• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 63 pagina's
Samenvatting

Samenvatting De Complete Staatsrecht Cheat Sheet

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 63 pagina's

Deze staatsrecht samenvatting biedt een duidelijk en gestructureerd overzicht van alle belangrijke onderwerpen binnen het staatsrecht. De kernbegrippen, beginselen en staatsorganen worden helder uitgelegd en overzichtelijk weergegeven. Ideaal als ondersteuning tijdens het vak en als efficiënte voorbereiding op tentamens.

Voorbeeld van de inhoud

SAMENVATTING STAATSRECHT COMPLEET
🌟H1 ALGEMENE BEGRIPPEN
1.1 INLEIDING
Nederland kent een gedecentraliseerde eenheidsstaat. De centrale overheid is onderverdeeld
in provincies, die op hun beurt bestaan uit gemeenten en waterschappen. Deze bestuurlijke
verdeling heet territoriale decentralisatie.

 Waterschappen zijn verantwoordelijk voor het waterbeheer en de waterhuishouding.
 Nederland kent twee vormen van decentralisatie:
o Autonomie: lagere overheden (zoals gemeenten en provincies) krijgen
bevoegdheden die zij zelfstandig mogen uitvoeren.
o Medebewind: lagere overheden voeren taken uit op basis van een hogere
regeling; zij zijn dus verplicht mee te werken aan het beleid van het Rijk.

Belangrijke staatsrechtelijke organen:
-Ministerraad: alle ministers samen (art. 45 lid 1 Gw).
-Regering: de Koning en alle ministers (art. 42 lid 1 Gw).
-Kabinet: ministers én staatssecretarissen.
-Parlement: Eerste en Tweede Kamer.
-Staten-Generaal: Eerste en Tweede Kamer gezamenlijk (art. 51 lid 1 Gw).

1.2 STAAT EN STAATSRECHT
Kenmerken van een Staat
Een staat is een organisatie:

 die betrekking heeft op een bepaald territorium;
 die binnen dat grondgebied gezag uitoefent (burgers kan binden, regels opleggen en
sancties toepassen);
 die het geweldsmonopolie bezit: alleen de staat mag geweld gebruiken of burgers
straffen;
 die beschikt over interne soevereiniteit, wat inhoudt dat zij zelfstandig beslissingen mag
nemen en uitvoeren;
 die extern erkend wordt door andere staten, waardoor zij mag deelnemen aan
het internationale rechtsverkeer(zoals verdragen sluiten).

Een bijkomend (niet noodzakelijk) kenmerk is een zekere eenheid van bevolking, bijvoorbeeld
door taal, cultuur of geschiedenis.

Internationaal perspectief
-Een staat moet door andere staten erkend worden om volwaardig te kunnen deelnemen aan de
internationale gemeenschap. Zo’n erkenning heeft als gevolg dat het grondgebied beschermd
wordt tegen inmenging van buitenaf (internationaal agressieverbod en recht op zelfverdediging).

Geweldsmonopolie:
De staat bewaakt de openbare orde en veiligheid. Burgers accepteren dit gezag omdat zij er
bescherming, rust en goed bestuur voor terugkrijgen.

Totstandkoming van een Staat
Er bestaan geen vaste juridische regels voor het ontstaan van een staat.
-In de praktijk ontstaat een staat wanneer er een werkende overheidsorganisatie is met
effectief gezag, die ook internationaal wordt erkend.

-Soms ontstaat een staat door secessie (afscheiding van een deelgebied), zoals in de
geschiedenis van Spanje of de Verenigde Staten.

,Rechtspersoonlijkheid van de Staat
De Nederlandse staat bezit rechtspersoonlijkheid (art. 2:1 lid 1 BW).
Dat betekent dat de staat:

 als publiekrechtelijk persoon wetten en besluiten kan vaststellen;
 als privaatrechtelijk persoon overeenkomsten kan sluiten, eigendom kan hebben en
verplichtingen kan aangaan.

1.3 SOEVEREINITEIT
Soevereiniteit betekent het recht van een staat om zijn eigen koers te bepalen zonder
inmenging van andere staten. Er zijn verschillende dimensies van soevereiniteit:

 Interne soevereiniteit: de autonomie van de staat om eigen beslissingen te nemen.
 Soevereiniteit als hoogste gezag: geeft aan wie binnen de staat de ultieme
beslissingsmacht heeft.
 Soevereiniteit als legitimatie: geeft aan waarop het gezag van de staat is gebaseerd
(bijv. de wil van het volk).
 Externe soevereiniteit: de internationale erkenning van de staat en haar rechten
tegenover andere staten.

Betekenissen samengevat

1. Interne soevereiniteit is essentieel: zonder interne soevereiniteit is er geen staat.
2. Binnen Nederland ligt de hoogste beslissingsmacht bij de Grondwet en
de wetgever (die in sommige gevallen een 2/3-meerderheid nodig heeft).
3. De legitimatie van gezag kan democratisch zijn: de macht vloeit voort uit “het volk”
(volkssoevereiniteit).
4. Op internationaal niveau betekent soevereiniteit: onafhankelijkheid en bescherming tegen
inmenging.
5. In hedendaagse discussies wordt soevereiniteit ook politiek gebruikt als pleidooi voor
meer nationale zeggenschap, vaak in relatie tot de Europese Unie.

1.4 CONSTITUTIES EN GRONDWETTEN
Constitutie (basisstructuur) met rechtsregels die het staatsgezag en organisatie van de staat
vastleggen over:

 de staatsorganen en hun bevoegdheden;
 de rechten van burgers;
 de procedures en organisatie van de rechtspraak.

In Nederland is de Grondwet (Constitution) het fundament van deze structuur.

 Rigide constitutie: moeilijk te wijzigen (zoals in Nederland, waar grondwetswijziging
twee lezingen en een 2/3-meerderheid vereist).
 Flexibele constitutie: eenvoudig te wijzigen, vaak via gewone wetgeving.


De constitutie van Nederland is te vinden in:
- Statuut voor het Konikrijk der Nederlanden  Organisatie van het Koninkrijk en
verhoudingen/samenwerking Nederland en overzeese delen Koninkrijk  Waar staat
deze ookal weer in de wettenbunel?
- De grondwet (Gw)  regels voor inrichting en functioneren van Nederlandse staat en
verdeling staatsmacht
- Organieke wetten: Een organieke wet is een speciaal soort wet die belangrijke
instellingen of procedures van de overheid regelt en vaak meer bescherming of een
strengere procedure vereist dan gewone wetten.

, als de grondwet bepaalt dat iets (nader) geregeld moet worden in een wet in formele zin, zie
bijv. art. 132 lid 1 Gw, Gemeentewet
- Gewoonterecht, verdragen en jurisprudentie

 DE NEDERLANDSE STAAT
- Kenmerken van een staat?
- Territorium (afgebakend grondgebied), gemeenschap van mensen, hoogste gezag
(soevereiniteit en erkenning door andere landen)
- Zijn dit staten?  Nederland, Friesland, België, hogeschool Windesheim
- Waarom van belang? Een staat (overheid) dient het algemeen belang: bescherming van
burgers, handhaven orde en nastreven belang van de (meeste) burgers en staat als
geheel.
- Koninkrijk der Nederlanden
Nederland is onderdeel van het koninkrijk
Curaçao, Sint-Maarten en Aruba zelf zelfstandige staten binnen het koninkrijk
Bes- eilanden zijn openbare lichamen een soort overzeese gemeenten
Statenbond; samenwerkingsverband tussen zelfstandige staten



1.5 HET STAATSRECHT
Staatsrecht is het recht dat betrekking heeft op de organisatie van een staat. Het regelt daarbij de
samenstelling, bevoegdheden en verhoudingen van organen van de staat en de rechten van
burgers ten opzichte van de staat.

Hoe verhoudt het staatsrecht zich tot het bestuursrecht?

Staats- of Bestuursrecht?
- Aanvraag parkeervergunning  bestuursrecht
- Relatie Minister en Parlement  staatsrecht
- bevoegdheden van een Staatssecretaris  staatsrecht
- Extra politie-inzet bij de wedstrijd Ajax-Feyenoord  bestuursrecht
- Slagen voor je rijexamen  bestuursrecht


Het staatsrecht (of constitutioneel recht) bestudeert de organisatie en werking van de staat.
Het gaat om:

 nationale instellingen: parlement, regering, ministers, rechterlijke macht;
 decentrale instellingen: provincies, gemeenten en waterschappen;
 de verhouding tussen overheid en burger (grondrechten).

Belangrijkste vragen van het staatsrecht

1. Bevoegdheidsvraag: welke bevoegdheden zijn aan een orgaan toegekend, en door
welke wet of grondwet?
2. Reikwijdtevraag: wat houdt die bevoegdheid precies in en hoe ver strekt zij?
3. Grenzen aan bevoegdheden: mag een bevoegdheid worden gebruikt zonder strijd met
andere regels of beginselen (zoals proportionaliteit of vertrouwen)?
4. Controle en rechtsbescherming: wie ziet toe op de naleving?
o Vaak is dit de rechter, of via het petitierecht een vertegenwoordigend orgaan
zoals de Tweede Kamer.

, Waar staat het staatsrecht?
Het staatsrecht is vastgelegd in:

 De Grondwet (geschreven staatsrecht);
 Wetten en andere regelingen;
 Ongeschreven staatsrecht, bestaande uit gewoonten en politieke gebruiken.

Een belangrijk ongeschreven beginsel is de vertrouwensregel:
Het kabinet en de ministers moeten het vertrouwen van het parlement hebben. Zodra dat
vertrouwen ontbreekt, moeten zij aftreden. Deze regel is niet in de Grondwet vastgelegd, maar
vormt de kern van het Nederlandse parlementaire stelsel.

1.6 DE RECHTSSTAAT
Een rechtsstaat is een staat waarin overheidsmacht wordt beperkt en gecontroleerd door het
recht.
Belangrijke kenmerken zijn:

 De overheid handelt op basis van algemene regels en niet willekeurig.
 Er is een scheiding der machten (trias politica) tussen wetgevende, uitvoerende en
rechterlijke macht.
 Het legaliteitsbeginsel geldt: de overheid mag alleen optreden op grond van de wet.
 Grondrechten van burgers worden erkend en beschermd.
 Er is een onafhankelijke rechterlijke macht die toeziet op naleving van de wet en
bescherming van individuele rechten en vrijheden.

Kortom: de rechtsstaat waarborgt vrijheid, rechtszekerheid en bescherming tegen
machtsmisbruik door de overheid.

1.7 DEMOCRATIE
Het woord democratie komt uit het Grieks en betekent letterlijk heerschappij van het volk.
In een democratie krijgt de bevolking zeggenschap over het bestuur van de staat. Er bestaan
verschillende vormen van democratie.

Directe democratie
Bij directe democratie beslist de bevolking zelf over wetten en belangrijke beleidskwesties.
• Burgers nemen rechtstreeks besluiten, zonder vertegenwoordigers.
• Deze vorm is moeilijk uitvoerbaar in moderne staten, omdat:
– het veel tijd en organisatie kost;
– sommige zaken beter aan deskundigen kunnen worden overgelaten;
– consistentie van beleid moeilijk te waarborgen is.

Indirecte democratie
In een indirecte (of representatieve) democratie kiezen burgers vertegenwoordigers die namens
hen besluiten nemen.
• De volksvertegenwoordiging maakt wetten en bestuurt het land.
• De invloed van burgers is indirect, via verkiezingen.
• Deze vorm is praktischer en zorgt voor deskundig bestuur.

Combinaties en referenda
Omdat de indirecte democratie soms afstand creëert tussen burgers en bestuur, bestaan er
instrumenten die directe invloed van burgers mogelijk maken. Het belangrijkste daarvan is
het referendum.
• Een referendum is een stemming van kiezers over een concreet vraagstuk.
• Het kan dienen als aanvulling of correctie op de representatieve democratie.
• Verschillende soorten referenda:
– Bindend referendum: de uitslag is juridisch verplichtend.

Inhoudsopgave

  1. 01 1.2 STAAT EN STAATSRECHT Kenmerken van een Staat Een staat is een organisatie: 1
    1. Internationaal perspectief -Een staat moet door andere staten erkend worden om volwaardig te kunnen deelnemen aan de internationale gemeenschap. Zo’n erkenning heeft als gevolg dat het grondgebied beschermd wordt tegen inmenging van buitenaf (internationaal agressieverbod en recht op zelfverdediging). 1
    2. Totstandkoming van een Staat Er bestaan geen vaste juridische regels voor het ontstaan van een staat. -In de praktijk ontstaat een staat wanneer er een werkende overheidsorganisatie is met effectief gezag, die ook internationaal wordt erkend. 1
    3. Rechtspersoonlijkheid van de Staat De Nederlandse staat bezit rechtspersoonlijkheid (art. 2:1 lid 1 BW). Dat betekent dat de staat: 2
  2. 02 1.3 SOEVEREINITEIT Soevereiniteit betekent het recht van een staat om zijn eigen koers te bepalen zonder inmenging van andere staten. Er zijn verschillende dimensies van soevereiniteit: 2
    1. Betekenissen samengevat 2
  3. 03 1.4 CONSTITUTIES EN GRONDWETTEN Constitutie (basisstructuur) met rechtsregels die het staatsgezag en organisatie van de staat vastleggen over: 2
  4. 04 1.5 HET STAATSRECHT Staatsrecht is het recht dat betrekking heeft op de organisatie van een staat. Het regelt daarbij de samenstelling, bevoegdheden en verhoudingen van organen van de staat en de rechten van burgers ten opzichte van de staat. 3
  5. 05 Hoe verhoudt het staatsrecht zich tot het bestuursrecht? 3
  6. 06 Staats- of Bestuursrecht? - Aanvraag parkeervergunning  bestuursrecht - Relatie Minister en Parlement  staatsrecht - bevoegdheden van een Staatssecretaris  staatsrecht - Extra politie-inzet bij de wedstrijd Ajax-Feyenoord  bestuursrecht - Slagen voor je rijexamen  bestuursrecht 3
  7. 07 Het staatsrecht (of constitutioneel recht) bestudeert de organisatie en werking van de staat. Het gaat om: 3
    1. Belangrijkste vragen van het staatsrecht 3
    2. Waar staat het staatsrecht? Het staatsrecht is vastgelegd in: 4
  8. 08 1.6 DE RECHTSSTAAT Een rechtsstaat is een staat waarin overheidsmacht wordt beperkt en gecontroleerd door het recht. Belangrijke kenmerken zijn: 4
  9. 09 1.7 DEMOCRATIE Het woord democratie komt uit het Grieks en betekent letterlijk heerschappij van het volk. In een democratie krijgt de bevolking zeggenschap over het bestuur van de staat. Er bestaan verschillende vormen van democratie. 4
  10. 10 11.8 KIESSTELSELS In een representatieve democratie is het belangrijk dat de wil van de kiezer wordt vertaald in de samenstelling van het parlement of in de verkiezing van bepaalde ambten (zoals een president). Een kiesstelsel bepaalt hoe stemmen worden omgezet in zetels en welke regels gelden voor verkiezingen. 5
  11. 11 1.9 POLITIEKE PARTIJEN Geen Partijenwet Nederland kent (nog) geen specifieke wet voor politieke partijen. Alleen de Kieswet stelt eisen: een partij moet een vereniging met volledige rechtspersoonlijkheid zijn. Eind 2022 is een wetsvoorstel aangekondigd: Wet op de politieke partijen (Wpp). 6
  12. 12 1. Rol en functies van politieke partijen a. Rekruterings- en selectiefunctie (belangrijkste functie) - Partijen stellen kandidatenlijsten op voor verkiezingen (gemeente, provincie, Kamer). - Hierdoor bepalen partijen wie politieke macht kan uitoefenen. 6
    1. b. Formuleren en articuleren van politieke wensen - Partijen vertalen maatschappelijke wensen naar standpunten en partijprogramma’s. - Zij maken politieke keuzes zichtbaar voor kiezers. 6
    2. c. Platform voor interne democratie - Via ledenvergaderingen kunnen burgers inspraak hebben in koers en beleid van hun partij. - Partijen verbinden burgers met het politieke systeem. 6
    3. d. Bijdrage aan democratisch debat - Partijen onderhandelen, sluiten compromissen en zorgen zo voor bestuurbare politiek. 6
  13. 13 2. Politieke partijen binnen verschillende stelsels Evenredige vertegenwoordiging (zoals NL) - Lijstenstelsel → grote rol voor partijen bij selectie van kandidaten. - Variatie in interne organisatie (coherentie) is mogelijk, maar rekruteringsfunctie blijft cruciaal. 6
    1. Parlementair stelsel (zoals NL) - Regering steunt op een (coalitie)meerderheid. Dus is eenheid binnen regeringsfracties belangrijk om het kabinet in stand te houden. - Dit leidt tot fractiediscipline:  stemmen is formeel vrij; geen juridisch mandaat;  maar partijen kunnen door hun rekruteringsmacht wél druk uitoefenen op fractieleden. 6
    2. Presidentieel stelsel - Parlement draagt niet de regering. - Partijen in het congres hoeven geen eenheid te tonen om een regering overeind te houden. 6
  14. 14 3. Ontwikkelingen: fragmentatie - Afname grote partijen + hogere kiezersvolatiliteit → meer, kleinere partijen. - Vooral lokaal en provinciaal veel nieuwe/lokale partijen. - Gevolgen: versnippering en instabieler beleid op middellange termijn;  kleine fracties zonder werkverdeling → minder effectieve parlementaire arbeid. 6
    1. §1 de drie functies en machten 1. Wetgevende macht - Maakt algemeen verbindende voorschriften (materiële wetten). - Algemeen: gelden voor iedereen binnen een bepaalde categorie (bijv. alle verkeersdeelnemers). -Verbindend: burgers zijn eraan gebonden, mits de wetgever grondwettelijke bevoegdheid heeft. 7
    2. 2. Uitvoerende macht -Past de wetten toe in de praktijk. Voorbeelden: vergunningen verlenen of weigeren, belastingen innen, subsidies verstrekken, opsporen en vervolgen van overtreders. 7
    3. 3. Rechtsprekende macht - Beslist over geschillen (burger-burger, burger-overheid en strafzaken). - Interpreteert wetten wanneer dit nodig is. - Kan wetgeving en besluiten toetsen aan rechtmatigheid en grondwettigheid. 7
  15. 15 ⭐ H2: HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN 2.1 Inleiding: Staat Nederland vs. Koninkrijk der Nederlanden Staat der Nederlanden = Nederland zelf, zoals geregeld in de Grondwet. Bestaat uit: 10
  16. 16 2.2 Het Statuut Stamt uit 1954, meerdere keren gewijzigd.  Het Koninkrijk bestaat uit vier landen: Nederland, Aruba, Curaçao, Sint-Maarten. 10
    1. §2.2.1 Hoofdkenmerken van het Statuut 10
  17. 17 2.3 De organen van het Koninkrijk Organen lijken op Nederlandse staatsorganen, maar zijn Koninkrijk breed. 11
    1. 1. Rijkswetgever (voor rijkswetten) Bestaat uit: - Staten-Generaal (NL parlement) - Koninkrijksregering 11
    2. 2. Koninkrijksregering Bestaat uit: - de Koning - de Nederlandse ministers 11
    3. 3. Rijksministerraad 11
    4. 4. Raad van State van het Koninkrijk 11
    5. 5. Hoge Raad Statuut: bevoegd voor cassatie in civiele en strafzaken. Werkt via: Gemeenschappelijk Hof van Justitie (rijkswet art. 38 lid 2) voor arresten afkomstig van de 3 Caribische landen. 11
  18. 18 2.4 Bevoegdheden nader bezien Artikel 3 Statuut bevat de limitatieve opsomming van de Koninkrijk aangelegenheden. Dit zijn bevoegdheden die niet door de afzonderlijke landen (Nederland, Aruba, Curaçao, Sint-Maarten) kunnen worden uitgeoefend, maar uitsluitend door de Koninkrijksregering. De belangrijkste Koninkrijk aangelegenheden zijn: 11
    1. 1. DEFENSIE Defensie is een Koninkrijk aangelegenheid. In de praktijk betekent dit dat het Nederlandse leger tevens het leger van het Koninkrijk vormt. De Caribische landen hebben dus geen eigen krijgsmacht. 12
    2. 2. BUITENLANDSE BETREKKINGEN Ook de buitenlandse betrekkingen – inclusief het sluiten, goedkeuren en bekrachtigen van verdragen – behoren tot de bevoegdheid van het Koninkrijk. 12
    3. 3. DE EU EN DE CARBISCHE DELEN VAN HET KONINKRIJK De Caribische landen maken geen deel uit van de EU. De EU-verdragen zijn niet van toepassing op Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. 12
    4. 4. NATIONALITEIT De regeling van het Nederlanderschap is een Koninkrijksaangelegenheid. Het is geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap. 13
    5. 5. Wijziging van het Statuut Om te voorkomen dat één land het Statuut kan wijzigen tegen de wil van andere landen, bepaalt het Statuut dat een wijziging alleen kan plaatsvinden bij onderlinge overeenstemming van alle vier de landen. 13
  19. 19 2.5 Toezicht en waarborgen Artikel 43 lid 2 Statuut: Koninkrijk moet waarborgen: 13
  20. 20 BELANGRIJKE COLLEGEPUNTEN DIE JE MOET KENNEN 14
    1. Vertrouwensregel: Regering/minister moet aftreden als parlement vertrouwen opzegt. 14
    2. Koninkrijk is een statenbond: Gebaseerd op het Statuut (verdrag tussen landen). 14
    3. Constitutionele monarchie 14
    4. Parlementaire onschendbaarheid: Art. 71 Gw → Kamerleden kunnen niet worden vervolgd voor wat zij in de vergadering zeggen. 14
  21. 21 ?H3 DE INTERNATIONALE RECHTSORDE 14
    1. §1. Wat is internationaal recht en waarom is het belangrijk? 14
    2. §2. Verdragen en internationale organisaties Een verdrag is volgens art. 2 Verdrag van Wenen een schriftelijke overeenkomst tussen staten, beheerst door het internationaal recht. Verdragen kunnen bilateraal of multilateraal zijn en kunnen ook internationale organisaties oprichten. 14
    3. §3. Totstandkoming, werking en beëindiging van verdragen De totstandkoming van een verdrag verloopt in hoofdlijnen als volgt: 15
    4. §4. Monisme, dualisme en de Nederlandse rechtsorde In een dualistisch stelsel geldt internationaal recht niet automatisch nationaal; omzetting via nationale wetgeving is vereist. In een monistisch stelsel werkt internationaal recht direct door in de nationale rechtsorde. 15
    5. §5. Toepassing door de rechter en grenzen van art. 94 Gw De rechter moet nationale wetgeving buiten toepassing laten bij strijd met een eenieder verbindende verdragsbepaling (art. 94 Gw). Dit geldt ook voor formele wetten. 15
    6. §6. Internationaal recht, defensie en staatsaansprakelijkheid 16
    7. EXAMENKERN (DIT MOET JE KENNEN) 16
    8. ?H4 DE EUROPESE UNIE 16
    9. 4.1 GESCHIEDENIS §4.1.1 De vroegste ontwikkelingen De Europese Unie vindt haar oorsprong na de Tweede Wereldoorlog. West-Europese landen wilden nieuwe militaire conflicten voorkomen door intensieve economische samenwerking, vooral op terreinen die cruciaal waren voor oorlogsvoering. 16
    10. 4.2 VERDRAGSONTWIKKELING De Europese Unie heeft haar huidige vorm gekregen door een geleidelijke ontwikkeling van verdragen, waarin bevoegdheden, instellingen en besluitvorming steeds verder zijn uitgebreid en aangepast. 18
    11. 4.3 EU & OMGEVING De Europese Unie onderhoudt diverse samenwerkingsverbanden met Europese en niet-Europese landen die geen lidstaat zijn. Deze samenwerkingen verschillen in intensiteit en rechtsgevolgen. 19
    12. 4.4 ANDERE RELEVANTE EUROPESE ORGANISATIES Naast de Europese Unie bestaan er meerdere Europese internationale organisaties die deels overlappen in lidmaatschap, maar een ander doel en karakter hebben dan de EU. De belangrijkste zijn: de Raad van Europa, de Benelux Unie en de NAVO. 20
    13. §4.4.1 Raad van Europa Opgericht na de Tweede Wereldoorlog & Zetel: Straatsburg (46 Europese lidstaten) 20
    14. §4.4.2 Benelux Unie Samenwerking tussen: België, Nederland & Luxemburg  Oorspronkelijk gericht op: douane-unie & later: economische unie (Op veel terreinen inmiddels ingehaald door de EU) 21
    15. §4.4.3 NAVO (Noord-Atlantische Verdragsorganisatie) Militaire alliantie tussen: Europese landen & Verenigde Staten en Canada  Oorspronkelijk opgericht als tegenhanger van het Warschaupact 21
    16. 4.5 KENMERKEN EN WAARDEN VAN DE EUROPESE UNIE De Europese Unie is niet alleen een economische samenwerking, maar een waardengemeenschap. Deze waarden en beginselen zijn vastgelegd in het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en binden zowel de EU als haar lidstaten. 22
    17. §4.5.1 Artikel 2 VEU – Fundamentele waarden Volgens artikel 2 VEU is de EU gebaseerd op de volgende waarden: - menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, rechtsstaat & eerbiediging van de mensenrechten 22
    18. §4.5.2 Loyale samenwerking en overige beginselen Artikel 4 VEU – Loyale samenwerking EU en lidstaten: - respecteren en steunen elkaar - werken samen bij de uitvoering van verdragsverplichtingen 22
    19. 4.6 DE EU-BEVOEGDHEDEN De Europese Unie is een internationale organisatie gebaseerd op verdragen. Haar bevoegdheden zijn niet algemeen, maar afgeleid van de lidstaten. Dit betekent dat de EU alleen bevoegd is waar de lidstaten haar expliciet bevoegdheden hebben toegekend. 23
    20. Beginselen van bevoegdheidstoedeling: 1. Attributiebeginsel (art. 5 VEU) De EU mag alleen optreden op grond van een verdragsbepaling. Wat niet is overgedragen, blijft bij de lidstaten (art. 4 VEU)  Dit wordt ook wel genoemd: de eis van een juridische grondslag of legal basis 23
    21. 2. Exclusieve bevoegdheden (art. 3 VWEU) Alleen de EU is bevoegd om juridisch bindend op te treden Lidstaten mogen: - alleen optreden na machtiging door de EU of ter uitvoering van EU-recht 24
    22. 4. Overige bevoegdheidsgrondslagen Naast de algemene indeling in exclusieve en gedeelde bevoegdheden kennen de verdragen specifieke bevoegdheidsbepalingen, zoals: 24
    23. 5. Coördinatie- en ondersteunende bevoegdheden (Artikelen 5 en 6 VWEU) EU heeft hier geen harmoniserende bevoegdheid Betreft o.a.: - economisch beleid - sociaal beleid 24
    24. 6. Subsidiariteitsbeginsel (art. 5 VEU) (Toepassing bij gedeelde bevoegdheden) De EU mag alleen optreden indien en voor zover: - doelstellingen niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt - maar beter door de EU kunnen worden bereikt vanwege: omvang & gevolgen van het optreden 24
    25. 4.7 DE INSTELLINGEN: SAMENSTELLING & TAKEN Om haar bevoegdheden en taken uit te oefenen kent de EU een aantal instellingen, vastgelegd in de verdragen. Deze instellingen hebben elk een eigen samenstelling, rol en bevoegdheden. 25
    26. 1. Europees Parlement (EP) 25
    27. 3. Raad van de Europese Unie (Raad van Ministers) Niet verwarren met de Europese Raad!!! 26
    28. 4. Europese Commissie Eén commissaris per lidstaat  Commissarissen: - handelen onafhankelijk - vertegenwoordigen niet hun lidstaat 26
    29. 5. Hof van Justitie van de EU (HvJ) 27
    30. 6. Europese Centrale Bank (ECB) Zetel: Frankfurt  Onderdeel van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) 27
    31. 7. Overige organen Europese Rekenkamer Controleert: - rechtmatigheid - doelmatigheid van EU-uitgaven 28
    32. 4.8 De EU-rechtsorde – samenvatting §4.8.1 Bijzondere internationale rechtsorde 28
    33. 4.9 HET EU-MODEL VAN CHECKS AND BALANCES De EU kent een eigen model van checks and balances, niet gebaseerd op een strikte scheiding der machten, maar op samenwerking en wederzijdse controle tussen instellingen.  Dit model sluit aan bij de kernwaarden van de EU: democratie, rechtsstaat en grondrechten. 29
    34. 4.13 RECHTSPRAAK – de nationale rechter als Europese rechter De Europese Unie vormt een veelgelaagde rechtsorde (multilevel governance): EU-recht wordt niet alleen toegepast door het Hof van Justitie van de EU (HvJ), maar ook door nationale rechters. Die nationale rechter speelt dus een sleutelrol in de handhaving van EU-recht. 30
    35. Het CILFIT-arrest (1982): wanneer hoeft verwijzing niet? In CILFIT heeft het Hof van Justitie uitgelegd wanneer een hoogste nationale rechter geen prejudiciële vraag hoeft te stellen. 30
    36. §4.13.1 Verplichtingen van nationale rechters Nationale rechters zijn verplicht het EU-recht: 30
    37. 4.14 DE SAMENWERKING MET EU-LIDSTATEN: de veelgelaagde rechtsorde De Europese Unie functioneert binnen een veelgelaagde rechtsorde (multilevel governance). Dit betekent dat Europees en nationaal recht, instellingen en besluitvorming met elkaar vervlochten zijn, in plaats van strikt gescheiden. 32
    38. ?H5 DE CENTRALE OVERHEID 35
    39. Moties en parlementair stelsel 36
    40. Tweede Kamer 36
    41. Kabinetsformatie 36
    42. Ministers 36
    43. Vertegenwoordigende functie 36
    44. Taken van de Tweede Kamer 36
    45. Eerste Kamer 37
  22. 22 Les 3 – Hoofdstuk 5.10–5.12 Hoge colleges van staat 37
    1. Raad van State (art. 73 lid 1 Gw) 37
    2. Algemene Rekenkamer (art. 76 Gw) 37
    3. Nationale Ombudsman (art. 78a Gw) 38
    4. Planbureaus 38
    5. Andere adviesorganen 39
  23. 23 ?H6 WETGEVING Wetten worden vastgesteld door een besluit van een overheidsorgaan. Dit kunnen centrale of decentrale organen doen. 39
    1. Wet in formele zin: een wet die tot stand wordt gebracht door de formele wetgeving. 39
    2. Wet in materiële zin: besluiten van de formele wetgever en van andere regelgevende organen in en buiten Nederland, die algemeen verbindende voorschriften bevatten. 39
    3. Grondwetswijziging  Wijziging van de Grondwet: er zijn twee lezingen nodig. 40
    4. Rechterlijk toetsingsverbod 40
    5. Toegestane toetsing: wat de rechter wél mag toetsen, ondanks het toetsingsverbod van art. 120 Grondwet. 41
  24. 24 H8.5 RECHTERLIJK TOETSINGSRECHT 44
    1. §1. Wat is rechterlijk toetsingsrecht? 44
    2. §2. Hiërarchie van wetgeving en algemene toetsingsregels De Nederlandse rechtsorde kent een hiërarchie van regels. Lagere regelgeving moet wijken voor hogere regelgeving. 45
    3. §3. Artikel 120 Grondwet en het Harmonisatiewetarrest Artikel 120 Grondwet bepaalt: 45
    4. §4. Algemene rechtsbeginselen en ‘contra legem’-toepassing Toetsing van formele wetten aan algemene rechtsbeginselen is in beginsel verboden. 45
    5. §5. Toetsing aan verdragen, EU-recht en onrechtmatige wetgeving Wat mag wel altijd? 46
    6. §6. Rechtsmiddelen, schadevergoeding en toekomst van toetsing 46
    7. EXAMENKERN (DIT MOET JE KUNNEN ZEGGEN) 47
    8. 9.1 INLEIDING – Decentralisatie, Autonomie en Medebewind §9.1.1 Decentralisatie Nederland is verdeeld in 12 provincies, 342 gemeenten (begin 2023) en 21 waterschappen. Decentrale lichamen hebben bevoegdheden op grond van de wet (legaliteitsbeginsel). 47
  25. 25 §1. Institutionele structuur (art. 125 Gw & art. 6 Provinciewet) Een provincie heeft drie hoofdorganen: 48
    1. 1. Provinciale Staten (PS) 48
    2. 2. Gedeputeerde Staten (GS) 49
    3. 3. Commissaris van de Koning (CvdK) 49
  26. 26 §2. Wat doen provincies? (takenpakket) De Provinciewet formuleert dit breed: regeling en bestuur “inzake de huishouding van de provincie”. Concrete taken worden vaak uit andere wetten afgeleid. 49
    1. Belangrijkste provinciale taken: 49
  27. 27 §3. Financiën/inkomsten 50
  28. 28 §4. Bevoegdheden en taken van de organen 50
    1. Provinciale Staten (PS) 50
    2. Gedeputeerde Staten (GS) 50
    3. Commissaris van de Koning (CvdK) 50
    4. Rekenkamer 50
  29. 29 §5. Toezicht op provincies Omdat Nederland een gedecentraliseerde eenheidsstaat is, bestaat toezicht door het Rijk: 51
    1. 1. Goedkeuring begroting  Minister kan goedkeuring weigeren als begroting niet “structureel en reëel in evenwicht” is (art. 207 e.v. Provw). 51
    2. 2. Goedkeuringsvereisten in bijzondere wetten  Sommige besluiten van provincies zijn aan rijksgoedkeuring onderworpen. 51
    3. 3. Schorsing en vernietiging (art. 261 e.v. Provw)  KB kan besluiten schorsen/vernietigen wegens strijd met recht of algemeen belang. CvdK speelt signalerende rol. 51
    4. 4. Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten (2012)  Rijk kan ingrijpen als provincie EU-recht niet naleeft. Kan aanwijzing geven; bij uitblijven van actie kosten verhalen op provincie. - Noodzakelijk omdat boetes van EU op de Nederlandse Staat drukken, óók wanneer provincie in gebreke is. 51
  30. 30 §Supersamenvatting Provincies: ingesteld bij wet (art. 123 Gw), geregeld in Provinciewet. Drie organen (art. 125 Gw): 51
  31. 31 9.3 GEMEENTEN & DECENTRALISATIE §1. Decentralisatie & Eenheid van de Staat 51
    1. §2. Gemeentelijke herindeling Nederland heeft 342 gemeenten, maar het aantal is sterk afgenomen door schaalvergroting.  Regels in de Wet ARHI en het Beleidskader gemeentelijke herindeling. 52
    2. §3. Institutionele structuur (art. 125 Gw) Gemeenten hebben drie organen: 52
    3. §4. Taken en bevoegdheden van gemeenten Algemene regel (art. 124 Gw) 53
    4. §5. Gemeentelijke financiën 54
    5. §6. Toezicht op gemeenten Nodig vanwege de gedecentraliseerde eenheidsstaat. 54
    6. 9.5 GEMEENSCHAPPELIJKE REGELINGEN Waarom gemeenschappelijke regelingen? 55
    7. 9.6 VEILIGHEIDSRISICO’S Veiligheidsregio's = specifieke gemeenschappelijke regelingen voor brandweer, rampen- en crisisbestrijding, en medische hulp (Wet veiligheidsregio's). 56
    8. H10 GRONDRECHTEN Grondrechten zijn fundamentele rechten die ieder mens toekomen omdat hij mens is. Ze beschermen het individu tegen de staat en overheidsorganen, zelfs tegen wetten die door een meerderheid zijn aangenomen. 58

Gekoppeld boek
 image
A.W. Heringa, Wouter Rohlof Recht begrepen - Staatsrecht begrepen
Uitgever: Onbekend ISBN: 9789462905122 Druk: 1

Documentinformatie

Studie
Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
4 maart 2026
Aantal pagina's
63
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
$9.18

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
4
Volgers
0
Items
1
Laatst verkocht
5 dagen geleden



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen