LO THEORIE BASISONDERWIJS PSYCHOMOTORISCHE ONTWIKKELING
DE PSYCHOMOTORISCHE ONTWIKKELING 1
1)MOTORISCHE ONTWIKKELING (FASES-NATURE/NURTURE) (p339-342)
→motorische ontwikkeling: Is het proces waarin een reeks aan motorische
vaardigheden wordt verworven, Het is een proces waarbij bewegingen meer en meer
verfijnd worden waarbij Biologische en Omgevingsfactoren deze ontwikkeling beïnvloeden
-Biologische factoren/rijpingsfactoren(Nature): worden bepaald door aanleg,
erfelijkheid. Deze zijn aangeboren.
Omgevingsfactoren(Nurture): worden bepaald door de omstandigheden waarin het
kind opgroeit. Welke bewegingskansen krijgt het kind aangereikt?
1.1)FASES IN DE MOTORISCHE ONTWIKKELING
=De motorische ontwikkeling verloopt voor elk kind in een vaste volgorde en is daarom
voorspelbaar, We kunnen verschillende fases onderscheiden in de motorische
ontwikkeling. Alle kinderen doorlopen in dezelfde volgorde deze fases, elk kind doet dit in
een eigen tempo->Deze fases zijn niet strikt van elkaar gescheiden, kinderen kunnen
voor verschillende motorische vaardigheden in verschillende fases van de motorische
ontwikkeling zitten:
•PIRAMIDE-MODEL: De piramide bestaat uit 5 lagen waarbij elke laag een fase van
motorische ontwikkeling voorstelt→ Hoe hoger in de piramide, hoe ouder het kind en
hoe complexer en uitgebreider de vaardigheden zijn
1-Reflexieve bewegingsfase: Deze fases gaan over de
reflexen van de kinderen→ deze reflexen zijn essentieel
voor zowel het overleven als de cognitieve en motorische
ontwikkeling.
-Reflexen: zijn bewegingen die ontstaan als reactie op een
prikkel op niveau van ruggenmerg
2-Preadaptieve bewegingsfase/rudimentaire: In deze
fase wordt het kind motorisch doelgerichter en krijgt het meer: stabiliteit (controleren van
het hoofd, de nek en de romp, leren zitten en staan)+ locomotorische vaardigheden
(kruipen, trapklimmen, stappen)+ manipulatieve vaardigheden (reiken, grijpen, loslaten)
In deze fase evolueren bewegingen van minder reflexmatig naar steeds meer
gewild en gecontroleerd uitgevoerd (=motorische mijlpalen)
3-Fase van de Fundamentele motorische vaardigheden: Tijdens deze fase zijn
kinderen volop bezig met het ontdekken van hun bewegingsmogelijkheden en moet een
breed motorisch fundament gelegd worden aan basis motorische bewegingen->Eerst zal
het kind deze bewegingen geïsoleerd leren uitvoeren, daarna in combinatie met andere
bewegingen->Goed ontwikkelde fundamentele motorische vaardigheden vormen de basis
voor meer complexe motorische vaardigheden.
In deze fase leert het kind motorische vaardigheden zoals:
-rennen, springen met beide voeten, huppelen (=locomotorische vaardigheden)
-schoppen, gooien en vangen (=manipulatieve vaardigheden of objectcontrole)
-op één been staan (stabiliteit, evenwicht)
4-Fase van de Context-specifieke motorische vaardigheden: hier worden
fundamentele motorische vaardigheden aangepast aan de context, bijvoorbeeld sport- en
spelsituaties.
5-Behendigheidsfase: Het kind wordt behendiger in complexere sportvaardigheden of
beweegtechnieken.
In beide fases evolueren fundamentele motorische vaardigheden tot meer
‘sportgerelateerde’ en ‘sportspecifieke’ vaardigheden.
, LO THEORIE BASISONDERWIJS PSYCHOMOTORISCHE ONTWIKKELING
Fundamentele motorische vaardigheden (stabiliteit, locomotorische of
manipulatieve) worden hier verfijnd, gecombineerd en verder ontwikkeld in steeds
complexere en meer eisende situaties van de sportbeoefening of in het dagelijkse
leven.
!→Het is belangrijk om op te merken dat de genetische aanleg van een kind of de
omgeving waarin het kind opgroeit bepalend zijn voor het moment waarop een
motorische vaardigheid zich ontwikkelt en verder verfijnt.
!→Elk kind ontwikkelt in een eigen tempo, afhankelijk van de rijping van het
zenuwstelsel. De volgorde van de ontwikkeling is voorspelbaar, maar grote
verschillen in het moment waarop deze vaardigheden ontwikkelen zijn dus
mogelijk.
•ZANDLOPER-MODEL: Het model stelt de motorische ontwikkeling voor als een
zandloper->de nadruk op het feit dat de motorische ontwikkeling zowel door
erfelijkheidsfactoren als door de omgeving beïnvloed wordt.
→De zandloper wordt met zand gevuld aan de hand van twee containers die
onze motorische ontwikkeling vorm geven:
• De afgesloten container van de biologische factoren (erfelijkheid,
nature):de hoeveelheid zand in deze container is beperkt en kan niet
veranderd worden.
• De container van de omgevingingscondities (nurture): deze container
is niet afgesloten, er kan onbeperkt zand aan toegevoegd worden.
• de taakeisen: De eisen van de uit te voeren taak van invloed op de motorische
ontwikkeling van een kind.
→Fases:
-fasereflexen en preadaptieve vaardigheden: erfelijkheid speelt een grote rol binnen
deze fases -> nakomende fases: belang/invloed van omgevingsfactoren
→Deze definitie geeft aan dat veel factoren een invloed uitoefenen op de motorische
ontwikkeling:
ze zien de motorische ontwikkeling als ‘progressieve veranderingen van het
motorisch gedrag tijdens het leven, teweeggebracht door interacties
tussen de taakeisen, de biologische factoren en de omgevingscondities.
1.2)VERSCHILLEN TUSSEN DE MODELLEN
→Piramide: focus ligt op genetica(nature)
→Zandloper: is een mix van de 2, je hebt een kant van genetica(nature) en die kan NIET
bijgevuld worden, de anderen kant is omgevingsfactoren(nurture) en kan WEL bijgevuld
worden
2)PSYCHOMOTORISCHE ONTWIKKELING
→Verwijst naar de ontwikkeling van het motorisch intentioneel bewegen-> betekend dat
je je lichaam en bewegingen doelgericht leert in te zetten, steeds meer in interactie met
je innerlijke belevingswereld en je omgeving.
2.1)Psychomotoriek: Psychomotoriek omvat de wisselwerking tussen bewegen en
denken, beide worden tijdens het bewegen uitgevoerd en gebruikt
2.1.1)COMPONENTEN PSYCHOMOTORIEK
-motorisch comp: bewegen= samentrekken van spieren
-cognitieve: bepaalde intentie bij bewegen
-dynamische: bepaalde gedrevenheid bij het bewegen
-affectieve: bepaald gevoel tijdens actie
-Sociaal: bewegen doe je samen met anderen
→Het woord ‘motoriek’ heeft betrekking op het gebruik van het bewegingsapparaat.
Het woord ‘psycho’ verwijst naar de geestelijke inbreng met hierin een cognitieve
component en een emotionele of dynamisch/affectieve component (vb lichaamstaal bij
het maken van een fout)->VB: handen schudden
, LO THEORIE BASISONDERWIJS PSYCHOMOTORISCHE ONTWIKKELING
2.2)PSYCHOMOTORISCHE ONTWIKKELINGSDOMEINEN
=De psychomotorische ontwikkeling kunnen we indelen in verschillende domeinen.
•INDELING:
1-Neuro-motorische ontw: is de ontwikkeling van ons zenuwstelsel en de structuren in
ons brein die bewegen mogelijk maken-> Vanaf de geboorte hebben kinderen al een
zenuwstelsel die zorgen voor vervoer van prikkels + ze hebben al een neuro motorisch
netwerk dat functioneert, maar nog niet volgroeid is
→Herhaling en beweging is belangrijk binnen deze fases-> stimuleert het leren en de
netwerken in het brein
→HERSENEN: kunnen opgedeeld worden in 3 delen:
•Mensenbrein: Zijn de grote hersenen waarin elk gebied een functie heeft->elk gebied
heeft anderen taken
VB GEBIED: Motorische schors: dit zijn gebieden die instaan voor de
motoriek en bewegingen van ons lichaam. De linker hersenhelft zorgt
voor bewegingen in de rechterzijde van het lichaam en omgekeerd.
•Zoogdierenbrein: staan sociaal gedrag, binding, emoties, routines en geheugen
centraal
•Reptielenbrein: Dit brein is gericht op leven en overleven waarbij
-> Veiligheid-schrikreactie-stressreactie-reflexen centraal staan
2-Sociaal-affectief-motorische ontw:
De gebieden die motorisch een fijnere coördinatie nodig hebben of sensorisch
gevoeliger zijn hebben een groter gebied in beslag in de hersenschors
3)SENSOMOTORIEK
=We leren alle gebieden in de grote hersenen optimaal in gebruik te nemen, te
ontwikkelen via prikkels die onze hersenen bereiken →Om deze prikkels op te vangen
hebben we zintuigen/receptoren nodig.
→We hebben receptoren die prikkels van binnenuit (evenwicht, houdings- en
bewegingsgevoel) en zintuigen die uitwendige prikkels (vb. zien, horen, voelen,
smaken, ruiken ) opvangen en doorsturen naar de hersenen om waar te nemen, bewust
te worden van wat we waarnemen (=perceptie), te vergelijken met eerdere
waarnemingen, te verbinden met andere ervaringen, te interpreteren, uit te voeren, te
corrigeren(=leren)
3.2)ZINTUIGEN BINNEN DE PSYCHOMOTORISCHE ONTWIKKELING
= zintuigen spelen een grote rol binnen de psychomotorische ontwikkeling, er zijn 5
fundamentele zintuigen:
1•VOELEN: De aanraking is noodzakelijk voor de ontw van fijne motoriek ->
drukreceptoren geven info door aan hersenen.
VB: temperatuurgevoel (koud of warm) / drukgevoel ( scherp of zwaar)
2•ZIEN: Het kind neemt alles waar met de ogen-> oogmotoriek versterkt
-> beweging wordt afgestemd op het zicht
VB: oog-hand coördinatie: handen bepalen waar de ogen naar kijken en
handelen
3•HOREN: Een goed gehoor is de basis voor een spraak en
taalontwikkeling
VB: liedjes luisteren/ spelvormen op muziek -> ritme leren / soorten geluiden herkennen
4•PROPRIORECEPTOREN: Zijn receptoren in de gewrichten, pezen en spieren die info
doorgeven aan de hersenen over de houding en beweging van het lichaam→ ze maken
gebruik van het zenuwstelsel om informatie over tonus(=spierspanning), positie,
beweging op te nemen in de hersenen→ hierdoor verhoogt ons lichaamsbewustzijn.
→SOORTEN PROPRIORECEPTOREN:
DE PSYCHOMOTORISCHE ONTWIKKELING 1
1)MOTORISCHE ONTWIKKELING (FASES-NATURE/NURTURE) (p339-342)
→motorische ontwikkeling: Is het proces waarin een reeks aan motorische
vaardigheden wordt verworven, Het is een proces waarbij bewegingen meer en meer
verfijnd worden waarbij Biologische en Omgevingsfactoren deze ontwikkeling beïnvloeden
-Biologische factoren/rijpingsfactoren(Nature): worden bepaald door aanleg,
erfelijkheid. Deze zijn aangeboren.
Omgevingsfactoren(Nurture): worden bepaald door de omstandigheden waarin het
kind opgroeit. Welke bewegingskansen krijgt het kind aangereikt?
1.1)FASES IN DE MOTORISCHE ONTWIKKELING
=De motorische ontwikkeling verloopt voor elk kind in een vaste volgorde en is daarom
voorspelbaar, We kunnen verschillende fases onderscheiden in de motorische
ontwikkeling. Alle kinderen doorlopen in dezelfde volgorde deze fases, elk kind doet dit in
een eigen tempo->Deze fases zijn niet strikt van elkaar gescheiden, kinderen kunnen
voor verschillende motorische vaardigheden in verschillende fases van de motorische
ontwikkeling zitten:
•PIRAMIDE-MODEL: De piramide bestaat uit 5 lagen waarbij elke laag een fase van
motorische ontwikkeling voorstelt→ Hoe hoger in de piramide, hoe ouder het kind en
hoe complexer en uitgebreider de vaardigheden zijn
1-Reflexieve bewegingsfase: Deze fases gaan over de
reflexen van de kinderen→ deze reflexen zijn essentieel
voor zowel het overleven als de cognitieve en motorische
ontwikkeling.
-Reflexen: zijn bewegingen die ontstaan als reactie op een
prikkel op niveau van ruggenmerg
2-Preadaptieve bewegingsfase/rudimentaire: In deze
fase wordt het kind motorisch doelgerichter en krijgt het meer: stabiliteit (controleren van
het hoofd, de nek en de romp, leren zitten en staan)+ locomotorische vaardigheden
(kruipen, trapklimmen, stappen)+ manipulatieve vaardigheden (reiken, grijpen, loslaten)
In deze fase evolueren bewegingen van minder reflexmatig naar steeds meer
gewild en gecontroleerd uitgevoerd (=motorische mijlpalen)
3-Fase van de Fundamentele motorische vaardigheden: Tijdens deze fase zijn
kinderen volop bezig met het ontdekken van hun bewegingsmogelijkheden en moet een
breed motorisch fundament gelegd worden aan basis motorische bewegingen->Eerst zal
het kind deze bewegingen geïsoleerd leren uitvoeren, daarna in combinatie met andere
bewegingen->Goed ontwikkelde fundamentele motorische vaardigheden vormen de basis
voor meer complexe motorische vaardigheden.
In deze fase leert het kind motorische vaardigheden zoals:
-rennen, springen met beide voeten, huppelen (=locomotorische vaardigheden)
-schoppen, gooien en vangen (=manipulatieve vaardigheden of objectcontrole)
-op één been staan (stabiliteit, evenwicht)
4-Fase van de Context-specifieke motorische vaardigheden: hier worden
fundamentele motorische vaardigheden aangepast aan de context, bijvoorbeeld sport- en
spelsituaties.
5-Behendigheidsfase: Het kind wordt behendiger in complexere sportvaardigheden of
beweegtechnieken.
In beide fases evolueren fundamentele motorische vaardigheden tot meer
‘sportgerelateerde’ en ‘sportspecifieke’ vaardigheden.
, LO THEORIE BASISONDERWIJS PSYCHOMOTORISCHE ONTWIKKELING
Fundamentele motorische vaardigheden (stabiliteit, locomotorische of
manipulatieve) worden hier verfijnd, gecombineerd en verder ontwikkeld in steeds
complexere en meer eisende situaties van de sportbeoefening of in het dagelijkse
leven.
!→Het is belangrijk om op te merken dat de genetische aanleg van een kind of de
omgeving waarin het kind opgroeit bepalend zijn voor het moment waarop een
motorische vaardigheid zich ontwikkelt en verder verfijnt.
!→Elk kind ontwikkelt in een eigen tempo, afhankelijk van de rijping van het
zenuwstelsel. De volgorde van de ontwikkeling is voorspelbaar, maar grote
verschillen in het moment waarop deze vaardigheden ontwikkelen zijn dus
mogelijk.
•ZANDLOPER-MODEL: Het model stelt de motorische ontwikkeling voor als een
zandloper->de nadruk op het feit dat de motorische ontwikkeling zowel door
erfelijkheidsfactoren als door de omgeving beïnvloed wordt.
→De zandloper wordt met zand gevuld aan de hand van twee containers die
onze motorische ontwikkeling vorm geven:
• De afgesloten container van de biologische factoren (erfelijkheid,
nature):de hoeveelheid zand in deze container is beperkt en kan niet
veranderd worden.
• De container van de omgevingingscondities (nurture): deze container
is niet afgesloten, er kan onbeperkt zand aan toegevoegd worden.
• de taakeisen: De eisen van de uit te voeren taak van invloed op de motorische
ontwikkeling van een kind.
→Fases:
-fasereflexen en preadaptieve vaardigheden: erfelijkheid speelt een grote rol binnen
deze fases -> nakomende fases: belang/invloed van omgevingsfactoren
→Deze definitie geeft aan dat veel factoren een invloed uitoefenen op de motorische
ontwikkeling:
ze zien de motorische ontwikkeling als ‘progressieve veranderingen van het
motorisch gedrag tijdens het leven, teweeggebracht door interacties
tussen de taakeisen, de biologische factoren en de omgevingscondities.
1.2)VERSCHILLEN TUSSEN DE MODELLEN
→Piramide: focus ligt op genetica(nature)
→Zandloper: is een mix van de 2, je hebt een kant van genetica(nature) en die kan NIET
bijgevuld worden, de anderen kant is omgevingsfactoren(nurture) en kan WEL bijgevuld
worden
2)PSYCHOMOTORISCHE ONTWIKKELING
→Verwijst naar de ontwikkeling van het motorisch intentioneel bewegen-> betekend dat
je je lichaam en bewegingen doelgericht leert in te zetten, steeds meer in interactie met
je innerlijke belevingswereld en je omgeving.
2.1)Psychomotoriek: Psychomotoriek omvat de wisselwerking tussen bewegen en
denken, beide worden tijdens het bewegen uitgevoerd en gebruikt
2.1.1)COMPONENTEN PSYCHOMOTORIEK
-motorisch comp: bewegen= samentrekken van spieren
-cognitieve: bepaalde intentie bij bewegen
-dynamische: bepaalde gedrevenheid bij het bewegen
-affectieve: bepaald gevoel tijdens actie
-Sociaal: bewegen doe je samen met anderen
→Het woord ‘motoriek’ heeft betrekking op het gebruik van het bewegingsapparaat.
Het woord ‘psycho’ verwijst naar de geestelijke inbreng met hierin een cognitieve
component en een emotionele of dynamisch/affectieve component (vb lichaamstaal bij
het maken van een fout)->VB: handen schudden
, LO THEORIE BASISONDERWIJS PSYCHOMOTORISCHE ONTWIKKELING
2.2)PSYCHOMOTORISCHE ONTWIKKELINGSDOMEINEN
=De psychomotorische ontwikkeling kunnen we indelen in verschillende domeinen.
•INDELING:
1-Neuro-motorische ontw: is de ontwikkeling van ons zenuwstelsel en de structuren in
ons brein die bewegen mogelijk maken-> Vanaf de geboorte hebben kinderen al een
zenuwstelsel die zorgen voor vervoer van prikkels + ze hebben al een neuro motorisch
netwerk dat functioneert, maar nog niet volgroeid is
→Herhaling en beweging is belangrijk binnen deze fases-> stimuleert het leren en de
netwerken in het brein
→HERSENEN: kunnen opgedeeld worden in 3 delen:
•Mensenbrein: Zijn de grote hersenen waarin elk gebied een functie heeft->elk gebied
heeft anderen taken
VB GEBIED: Motorische schors: dit zijn gebieden die instaan voor de
motoriek en bewegingen van ons lichaam. De linker hersenhelft zorgt
voor bewegingen in de rechterzijde van het lichaam en omgekeerd.
•Zoogdierenbrein: staan sociaal gedrag, binding, emoties, routines en geheugen
centraal
•Reptielenbrein: Dit brein is gericht op leven en overleven waarbij
-> Veiligheid-schrikreactie-stressreactie-reflexen centraal staan
2-Sociaal-affectief-motorische ontw:
De gebieden die motorisch een fijnere coördinatie nodig hebben of sensorisch
gevoeliger zijn hebben een groter gebied in beslag in de hersenschors
3)SENSOMOTORIEK
=We leren alle gebieden in de grote hersenen optimaal in gebruik te nemen, te
ontwikkelen via prikkels die onze hersenen bereiken →Om deze prikkels op te vangen
hebben we zintuigen/receptoren nodig.
→We hebben receptoren die prikkels van binnenuit (evenwicht, houdings- en
bewegingsgevoel) en zintuigen die uitwendige prikkels (vb. zien, horen, voelen,
smaken, ruiken ) opvangen en doorsturen naar de hersenen om waar te nemen, bewust
te worden van wat we waarnemen (=perceptie), te vergelijken met eerdere
waarnemingen, te verbinden met andere ervaringen, te interpreteren, uit te voeren, te
corrigeren(=leren)
3.2)ZINTUIGEN BINNEN DE PSYCHOMOTORISCHE ONTWIKKELING
= zintuigen spelen een grote rol binnen de psychomotorische ontwikkeling, er zijn 5
fundamentele zintuigen:
1•VOELEN: De aanraking is noodzakelijk voor de ontw van fijne motoriek ->
drukreceptoren geven info door aan hersenen.
VB: temperatuurgevoel (koud of warm) / drukgevoel ( scherp of zwaar)
2•ZIEN: Het kind neemt alles waar met de ogen-> oogmotoriek versterkt
-> beweging wordt afgestemd op het zicht
VB: oog-hand coördinatie: handen bepalen waar de ogen naar kijken en
handelen
3•HOREN: Een goed gehoor is de basis voor een spraak en
taalontwikkeling
VB: liedjes luisteren/ spelvormen op muziek -> ritme leren / soorten geluiden herkennen
4•PROPRIORECEPTOREN: Zijn receptoren in de gewrichten, pezen en spieren die info
doorgeven aan de hersenen over de houding en beweging van het lichaam→ ze maken
gebruik van het zenuwstelsel om informatie over tonus(=spierspanning), positie,
beweging op te nemen in de hersenen→ hierdoor verhoogt ons lichaamsbewustzijn.
→SOORTEN PROPRIORECEPTOREN: