren in maatschappij, afhankelijk van de leeftijd) 100
  465. 465 o Te weinig persoonlijke onafhankelijkheid en sociale verantwoordelijkheid 100
  466. 466 ▪ Conceptueel denken (Kun je de basale schoolse vaardigheden leren om tot een niveau wat nodig is om jezelf te redden – schoolresultaten kijken) 100
  467. 467 ▪ Sociaal functioneren (Kun je sociale relaties tot je eigen tevredenheid en dat van anderen onderhouden en daarin functioneren) 100
  468. 468 ▪ Praktisch functioneren (Kun je op grond van je leeftijd wordt verwacht je eigen huishouden draaiende houden (of bijv jezelf aankleden, dus van basale zelfzorg naar je eigen praktische dagelijkse leven) 100
  469. 469 • Ernst gebaseerd op invloed tekorten op dagelijks functioneren 100
  470. 470 o Beperkingen en ondersteuningsbehoeften 100
  471. 471 • Probeer het totale plaatje te zien bij extreme gedragsproblemen, wat ligt daaronder? Kan dus LVB zijn. Zie voor tabel samenvatting V&K H17. 100
  472. 472 Gradaties Verstandelijke Beperking 101
  473. 473 • 50-69: Verwerven meestal basale schoolse en adaptieve vaardigheden 101
  474. 474 • 35-49: Leren doorgaans communiceren en onder begeleiding wonen 101
  475. 475 • 20-34: Moeite met communiceren, niet zelfstandig wonen 101
  476. 476 • < 20: Continue zorg en ondersteuning 101
  477. 477 Diagnostisch Onderzoek 101
  478. 478 • Weinig instrumenten specifiek voor de doelgroep LVB 101
  479. 479 • ‘Reguliere’ intelligentietesten 101
  480. 480 o Wat meet je? Invloed van al bekende zwaktes? 101
  481. 481 o Vaak geen harmonisch patroon 101
  482. 482 o Gering differentiatievermogen IQ < 50 (onder de 50 onderscheiden ze de profielen niet zo goed) 101
  483. 483 o Je neemt test bijv af voor leeftijd tien jaar maar binnen die test heb je verschillende instapniveaus heb je vermoedens van lage intelligentie kan je daarvoor kiezen. 101
  484. 484 o Meer aandacht voor het leerproduct dan voor het leerproces, dat is nuttiger, meer weten over taakaanpak bijvoorbeeld. 101
  485. 485 • Alternatieven 101
  486. 486 o Cognitieve assessment system – planning, attention, stimultaneuous, successive model 101
  487. 487 o Executieve functies 101
  488. 488 • Adaptieve vaardigheden 101
  489. 489 o Conceptueel 101
  490. 490 ▪ Schoolvorderingstoetsen; dynamisch testen 101
  491. 491 ▪ Leerrendement ligt vaak rond 0.50 of lager 101
  492. 492 o Sociaal: Test, vragenlijst of Interview 101
  493. 493 o Praktisch: Observatie, vragenlijst of Interview. 101
  494. 494 • Nagaan wat de client wel kan 101
  495. 495 o Met welke mate van hulp 101
  496. 496 • Nagaan wat de client aankan 101
  497. 497 o Discrepantie emotionele en verstandelijke ontwikkelingsfase. 101
  498. 498 o Een IQ-test geeft aan wat kind cognitief aan maar kan wat kan het emotioneel aan, bijv. zelfstandig etc. Vaak bij LVB blijft dit achter. Dus afwegen wat kan cognitief gezien en past dat bij emotionele ontwikkeling. 101
  499. 499 Interventies 101
  500. 500 • Afstemming/ zone van naaste ontwikkeling 101
  501. 501 o Concreet maken van de taak op vaardigheden van het kind 101
  502. 502 o Voor structureren en vereenvoudigen 101
  503. 503 o Oplossingsvaardigheden en generalisatie aanleren 101
  504. 504 o Veilige en positieve leeromgeving 101
  505. 505 o Herhalen, Actieve werkvormen 101
  506. 506 • Verantwoordelijkheid bij directe interactiepartners 101
  507. 507 o Speciaal (basis)onderwijs, behandelcentra (uitstroomniveau groep 5/6) 101
  508. 508 o Video-hulpverlening 101
  509. 509 (Hoog) Begaafdheid 101
  510. 510 • Er zijn veel misvattingen (pushende ouders, maken geen fouten, liever leren dan spelen) 101
  511. 511 • Gaat om 2.5% van de leerlingen, maar ruim een kwart van de thuiszitters 101
  512. 512 • 25-33% van de excellente leerlingen behaalt niet binnen 6 jaar vwo-diploma 101
  513. 513 • Onderzoek Kuyper en der Werv (2012) naar 5% beste leerlingen 101
  514. 514 o Niet alle excellente leerlingen starten in een vwo-brugklas 101
  515. 515 o Risicofactoren voor een ‘verstoorde’ schoolloopbaan zijn: jongen zijn, lage SES, lage (prestatie)motivatie, lage competitiviteit en vooral laag scoren op ordelijkheid 101
  516. 516 Hoogbegaafdheid 102
  517. 517 • Beperking of gave? 102
  518. 518 o Afhankelijk van de mate van begaafdheid (als je net wat hoger ligt dan het gemiddelde op jouw leeftijd helpt dat maar is het extreem dan kan dat tot allerlei problemen leiden in afstemming op de omgeving en dus op verschillende funtioneringsgebieden) 102
  519. 519 o Afhankelijk van goodness of fit met omgeving (hoe goed kan de omgeving school/ouders daarop inspelen). 102
  520. 520 • Aanleg/talent of aantoonbaar gedrag/prestaties 102
  521. 521 o Bij kinderen vooral potentie, latere leeftijd vooral productiviteit 102
  522. 522 • Ontwikkelingsperspectief en transactioneel kader 102
  523. 523 o Intelligentie alleen is niet voldoende om (hoog)begaafd gedrag te voospellen! Daar komt meer bij kijken (wat dat precies is, is nog veel discussie over) gaat om de betrokkenheid en de wil om iets met die intelligentie te gaan doen, en vorm van creat... 102
  524. 524 Ontwikkeling 102
  525. 525 • Jonge kind > Ontwikkelingsvoorsprong 102
  526. 526 • Schoolgaande kind > Veel kennis en adequate leerstijl (komen snel tot leren) 102
  527. 527 • Adolescent > Persoonlijkheid en belangstelling hoge prestaties 102
  528. 528 • Volwassenen > Bijzondere expertise 102
  529. 529 • Dus op algemeen niveau begint het op niveau van de Persoon > dan meer richting het Proces > en dan meer richting het Product. 102
  530. 530 Risico’s 102
  531. 531 • Hoge verwachtingen > Faalangst 102
  532. 532 • Moeilijke onderwerpen bestuderen > Angst en somberheid (ze kunnen wel oorlogen bestuderen maar kunnen dat bijvoorbeeld emotioneel niet aan) 102
  533. 533 • Uniek interesses > Weinig aansluiting 102
  534. 534 • Makkelijk schoolaanbod > Demotivatie, geen studievaardigheden 102
  535. 535 Diagnostiek 102
  536. 536 • Betreft zowel het potentieel als de prestaties, waarbij de leeftijd van het kind, dus het ontwikkelingsaspect, mee wordt genomen 102
  537. 537 • Belangrijk onderdeel betreft -net als bij alle kinderen -factoren in kind en omgeving en de interactie daartussen (goodness of fit) 102
  538. 538 • Intelligentie- en prestatieniveaus 102
  539. 539 o IQ (> 2 std boven gemiddelde) en prestaties in de hoogste 10% 102
  540. 540 • Soft signs (komen vaak voor, maar zijn op zichzelf niet voldoende om van HB te spreken) 102
  541. 541 o Snellere en betere informatieverwerking 102
  542. 542 o Hoger leer- en werktempo 102
  543. 543 o Flexibele probleemoplossing 102
  544. 544 o Goed geheugen, Groot kennisbestand 102
  545. 545 o Hebben aan een half woord genoeg 102
  546. 546 o Kunnen en willen meer 102
  547. 547 o Leergierigheid en enthousiasme voor moeilijkere taken 102
  548. 548 • Persoonlijkheidsontwikkeling en omgeving 102
  549. 549 • Sociaal-emotionele problemen en goodness of fit 102
  550. 550 Diagnostische Instrumenten 102
  551. 551 • Toolbox of vragenlijsten voor identificatie en begeleiding op scholen om signalen te identificeren. 102
  552. 552 • Nominatie door leerkracht en/of klasgenoten (onderbuikgevoel brengen je best een eind) 102
  553. 553 • Observaties of gesprekken 102
  554. 554 Interventie 103
  555. 555 • Psycho-educatie voor alle betrokkenen (inzicht geven) 103
  556. 556 • Aanpassen voor het reguliere aanbod 103
  557. 557 o Compacten 103
  558. 558 o Verdiepen 103
  559. 559 o Verbreden 103
  560. 560 o Aangepaste instructiewijze 103
  561. 561 • Plaatsing 103
  562. 562 o Versnellen 103
  563. 563 o Plusgroep 103
  564. 564 o Talentklas 103
  565. 565 • Afstemming vanuit de omgeving 103
  566. 566 o Support en uitdaging binnen gezin 103
  567. 567 o Zorgbeleid school en differentiatievaardigheden leerkracht 103
  568. 568 • Complexe problematiek of bijkomende problemen 103
  569. 569 Consensus 103
  570. 570 • Een hoogbegaafd niveau van verstandelijke ontwikkeling is geen probleem op zich (geen risicofactor, geen ziekte, geen stoornis) en hoeft niet tot problemen te leiden zolang de omgeving inspeelt op de opvoedings- en onderwijsbehoeften van het hoogbeg... 103
  571. 571 Kinderen met (L)VB of HB-problematiek 103
  572. 572 • Het cognitief functioneren is niet op zich een probleem en leidt niet onvermijdelijk tot problemen 103
  573. 573 o Adaptief functioneren 103
  574. 574 • Het cognitief functioneren alleen vormt zelden of nooit de verklaring voor een problematische ontwikkeling 103
  575. 575 o Risicofactoren en complexe problematiek 103
  576. 576 • De ‘goodness of fit’ staat centraal: dit kind met deze eigenschappen en behoeften in deze omgeving 103
  577. 577 o Ontwikkelingsmogelijkheden en ondersteuningsbehoeften in kaart brengen 103
  578. 578 3. De sociometrische status van een individueel kind in een sociale groep (V&K H13) is… 103
  579. 579 - Beperkt voorspellend voor de sociometrische status in de volgende levensfase. 103
  580. 580 College 5a 104
  581. 581 FO – H2 – Forensische Orthopedagogiek: een Juridisch Kader 104
  582. 582 FO – H6 – Opvoeding, Gehechtheid en Delinquentie 108
  583. 583 FO – H14 – Wat is specifiek aan Forensisch Orthopedagogische Diagnostiek 111
  584. 584 Aanvulling – Hoorcollege 5a 112
  585. 585 Handboek Begeer – H15 – Diagnostiek v.d. sociaal-emotionele ontwikkeling 117
  586. 586 Artikel – Transdiagnostisch werken bij Kinderen en Jongeren 124
  587. 587 Inleiding: opkomst van transdiagnostisch werken 124
  588. 588 • Er is een duidelijke toename van transdiagnostische behandelprotocollen. 124
  589. 589 • Deze protocollen richten zich op onderliggende psychologische mechanismen van psychopathologie in plaats van op afzonderlijke stoornissen. 124
  590. 590 • Centrale vraag: is transdiagnostisch werken beter dan stoornisspecifiek werken? 124
  591. 591 • Focus van dit artikel: emotionele processen, en in het bijzonder emotieregulatie (ER). 124
  592. 592 • Emotieregulatie is de laatste decennia intensief onderzocht en blijkt trainbaar bij kinderen en adolescenten. 124
  593. 593 Theoretisch kader: het RDoC-model 124
  594. 594 • Transdiagnostisch werken sluit aan bij het Research Domain Criteria (RDoC)-model van National Institute of Mental Health. 124
  595. 595 • RDoC vertrekt vanuit: 124
  596. 596 o Onderliggende psychologische mechanismen 124
  597. 597 o Dimensioneel kijken naar klachten (niet strikt categorisch zoals DSM) 124
  598. 598 • Vijf domeinen worden onderscheiden, elk geanalyseerd op verschillende niveaus: 124
  599. 599 o Genetisch 124
  600. 600 o Hersenstructuren 124
  601. 601 o Fysiologisch 124
  602. 602 o Cognitief 124
  603. 603 o Gedrag 124
  604. 604 • Psychopathologie ontstaat uit: 124
  605. 605 o Biologische en temperamentele kwetsbaarheden 124
  606. 606 o Interactie met omgevingsfactoren 124
  607. 607 o Disfunctionele cognitieve, emotionele of gedragsmatige processen 124
  608. 608 Belangrijk voordeel: Ook subklinische klachten, comorbiditeit en vaag “laag welbevinden” krijgen aandacht. 124
  609. 609 Transdiagnostisch behandelen: kansen en kanttekeningen 124
  610. 610 • Wanneer is het relevant? 124
  611. 611 - Eerstelijnszorg: Klachten zijn vaak nog niet uitgekristalliseerd in een duidelijke stoornis. 124
  612. 612 - Tweede en derdelijnszorg: Complexe en comorbide problematiek. Recidiverende klachten (bv. angst die evolueert naar depressie). 124
  613. 613 • Soorten transdiagnostische interventies 124
  614. 614 Men kan focussen op verschillende processen: 124
  615. 615 - Cognitieve processen 124
  616. 616 o Zelfbeeldtraining 124
  617. 617 o Aanpakken van perfectionisme 124
  618. 618 o Aandachtsbias-training 124
  619. 619 - Emotionele processen 124
  620. 620 o Emotieregulatie 124
  621. 621 o Acceptance & Commitment 124
  622. 622 o Zelfcompassie 124
  623. 623 - Gedragsmatige processen 124
  624. 624 o Assertiviteit 124
  625. 625 o Leerprocessen 124
  626. 626 o Opvoedingsinterventies 124
  627. 627 - Relationele processen 124
  628. 628 o Ouder-kindinteracties 124
  629. 629 Belangrijke waarschuwingen 125
  630. 630 • De evidentie voor transdiagnostische protocollen is nog beperkt. 125
  631. 631 • Ze worden momenteel vaak ingezet als: 125
  632. 632 o Aanvulling op stoornisspecifieke behandeling 125
  633. 633 o Versterking van langetermijneffecten 125
  634. 634 • Er bestaan nog geen duidelijke richtlijnen over: 125
  635. 635 o Op welke processen eerst in te zetten 125
  636. 636 o Wanneer transdiagnostisch vs. stoornisspecifiek te werken 125
  637. 637 • Gedragsmatige processen zijn momenteel het best onderzocht. 125
  638. 638 Emotieregulatie als kernmechanisme 125
  639. 639 • Centrale stelling 125
  640. 640 - Emoties horen bij het leven. 125
  641. 641 - Problemen ontstaan wanneer emoties: 125
  642. 642 o Onvoldoende gereguleerd worden 125
  643. 643 o Op maladaptieve wijze gereguleerd worden 125
  644. 644 o Maladaptief (gedrag, gedachten of reacties slecht zijn aangepast aan de omgeving of situatie, waardoor ze op de lange termijn meer kwaad dan goed doen) 125
  645. 645 - Emotieregulatieproblemen zijn gelinkt aan ± 75% van de DSM-5-stoornissen. 125
  646. 646 • Bevindingen bij kinderen en adolescenten 125
  647. 647 - Kinderen met psychopathologie: Minder adaptieve ER-strategieën Meer maladaptieve strategieën 125
  648. 648 • Specifieke stoornissen 125
  649. 649 - Angststoornissen 125
  650. 650 o Onderdrukking of negatieve evaluatie van emoties 125
  651. 651 o Vermijdingsgedrag 125
  652. 652 o Instandhouding van angst 125
  653. 653 - Depressie: Ruminatie als centrale kwetsbaarheid 125
  654. 654 Samenspel van: 125
  655. 655 o Biologische kwetsbaarheid 125
  656. 656 o Temperament 125
  657. 657 o Emotiedisregulatie 125
  658. 658 - Externaliserende problemen: Oppositioneel gedrag vaak gerelateerd aan ER-problemen. 125
  659. 659 - Middelengebruik & eetstoornissen 125
  660. 660 o Disfunctioneel gedrag dient als emotieregulatie. 125
  661. 661 o Korte-termijn verlichting → lange-termijn verarming van ER-repertoire. 125
  662. 662 Het ACE-model van Berking & Whitley 125
  663. 663 • Het Adaptieve Coping met Emoties (ACE)-model van Matthias Berking beschrijft ER als een multidimensionaal proces met 7 vaardigheden: 125
  664. 664 - Bewust waarnemen van emoties 125
  665. 665 - Herkennen en benoemen 125
  666. 666 - Analyse van oorzaken 125
  667. 667 - Emotionele zelfondersteuning (zelfcompassie) 125
  668. 668 - Doelgerichte regulatie 125
  669. 669 - Accepteren en verdragen 125
  670. 670 - Bereidheid tot confrontatie 125
  671. 671 • Belangrijke inzichten 125
  672. 672 - Therapie start vaak te snel bij stap 5 en 6. 125
  673. 673 - Basale vaardigheden (1–4) zijn noodzakelijke voorwaarden. 125
  674. 674 - Alle stappen moeten in sequentie (volgorde) geoefend worden. 125
  675. 675 • Evidentie 125
  676. 676 - Training verhoogt effectiviteit van CGT en mindfulness. Verkorting vervolgbehandeling mogelijk + duurzame veranderingen zonder langere behandeltijd 125
  677. 677 Reflectie en kritische beschouwing 126
  678. 678 • Transdiagnostisch werken ≠ vrij combineren 126
  679. 679 - Werken volgens een protocol blijft essentieel. 126
  680. 680 - Vereist: Training, Supervisie, Theoretische kennis 126
  681. 681 - Een “verdunde” toepassing ondermijnt evidentie. 126
  682. 682 • Stand van wetenschappelijke evidentie 126
  683. 683 - Transdiagnostisch werken staat nog in de kinderschoenen. 126
  684. 684 - Vaak enkel: Observationele studies, Gevalsstudies 126
  685. 685 - Stoornisspecifieke behandelingen hebben robuustere evidentie. 126
  686. 686 - NB: Bij enkelvoudige problematiek blijft stoornisspecifieke aanpak eerste keuze. 126
  687. 687 • Wat blijft essentieel? 126
  688. 688 - Transdiagnostische protocollen zijn niet allesomvattend. Essentieel blijven: 126
  689. 689 Goede diagnostiek, Degelijke indicatiestelling, Therapeutische relatie, Professionele expertise 126
  690. 690 Conclusie 126
  691. 691 • Transdiagnostisch werken is een veelbelovende ontwikkeling. 126
  692. 692 • Transdiagnostisch werken is een behandelbenadering die zich niet richt op één specifieke stoornis, maar op onderliggende psychologische processen (zoals emotieregulatie, cognitieve biases of relationele patronen) die bij verschillende stoornissen ee... 126
  693. 693 • Emotieregulatie is een kernmechanisme in veel vormen van psychopathologie. 126
  694. 694 • Training van ER-vaardigheden kan: 126
  695. 695 o Symptomen reduceren 126
  696. 696 o Behandelingen versterken 126
  697. 697 o Mogelijk duurzamere effecten opleveren 126
  698. 698 • Toch blijft: 126
  699. 699 o Meer onderzoek nodig 126
  700. 700 o Zorgvuldige indicatiestelling cruciaal 126
  701. 701 o Stoornisspecifieke behandeling voorlopig vaak eerste keuze 126
  702. 702 Aanvulling – Hoorcollege 5b 126
  703. 703 Sociaal-Emotioneel Functioneren 126
  704. 704 • Effectief en flexibel omgaan met mogelijkheden en moeilijkheden 126
  705. 705 • Sociaal-emotioneel competent: de mate waarin iemand in een emotie-opwekkende sociale situatie doelen bereikt. 126
  706. 706 Ofwel de mate waarin een kind in staat is om samen met de omgeving de ontregeling te reguleren 126
  707. 707 • Let op: hoe functioneel is het gedrag in de context waarin het leeft? (sws belangrijk bij orthopedagogiek! Dit kan ook zijn bij ongewenst gedrag) 126
  708. 708 Ofwel: hoe adaptief is het functioneren van een kind? 126
  709. 709 • In de Diagnostiek wordt de emotionele en de sociale ontwikkeling uit elkaar gehaald. 126
  710. 710 Emotionele Ontwikkeling 126
  711. 711 • Emoties geven betekenis aan gebeurtenissen en zijn van belang bij het doelgerichte handelen. 126
  712. 712 • Emoties vertellen waar men aandacht aan moet schenken en wat men moet negeren, wat men moet benaderen en wat men moet vermijden. 126
  713. 713 • De emoties van een persoon kunnen normaal zijn of problematisch, wanneer het problematisch is spreken we van Internaliserende problemen (angst, piekeren, moeilijke verwerking emoties) 126
  714. 714 • Internaliserende problemen staat gelijk aan het Cluster emotioneel 126
  715. 715 Sociale ontwikkeling 126
  716. 716 • Shaffer (1996):“Social development refers to the behavioral patterns, feelings, attitudes and concepts children manifest in relation to other people and to the way that these various aspects change over age” 126
  717. 717 • Externaliserende problemen: gaat over alles waar anderen ook last van hebben. Hier verwijst de sociale ontwikkeling vaak naar. Deze kunnen over leeftijd veranderen. Cluster (sociaal of gedrag) 126
  718. 718 Begeer over diagnostiek Sociaal-Emotioneel Functioneren 127
  719. 719 • Diagnostiek bestaat uit twee delen 127
  720. 720 - Deel 1: Onderzoek van vaardigheden: wat het kind kan/laat zien (dit kan je vaak trainen, prosociaal gedrag, verbeeldend spel, perspectief nemen, herkennen van emoties bij de ander) 127
  721. 721 - Deel 2: Onderzoek van gedragsneigingen/karaktertrekken: wat het kind geneigd is te doen. 127
  722. 722 (Het hart op de tong hebben, dominantie, vindingrijkheid) 127
  723. 723 • Let op: gedrag moet in combinatie met omgevingsfactoren gezien worden. In combinatie daarmee zullen deze twee componenten/delen bepalen in hoeverre een persoon adequaat functioneert. 127
  724. 724 College 6a 132
  725. 725 FO – H10 – Psychische Stoornissen en Delinquentie 132
  726. 726 FO – H17 – Screening en Risicotaxatie van Kindermishandeling 135
  727. 727 Artikel – Functionele Diagnostiek i.p.v. advies aangaande Toerekeningsvatbaarheid 138
  728. 728 Aanleiding en centrale probleemstelling 138
  729. 729 • Het begrip toerekeningsvatbaarheid is een juridisch begrip. 138
  730. 730 • Het begrip is niet geoperationaliseerd in psychiatrische of psychologische termen. 138
  731. 731 • Gedragsdeskundigen begeven zich buiten hun expertise wanneer zij adviseren over de mate van toerekeningsvatbaarheid. 138
  732. 732 • Toch verwacht de strafrechter een oordeel over de invloed van een psychische stoornis op het delict. 138
  733. 733 • Dit spanningsveld vormt de kern van het artikel. 138
  734. 734 Centrale vraag: Hoe kan de rechter adequaat worden geïnformeerd over de invloed van een stoornis, zonder dat de gedragsdeskundige een juridisch oordeel geeft? 138
  735. 735 Kritiek op het begrip toerekeningsvatbaarheid 138
  736. 736 • Ontbreken van operationalisering 138
  737. 737 - Toerekeningsvatbaarheid kent geen duidelijke gedragskundige definitie. 138
  738. 738 - Begrippen als: 138
  739. 739 o “Doorwerking van de stoornis” 138
  740. 740 o “Beperking van de wilsvrijheid” 138
  741. 741 o “Thematisch uitdrukken” zijn vaag en niet concreet meetbaar. 138
  742. 742 - Hierdoor: 138
  743. 743 o Ontwikkelt elke deskundige een eigen referentiekader. 138
  744. 744 o Kunnen deskundigen in dezelfde zaak tot uiteenlopende conclusies komen. 138
  745. 745 o Is toetsbaarheid voor de rechter beperkt. 138
  746. 746 • Probleem van de ‘wil’ 138
  747. 747 - Juridisch wordt gesproken over: Controle over de wil en wilsvorming 138
  748. 748 - In de psychiatrie bestaat geen helder, afzonderlijk te onderzoeken concept van “de wil”. 138
  749. 749 - Gedrag wordt gezien als: 138
  750. 750 o Resultaat van meerdere psychische functies 138
  751. 751 o In wisselwerking met context 138
  752. 752 - Conclusie: het juridisch begrip ‘wil’ sluit niet goed aan bij gedragskundige concepten. 138
  753. 753 Problemen met gradaties van toerekeningsvatbaarheid 138
  754. 754 • Vijfpuntenschaal (oud systeem) 138
  755. 755 - Je bent toerekeningsvatbaar 138
  756. 756 - Het is enigszins verminderd 138
  757. 757 - Het is verminderd 138
  758. 758 - Het is sterk verminderd 138
  759. 759 - Je bent ontoerekeningsvatbaar 138
  760. 760 Kritiek: suggereert schijnnauwkeurigheid. 138
  761. 761 • Driepuntenschaal (huidige richtlijn): 138
  762. 762 - Toerekenen 138
  763. 763 - Gedeeltelijk niet toerekenen 138
  764. 764 - Niet toerekenen 138
  765. 765 Kritiek: te weinig differentiatie. 138
  766. 766 o Extra probleem: Het zijn ordinale schalen en afstanden tussen categorieën zijn niet objectief vastgelegd. 138
  767. 767 • Een gedragsdeskundige kan via zijn advies indirect sturen op: 138
  768. 768 o TBS 138
  769. 769 o Plaatsing in psychiatrisch ziekenhuis 138
  770. 770 • Bijvoorbeeld: kiezen voor “sterk verminderd” i.p.v. “ontoerekeningsvatbaar”. 138
  771. 771 • Dit vermengt gedragskundige en juridische afwegingen. 138
  772. 772 Het Alternatief: Functionele diagnostiek 139
  773. 773 • Kernidee 139
  774. 774 - De gedragsdeskundige: Geeft géén oordeel over toerekeningsvatbaarheid. Analyseert systematisch: 139
  775. 775 o Stoornissen in psychische functies 139
  776. 776 o Disfunctionele persoonlijkheidstrekken 139
  777. 777 o Compenserende intacte functies 139
  778. 778 o Contextuele factoren 139
  779. 779 - Kwantificeert de invloed van die factoren op het delict. 139
  780. 780 Theoretisch uitgangspunt 139
  781. 781 • Gedrag wordt in de psychiatrie gezien als: 139
  782. 782 - Resultaat van multifactorieel-interactionele processen 139
  783. 783 - Dat betekent: 139
  784. 784 Geen simpele causaliteit 139
  785. 785 Geen directe “oorzaak-gevolg”-benadering 139
  786. 786 Wel: onderlinge beïnvloeding van: 139
  787. 787 o Gestoorde functies 139
  788. 788 o Intacte functies 139
  789. 789 o Persoonlijkheid 139
  790. 790 o Context 139
  791. 791 Psychische functies 139
  792. 792 • De beoordeling gebeurt per psychische functie. 139
  793. 793 - Cognitieve functies 139
  794. 794 Bewustzijn, Aandacht, Oriëntatie, Geheugen, Oordeelsvermogen, Ziektebesef, Executieve functies, Intelligentie, Realiteitstoetsing, Waarneming, Denken 139
  795. 795 Voorbeelden van stoornissen: Hallucinaties, Wanen, Desoriëntatie, Impulscontroleproblemen, Incoherent denken 139
  796. 796 - Affectieve functies Stemming (depressief, euforisch, angstig) Affect (vlak, sterk modulerend) 139
  797. 797 - Conatieve functies Psychomotoriek, Motivatie (agressie, seksueel verlangen) Gedrag (impulsief, drangmatig, dwangmatig) 139
  798. 798 Persoonlijkheid 139
  799. 799 • Beoordeling van: 139
  800. 800 - Cognitieve trekken (wantrouwen, grandiositeit) 139
  801. 801 - Affectieve trekken (emotionele labiliteit) 139
  802. 802 - Interpersoonlijke trekken 139
  803. 803 - Impulsbeheersing 139
  804. 804 - Daarnaast: Vaststellen of sprake is van een persoonlijkheidsstoornis (DSM-5 criteria). 139
  805. 805 Compenserende factoren 139
  806. 806 • De deskundige beoordeelt ook: 139
  807. 807 - Welke intacte functies invloed hebben verminderd. 139
  808. 808 - Bijvoorbeeld: 139
  809. 809 o Hoge intelligentie 139
  810. 810 o Goed normbesef 139
  811. 811 o Realistisch oordeelsvermogen 139
  812. 812 Deze compenserende werking wordt kwalitatief beschreven (niet gescoord). 139
  813. 813 Eindbeoordeling 140
  814. 814 • Na weging van: Stoornissen, Persoonlijkheid, Context, Compenserende factoren. Volgt een globale eindconclusie over de mate van invloed van de stoornis op het delict: Geen invloed, Matige invloed, Sterke invloed, Zeer sterke invloed 140
  815. 815 • Belangrijk verschil Er wordt géén uitspraak gedaan over toerekeningsvatbaarheid. 140
  816. 816 Gevolgen voor de Rechter 140
  817. 817 • Huidige situatie: 140
  818. 818 - Rechter neemt vaak deskundigenadvies over toerekeningsvatbaarheid over. 140
  819. 819 • Nieuwe situatie: 140
  820. 820 - Rechter moet zelfstandig: Juridische toerekening beoordelen. 140
  821. 821 - Deskundige levert: Feitelijke, gestructureerde analyse. 140
  822. 822 - Juridische afweging blijft volledig bij de rechter. 140
  823. 823 - Vergelijking: Zoals een bewijsdeskundige niet oordeelt over bewezenverklaring, zo moet een gedragsdeskundige niet oordelen over toerekening. 140
  824. 824 Conclusie van de Auteurs 140
  825. 825 • Het huidige systeem is conceptueel onzuiver. 140
  826. 826 • Toerekeningsvatbaarheid is juridisch en niet gedragskundig. 140
  827. 827 • Functionele diagnostiek: 140
  828. 828 o Blijft binnen gedragskundige expertise. 140
  829. 829 o Is systematischer. 140
  830. 830 o Is transparanter. 140
  831. 831 o Vermindert schijnnauwkeurigheid. 140
  832. 832 o Voorkomt ongewenste beïnvloeding van de rechter. 140
  833. 833 • Eindgedachte: 140
  834. 834 De rechter moet oordelen over toerekening. De gedragsdeskundige moet oordelen over psychische functies en hun invloed. 140
  835. 835 Samenvatting 140
  836. 836 • In dit artikel betekent toerekeningsvatbaarheid het juridische oordeel over in hoeverre een strafbaar feit aan een verdachte kan worden toegerekend, rekening houdend met een eventuele psychische stoornis. 140
  837. 837 • De auteurs stellen dat dit een juridisch en normatief begrip is, dat niet in psychiatrische of psychologische termen is uitgewerkt, waardoor gedragsdeskundigen eigenlijk buiten hun deskundigheid treden als zij hierover adviseren. 140
  838. 838 • Daarom pleiten zij voor functionele diagnostiek: een systematische beoordeling van welke psychische functies en persoonlijkheidstrekken gestoord waren en in welke mate die invloed hadden op het delict. 140
  839. 839 • De uiteindelijke beslissing over de juridische toerekening moet volgens hen bij de rechter blijven, terwijl de deskundige zich beperkt tot een transparante analyse van psychische factoren en hun invloed. 140
  840. 840 Aanvulling – Hoorcollege 6a 140
  841. 841 Diagnostiek in het Strafrecht 140
  842. 842 • Lij (landelijk instrumentarium jeugdstrafrechtsketen) 140
  843. 843 - Het is een ordeningsinstrument; wat is er aan de hand qua risico’s, het is geen diagnostisch instrument. 140
  844. 844 • Pro Justitia Rapportage (incl. risicotaxatie) 140
  845. 845 • Functionele beperkingen 140
  846. 846 De Strafrechtketen 141
  847. 847 College 6b 144
  848. 848 Handboek V&K – H16 – Allochtone Leerlingen 144
  849. 849 Inleiding 144
  850. 850 • Multiculturele Diagnostiek: diagnostiek waarbij de culturele of talige achtergrond van de persoon die getest wordt niet overeenkomst met de cultuur of taal van de test. 144
  851. 851 • Het gaat daarbij vaak allochtonen (in het buitenland geboren). Voor diagnostiek is het onderscheid tussen westerse allochtonen en niet-westerse allochtonen relevant (personen die niet afkomstig zijn uit de EU, canada, VS, Australië of Nieuw-Zeeland). 144
  852. 852 • Problemen in de diagnostiek zullen vaak groter zijn voor niet westerse allochtonen dan voor westerse allochtonen. 144
  853. 853 Aanvulling – Hoorcollege 6b 146
  854. 854 Waarom Interculturele Diagnostiek 146
  855. 855 • Tot nu toe: diagnostiek van de context ‘de plek’ (pedagogische en schoolse setting) en de persoon (o.a. persoonlijkheid, intelligentie), de diagnostiek in de forensische setting 146
  856. 856 • College nu: aandacht voor interculturele diagnostiek. Dit is een breder thema, en speelt in elke casus een rol, het bepaalt immers mede…Of iets als een probleem wordt gezien, Hoe een probleem wordt gedefinieerd, Hoe een probleem wordt verklaard, Hoe... 146
  857. 857 Doelen 146
  858. 858 1 Bewust zijn van de invloed van cultuur op de ontwikkeling en gedrag van kinderen 146
  859. 859 2 Kritische kijk op de bruikbaarheid/interpreteerbaarheid van instrumenten bij bepaalde groepen 146
  860. 860 3 Kennis van specifieke aandachtspunten in het diagnostisch proces 146
  861. 861 4 Kennis van de factoren waarover informatie moet worden verzameld 146
  862. 862 Allochtone leerlingen? 146
  863. 863 • Sinds 2022 wordt het wordt ‘migratieachtergrond’ niet meer gebruikt. Ook is meer bepalend waar iemand zelf geboren is en minder bepalend waar iemands ouders geboren zijn. 146
  864. 864 • Hoofdindeling westers/niet-westers wordt vervangen door indeling op basis van werelddelen en veelvoorkomende immigratielanden 146
  865. 865 • Bevolking naar geboorteland: 18 miljoen inwoners. Iets meer dan 3 miljoen als migrant naar NL gekomen 146
  866. 866 11,7% is een in NL geboren kind van migranten. 146
  867. 867 • Redenen om te komen naar Amsterdam Werk, Gezinsredenen, Asiel, Studie. 146
  868. 868 Cultuur 147
  869. 869 • Cultuur: systeem van kennis, concepten, regels en praktijken die worden geleerd en overgedragen van de ene generatie op de andere. Bij cultuur horen taal, religie, spiritualiteit, familiestructuren, levensfasen, rituelen, gewoonten, morele en juridi... 147
  870. 870 • Culturele diversiteit uit zich op uiteenlopende niveaus: 147
  871. 871 - Tastbare zaken (bv kleding) 147
  872. 872 - Waarden (bv ontzag voor oudere mensen) 147
  873. 873 - Normen (bv wie geef je een hand) 147
  874. 874 - Basiswaarden (bv de mate van zich verbonden voelen met een groep) 147
  875. 875 • De vraag bij diagnostiek: hoe cultuurgevoelig zijn de instrumenten die je gebruikt, zijn de instrumenten bestemd voor alle achtergronden van cliënten waarmee je te maken hebt. 147
  876. 876 • Interculturele diagnostiek! De vraag bij vragenlijst test, komt de culturele of talige achtergrond van de persoon die getest wordt, overeen met de cultuur of de taal van de test/vragenlijst? 147
  877. 877 Belangrijke vraag voor de diagnostiek 147
  878. 878 1 Kunnen we bij kinderen en gezinnen uit een minderheidsgroep op dezelfde wijze en met dezelfde instrumenten te werk gaan als bij kinderen en gezinnen van de culturele meerderheid? 147
  879. 879 2 Zijn tests bruikbaar voor multiculturele groepen? 147
  880. 880 3 Hoe kun je als diagnosticus vertekening (bias) in de diagnostiek voorkomen? 147
  881. 881 Drie belangrijke aspecten 147
  882. 882 • Drie belangrijkste aspecten in interculturele diagnostiek: 147
  883. 883 A. Methodologische en psychometrische aspecten 147
  884. 884 B. Inhoudelijke aspecten 147
  885. 885 C. Interculturele competenties 147
  886. 886 Methodologische en psychometrische aspecten 147
  887. 887 • Catell onderzocht hoe je ervoor kan zorgen dat een instrument cultuur-vrij kan zijn: 147
  888. 888 - Of een instrument het recht doet bij alle groepen waarbij je het wil afnemen 147
  889. 889 - Of een instrument niet gevoelig is voor cultuur 147
  890. 890 • Culture-free (cultuur vrij): helemaal vrij van culturele invloed. Focust zich vooral op het voorkomen van bias. We willen zo min mogelijke vertekeningen. Bestaat geen test die culture-free is. 147
  891. 891 • Culture-fair: Een test die is ontworpen om de invloed van cultuur en taal te minimaliseren, in plaats van volledig te elimineren. Deze tests gebruiken geen woorden of cijfers, maar focussen op non-verbaal redeneervermogen 147
  892. 892 Twee Complementaire Begrippen (Dit komt op tentamen) 147
  893. 893 1 Vertekening (bias) 147
  894. 894 o Ieder onbedoelde, systematische invloed op testscores, ofwel de bronnen van een gebrek aan vergelijkbaarheid tussen testscores 147
  895. 895 o Voorbeeld 1: aspecten van een instrument gelden wel voor de ene culturele groep, maar niet voor de andere 147
  896. 896 o Er is sprake van vertekening als tenminste een deel van deze cross-culturele verschillen het gevolg is van andere eigenschappen dat die de test probeert te meten 147
  897. 897 ▪ Instrumenten die vooral fluïde intelligentie (de invloed van de taal is gereduceerd hier) meten hebben de minste vertekening (bijv. Raventest). Hierdoor krijg je de meest cultuurvrije interpretatie van een instrument = culture-fair 147
  898. 898 ▪ Niet culture-fair (welk woord hoort er niet) cello, harp, drumstel, viool, gitaar. Wel culture fair (minder te maken met hoog of laag opgeleid (wat is een cello): winkel, banaan, mand, appel, zaad, pruim. 147
  899. 899 o Typen vertekening (bias) 147
  900. 900 ▪ Externe vertekening: als een test voor sommige groepen beter voorspelt dan voor andere groepen 147
  901. 901 ▪ Interne vertekening: de psychologische betekenis van een item of test in verschillend voor verschillende groepen. Gevonden verschillen zijn dan niet toe te schrijven aan dat wat de test bedoeld te meten. Heeft te maken met de constructie. 148
  902. 902 Typen Interne Vertekening en hun Oorsprong 148
  903. 903 2 Equivalentie: Vergelijkbaarheid van testscores 148
  904. 904 o Equivalentie: de mate van vergelijkbaarheid van testscores over culturele groepen 148
  905. 905 o Kwalitatief (structureel): meten we wel dezelfde eigenschap in verschillende groepen? Meten we bij elke groep wat we willen meten? Bijv. intelligentie > Is de test wel valide? 148
  906. 906 o Kwantitatief: zijn de scores binnen en tussen groepen vergelijkbaar? > Mogen we de normtabellen gebruiken? 148
  907. 907 Aanpassing ter Compensatie 148
  908. 908 I. Triangulatie: het gebruik van meerdere bronnen (meer instrumenten om hypothese te toetsen) 148
  909. 909 II. Getrapte Procesdiagnostiek 148
  910. 910 • Stap 1: screenend onderzoek: hoe groot is de kloof tussen cultuur van het kind en cultuur van de onderzoekssituatie 148
  911. 911 • Stap 2: (indien moeilijkheden gesignaleerd in stap 1): moeilijkheden het gevolg van leergeschiedenis en/of onvermogen van het kind? 148
  912. 912 • Stap 3: het maken van eventuele aanpassingen aan onderzoek 148
  913. 913 • Stap 4: een plan (op school) opstellen, uitvoeren en evalueren wat aansluit bij de mogelijkheden van het kind 148
  914. 914 Acculturatie 148
  915. 915 • Acculturatie is het proces waarbij individuen of groepen culturele elementen (normen, waarden, taal, gewoontes) van een andere cultuur overnemen na langdurig contact. 148
  916. 916 • Verwijst naar de (psychologische) processen die zich afspelen bij langdurig cultuurcontact. 148
  917. 917 • De vraag is in hoeverre laat kind/gezin/persoon elementen zien die hij heeft overgenomen van een andere cultuur. 148
  918. 918 • Belangrijk om acculturatie te onderzoeken, want: 148
  919. 919 - Acculturatie blijkt samen te hangen met hoogte of laagte van scores 148
  920. 920 - Niet systematisch benadeeld, standaardisatie gaat discriminatie tegen. Voorwaarde: verschil in achtergrond moet niet te groot zijn! Dit moet je dus onderzoeken van tevoren bij je client. Hoe meer sprake van acculturatie hoe kleiner verschil in tests... 148
  921. 921 - Geen racistische inhoud, maar: formulering items cultureel gebonden en onnodig complex en normering van toepassing op een migrant? 148
  922. 922 - Kinderen met een migratieachtergrond scoorden lager op een intelligentietest en dit was afhankelijk van: 148
  923. 923 o Land van herkomst 148
  924. 924 o Verblijfsduur in Nederland 148
  925. 925 o Sociaaleconomische klasse 148
  926. 926 • Phalet: Maak onderzoek naar acculturatiestrategie standaard onderdeel van de diagnostiek bij intake of anamnese. Zodat je meer informatie verzamelt over cultuurbehoud en culturele aanpassing. 148
  927. 927 Informatie over Acculturatie: 149
  928. 928 • Land van Herkomst: stad, streek, SES en leefomstandigheden in land van herkomst? 149
  929. 929 • Gesproken taal/dialect, geletterdheid en genoten onderwijs (leerervaringen)? 149
  930. 930 • Reden van komst naar Nederland? Wanneer gekomen? 149
  931. 931 • Omstandigheden familie in land van herkomst? 149
  932. 932 • Omstandigheden in Nederlands: SES, buurt, huis? 149
  933. 933 • Kennis van het Nederlands en genoten onderwijs? 149
  934. 934 • Onzekerheid verblijf, illegaliteit, stress, trauma? 149
  935. 935 • Contact met herkomstland, familiebanden, oriëntaties op terugkeer? 149
  936. 936 • Metacontract: onuitgesproken regels, voor hoe het contact verloopt. 149
  937. 937 - Interview; Gentse Acculturisatievragenlijst (GACS) 149
  938. 938 - DSM-5: Cultural Diagnosis Interview 149
  939. 939 Culturele Dimensies 149
  940. 940 • Afwijken van de norm geeft stress 149
  941. 941 • Culturele dimensies kunnen gaan over… 149
  942. 942 - Kleine versus grote machtsafstand tussen generaties 149
  943. 943 Kinderen kunnen onderhandelen, eigen mening wordt gewaardeerd, ruimte voor stellen van kritische vragen 149
  944. 944 - Individualisme VS Collectivisme (mate van loyaliteit aan de groep) 149
  945. 945 - Masculiniteit (mate van competitie en de waarde van succes, scheiding van rollen mannen en vrouwen) 149
  946. 946 - Vermijding van onzekerheid (formele en informele regels, voorspelbaarheid wordt meer gewaardeerd dan creativiteit, tijd is geld, punctueel zijn is belangrijk) 149
  947. 947 - Gerichtheid op de lange termijn (zelfdiscipline vs vrije tijd) 149
  948. 948 - Waardering voor plezier en genot (impulsen realiseren, waar geef je je geld aan uit) 149
  949. 949 Interculturele Competenties ofwel: Cultureel Sensitief handelen 149
  950. 950 • Culturele competentie: 149
  951. 951 - Diversiteit tussen culturen 149
  952. 952 - Diversiteit binnen culturen 149
  953. 953 - Diversiteit in positie die mensen innemen t.o.v. van de cultuur: 149
  954. 954 Meer of minder gericht op de dominante cultuur 149
  955. 955 Meer of minder verbonden met de cultuur waarin men geboren is 149
  956. 956 - Gevraagd: 149
  957. 957 o Sensitiviteit voor verschillen 149
  958. 958 o Een onderzoekende houding 149
  959. 959 o Kennis van de cultuur van de ander 149
  960. 960 o Mentale flexibiliteit om de positie van de ander te ontdekken 149
  961. 961 Aanvulling – Tentamencasus 152

Gekoppeld boek
 image
Uitgever: 26 juni 2024 ISBN: 9789024458721 Druk: 9

Documentinformatie

Studie
Heel boek samengevat?
Nee
Wat is er van het boek samengevat?
H1, h2, h3, h4, h5, h6, h7, h16, h9, h10, h15
Geüpload op
4 maart 2026
Bestand laatst geupdate op
30 april 2026
Aantal pagina's
154
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
$17.70
Gekocht door 45 studenten

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
noelleteeuwen
4.9
(10)
Verkocht
71
Volgers
0
Items
4
Laatst verkocht
1 maand geleden


Reviews van geverifieerde kopers




Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen