SOCIALE FILOSOFIE
INHOUDSTAFEL SAMENVATTING SOCIALE FILOSOFIE
H0: Inleiding
H1: Wat is (sociale) filosofie?
1 Wat is (sociale filosofie)?
1.1 Wat is filosofie?
A. Rechtvaardigheid ≠ gevoel
B. Onderwerp van de filosofie
1.2 Wat is sociale filosofie?
A. Filosofie voor SOW’ers: wht the f*?
1.3 Waarom sociale filosofie voor SOW’ers?
A. Ethische beginselen
B. Sociaal werk is een normatief beroep
2 Afsluiten van het hoofdstuk
H2: Individualisme en de (on)afhankelijkheid van het individu
1 Het onafhankelijk individu
1.1 Het individu bij Descartes
A. Context van Descartes
B. Methode van Descartes
C. Descartes’ twijfelexperiment
D. Begrippen
1.2 Individualisme/antropoceen
A. Individualisme en Descartes
B. Individualisme en universalisme
1.3 Positieve en negatieve gevolgen van individualisme
2 Het afhankelijk individu
2.1 Afhankelijkheid van jezelf
A. Beheersingslogica
2.2 Afhankelijkheid van anderen: het sociale zelf
A. Het zelf
B. Arendt haar extreem: jezelf in de ander
C. Schema van sociale erkenning
D. Sociale erkenning in de samenleving
2.3 Afhankelijkheid van de wereld
2.4 Afronding: (on)afhankelijkheid in de samenleving
2.5 Afronding: afhankelijkheid van het individu: de vergeten chance-factoren (ook belangrijk)
1
,H3: Vrijheid
1 Belang van vrijheid
2 Wat is vrijheid?
3 Zijn we vrij?
3.1 Bestaat vrijheid? Ben je vrij? Kan je vrij zijn?
A. Ontmoet Sara
3.2 Zijn we vrij? Verklaren <-> begrijpen
A. Dilthey
3.3 Wat betekent die vrijheid?
4 Interne vrijheid
4.1 Kritiek op klassieke beeld van interne vrijheid
4.2 Waar ligt de interne vrijheid?
4.3 Interne vrijheid volgens H. Frankfurt
A. Wat is de echte vrijheid en wanneer ben je dan intern vrij?
5 Externe vrijheid
5.1 Negatieve vrijheid
A. Externe vrijheid: negatieve vrijheid
B. Kritiek op negatieve vrijheid
5.2 Positieve vrijheid
A. Externe vrijheid: positieve vrijheid
6 Discussie tussen negatieve en positieve vrijheid
6.1 Externe vrijheid: opheffen/vervaging tegenstelling negatieve vrijheid – positieve vrijheid
A. Voorbeeld van de opheffing
B. Ander voorbeeld vervlechting negatieve en positieve vrijheid
7 Republikeinse vrijheid
7.1 Startvraag: Wanneer ‘ontstaat’ externe vrijheid?
7.2 Republikeinse versus negatieve vrijheid
A. ‘Vrije’ ouders
B. Strenge ouders
C. Afspraken: brave jongere
D. Afspraken: stoute jongere
7.3 Argumenten tegen negatieve vrijheidsideaal (laatste 2 lijntjes van de tabel)
A. 1ste argument tegen negatieve vrijheidsideaal: je kan (republikeins) onvrij zijn zonder
inmenging
B. 2de argument tegen negatieve vrijheidsideaal: je kan (republikeins) vrij zijn mét inmenging
2
,H4: Rechtvaardigheid
1 Cases: rechtvaardigheid is vaak niet eenduidig
1.1 Zaken die botsen met de mening van het publiek
2 Belang van rechtvaardigheid
3 Wat is rechtvaardigheid?
3.1 Verschil tussen concept en concepties
3.2 Elementen van de definitie
4 4 paren van rechtvaardigheid
4.1 Correctieve versus distributieve RV
4.2 Conservatieve versus progressieve RV
4.3 Procedurele versus substantiële RV
4.4 Vergelijkende versus niet-vergelijkende RV
4.5 Hoe te kennen?
En dan nog wat info over het examen!
3
,H0: Inleiding
Vak richtlijnen:
Invulling van de inhoud is anders dan sociologie
Meer een verhaal (per thema), maar nog altijd noteren
o Vooral verhaal navertellen aan een toehoorder
Enkel hoorcolleges, maar wij mogen ook praten
Mondeling examen
o Je krijgt alle examenvragen van tevoren
Materiaal:
o lespresentaties
o Lesopnames
OM TE HELPEN STUDEREN:
Elk hoofdstuk kun je vergelijken met een duploblokkenconstructie
TIP: duploblokkenconstructie/rode draad Stijn vertelt een bepaald verhaal
o Er was eens… = onderste duploblokken
o Heel het verhaal ligt op een speciale manier in elkaar net zoals bij een figuur uit
duploblokken
o Dus bouw je verhaal op & vergeet niks!!!!
o Je moet elke blokje kunnen uitleggen en hoe het past in de figuur
o Verbindingen zijn héél belangrijk!
o Rode draad is belangrijk!
o Je moet bij elke dia je afvragen waarom het nodig is dat deze dia in de powerpoint zit
EXAMEN: Wat betekent dit … & ‘Hoe past dat in het geheel?’ (anders ben je er niks mee)
Je moet het niet altijd eens zijn met Stijn!
4
,H1: Wat is (sociale) filosofie?
1. Wat is (sociale) filosofie?
1.1 Wat is filosofie?
WEL:
Je vertrekt van verwondering
Vooral bij kinderen
o Nog niet oordelen
o Naderhand verliezen ze dat anders is het moeilijk te leven (als je bij alles iets afvraagt: wat,
waar, wanneer, waarom, hoe?...)
Filosofen proberen de verwondering open te houden
Dus we gaan fundamentele vragen stellen
Voorbeelden: Socrates, Sofisten
Socrates:
o “kennis/waarheid zit in jou”, maar die moet er worden uitgehaald
o = verloskunde
Sofisten
o Waren verbonden aan Socrates
o Waren gehaaide advocaten
o Probeerden altijd gelijk te krijgen
Op die fundamentele vragen proberen filosofen antwoorden te geven obv argumenten
MAAR altijd open staan voor kritiek
o (Bv: dagelijks taalgebruik (‘mijn levensfilosofie…’) niet zo belangrijk)
DUS OP BASIS VAN ARGUMENTEN KRITISCH REFLECTEREN!
NIET:
Mening (is niet perse geargumenteerd)
Geloof
Gevoel (ethisch aanvoelen)
Kan wel gebeuren
A. Rechtvaardigheid ≠ gevoel
5
, Voorbeeld: moordenaar komt vrij door procedurefouten of onschuldig in de gevangenis zitten
Ergste: onschuldig in de gevangenis zitten (rechtvaardigheid)
B. Onderwerp van de filosofie
= het onzichtbare
Waarden: hoe iets hoort te zijn
o = zintuigelijke niet-waarneembare zaken
Bv: verwond konijn – verwond luipaard
Bv: vooruitgang Wat is dat? (1)
Bv: het normale aan de eigen cultuur (2)
(1) Vooruitgangsgedachte = er is een sterk geloof in de vooruitgang van deze wereld
“Waarom is het vandaag beter dan 100 jaar geleden?”
o Iedereen mag en kan naar school gaan
o AI
o Vakbonden: ziekteverzekering…
o Liefdadigheidsorganisaties (bv: kerk)
o Vrouwenrechten
o Klimaatopwarming
o Vooruitgang in de technologie
Je hebt indicatoren nodig om aan te tonen wat vooruitgang is
Er is ook twijfel over vooruitgang!
6
INHOUDSTAFEL SAMENVATTING SOCIALE FILOSOFIE
H0: Inleiding
H1: Wat is (sociale) filosofie?
1 Wat is (sociale filosofie)?
1.1 Wat is filosofie?
A. Rechtvaardigheid ≠ gevoel
B. Onderwerp van de filosofie
1.2 Wat is sociale filosofie?
A. Filosofie voor SOW’ers: wht the f*?
1.3 Waarom sociale filosofie voor SOW’ers?
A. Ethische beginselen
B. Sociaal werk is een normatief beroep
2 Afsluiten van het hoofdstuk
H2: Individualisme en de (on)afhankelijkheid van het individu
1 Het onafhankelijk individu
1.1 Het individu bij Descartes
A. Context van Descartes
B. Methode van Descartes
C. Descartes’ twijfelexperiment
D. Begrippen
1.2 Individualisme/antropoceen
A. Individualisme en Descartes
B. Individualisme en universalisme
1.3 Positieve en negatieve gevolgen van individualisme
2 Het afhankelijk individu
2.1 Afhankelijkheid van jezelf
A. Beheersingslogica
2.2 Afhankelijkheid van anderen: het sociale zelf
A. Het zelf
B. Arendt haar extreem: jezelf in de ander
C. Schema van sociale erkenning
D. Sociale erkenning in de samenleving
2.3 Afhankelijkheid van de wereld
2.4 Afronding: (on)afhankelijkheid in de samenleving
2.5 Afronding: afhankelijkheid van het individu: de vergeten chance-factoren (ook belangrijk)
1
,H3: Vrijheid
1 Belang van vrijheid
2 Wat is vrijheid?
3 Zijn we vrij?
3.1 Bestaat vrijheid? Ben je vrij? Kan je vrij zijn?
A. Ontmoet Sara
3.2 Zijn we vrij? Verklaren <-> begrijpen
A. Dilthey
3.3 Wat betekent die vrijheid?
4 Interne vrijheid
4.1 Kritiek op klassieke beeld van interne vrijheid
4.2 Waar ligt de interne vrijheid?
4.3 Interne vrijheid volgens H. Frankfurt
A. Wat is de echte vrijheid en wanneer ben je dan intern vrij?
5 Externe vrijheid
5.1 Negatieve vrijheid
A. Externe vrijheid: negatieve vrijheid
B. Kritiek op negatieve vrijheid
5.2 Positieve vrijheid
A. Externe vrijheid: positieve vrijheid
6 Discussie tussen negatieve en positieve vrijheid
6.1 Externe vrijheid: opheffen/vervaging tegenstelling negatieve vrijheid – positieve vrijheid
A. Voorbeeld van de opheffing
B. Ander voorbeeld vervlechting negatieve en positieve vrijheid
7 Republikeinse vrijheid
7.1 Startvraag: Wanneer ‘ontstaat’ externe vrijheid?
7.2 Republikeinse versus negatieve vrijheid
A. ‘Vrije’ ouders
B. Strenge ouders
C. Afspraken: brave jongere
D. Afspraken: stoute jongere
7.3 Argumenten tegen negatieve vrijheidsideaal (laatste 2 lijntjes van de tabel)
A. 1ste argument tegen negatieve vrijheidsideaal: je kan (republikeins) onvrij zijn zonder
inmenging
B. 2de argument tegen negatieve vrijheidsideaal: je kan (republikeins) vrij zijn mét inmenging
2
,H4: Rechtvaardigheid
1 Cases: rechtvaardigheid is vaak niet eenduidig
1.1 Zaken die botsen met de mening van het publiek
2 Belang van rechtvaardigheid
3 Wat is rechtvaardigheid?
3.1 Verschil tussen concept en concepties
3.2 Elementen van de definitie
4 4 paren van rechtvaardigheid
4.1 Correctieve versus distributieve RV
4.2 Conservatieve versus progressieve RV
4.3 Procedurele versus substantiële RV
4.4 Vergelijkende versus niet-vergelijkende RV
4.5 Hoe te kennen?
En dan nog wat info over het examen!
3
,H0: Inleiding
Vak richtlijnen:
Invulling van de inhoud is anders dan sociologie
Meer een verhaal (per thema), maar nog altijd noteren
o Vooral verhaal navertellen aan een toehoorder
Enkel hoorcolleges, maar wij mogen ook praten
Mondeling examen
o Je krijgt alle examenvragen van tevoren
Materiaal:
o lespresentaties
o Lesopnames
OM TE HELPEN STUDEREN:
Elk hoofdstuk kun je vergelijken met een duploblokkenconstructie
TIP: duploblokkenconstructie/rode draad Stijn vertelt een bepaald verhaal
o Er was eens… = onderste duploblokken
o Heel het verhaal ligt op een speciale manier in elkaar net zoals bij een figuur uit
duploblokken
o Dus bouw je verhaal op & vergeet niks!!!!
o Je moet elke blokje kunnen uitleggen en hoe het past in de figuur
o Verbindingen zijn héél belangrijk!
o Rode draad is belangrijk!
o Je moet bij elke dia je afvragen waarom het nodig is dat deze dia in de powerpoint zit
EXAMEN: Wat betekent dit … & ‘Hoe past dat in het geheel?’ (anders ben je er niks mee)
Je moet het niet altijd eens zijn met Stijn!
4
,H1: Wat is (sociale) filosofie?
1. Wat is (sociale) filosofie?
1.1 Wat is filosofie?
WEL:
Je vertrekt van verwondering
Vooral bij kinderen
o Nog niet oordelen
o Naderhand verliezen ze dat anders is het moeilijk te leven (als je bij alles iets afvraagt: wat,
waar, wanneer, waarom, hoe?...)
Filosofen proberen de verwondering open te houden
Dus we gaan fundamentele vragen stellen
Voorbeelden: Socrates, Sofisten
Socrates:
o “kennis/waarheid zit in jou”, maar die moet er worden uitgehaald
o = verloskunde
Sofisten
o Waren verbonden aan Socrates
o Waren gehaaide advocaten
o Probeerden altijd gelijk te krijgen
Op die fundamentele vragen proberen filosofen antwoorden te geven obv argumenten
MAAR altijd open staan voor kritiek
o (Bv: dagelijks taalgebruik (‘mijn levensfilosofie…’) niet zo belangrijk)
DUS OP BASIS VAN ARGUMENTEN KRITISCH REFLECTEREN!
NIET:
Mening (is niet perse geargumenteerd)
Geloof
Gevoel (ethisch aanvoelen)
Kan wel gebeuren
A. Rechtvaardigheid ≠ gevoel
5
, Voorbeeld: moordenaar komt vrij door procedurefouten of onschuldig in de gevangenis zitten
Ergste: onschuldig in de gevangenis zitten (rechtvaardigheid)
B. Onderwerp van de filosofie
= het onzichtbare
Waarden: hoe iets hoort te zijn
o = zintuigelijke niet-waarneembare zaken
Bv: verwond konijn – verwond luipaard
Bv: vooruitgang Wat is dat? (1)
Bv: het normale aan de eigen cultuur (2)
(1) Vooruitgangsgedachte = er is een sterk geloof in de vooruitgang van deze wereld
“Waarom is het vandaag beter dan 100 jaar geleden?”
o Iedereen mag en kan naar school gaan
o AI
o Vakbonden: ziekteverzekering…
o Liefdadigheidsorganisaties (bv: kerk)
o Vrouwenrechten
o Klimaatopwarming
o Vooruitgang in de technologie
Je hebt indicatoren nodig om aan te tonen wat vooruitgang is
Er is ook twijfel over vooruitgang!
6