VMV 4 – DEEL OPERATIEKWARTIER
HOOFSTUK 1- HET OPERATIEKWARTIER
= waar chirurgie word uitgevoerd onder algemene, locoregionale of lokale anesthesie. omgeving moet
volledig afgestemd zijn op veiligheid, hygiëne, efficiëntie en samenwerking.
1.1 Architectonische en fysische normen
Strategische ligging: Afgezonderd van algemeen verkeer, met directe verbinding naar Spoed, IZ
en de sterilisatieafdeling (CSA).
Beveiligde toegang: Geen doorgangszone; alleen toegankelijk voor bevoegden via badges of
codes.
Zonering: Indeling in 3 zones met toenemende graad van steriliteit om micro-organismen buiten
de operatiekamer te houden.
1.1.1 sluiszone of niet-kritische zone
= (Overgangszone) buffer tegen vuil van buitenaf
• Personeelssluis: kleedkamers met douches en toiletten; verplichte wissel van dag
kledij naar OK-kledij en -schoeisel.
• Patiëntensluis: Overdrachtspunt waar bedden van afdeling worden geruild;
ziekenhuisbedden mogen de zone niet in.
• Facilitaire ruimtes: Ruimte voor pauzes, overleg en administratie.
• Ontwaakzaal (Recovery):
o Capaciteit: Minstens 1,5 bed per operatiekamer.
o Inrichting: Rechtstreeks verbonden met de aseptische zone, voorzien van
medische gassen en nooduitrusting (reanimatiekar, beademing, alarmknop).
o Veiligheid: Continu zicht op patiënt en verplichte monitoring (hartslag,
bloeddruk, saturatie).
o Personeel: Altijd 1 verpleegkundige aanwezig; ratio van 1 verpleegkundige per 3
patiënten.
1.1.2 reine zone of semi-kritische zone:
=directe voorbereiding op de ingreep met strengere voorschriften:
• In- en uitleidingskamer: Voor de voorbereiding en afronding van de anesthesie bij de
patiënt.
• Rubruimte: Sluis naar de operatiezaal voor chirurgische handontsmetting.
o handvrije kranen (elleboog, voet of sensor).
o automatische deuren naar OK en klok om de 'rubtijd' te bewaken.
, • Steriele berging: gescheiden opslag voor rein en steriel materiaal; gangen en zalen
vrijgehouden van onnodige spullen.
• Materiaalreserve: aparte ruimte voor groot toebehoren zoals extra operatietafels of
beenstukken.
1.1.3 De aseptische zone of kritische zone:
= waar ingreep plaatsvindt onder de strengste hygiëne-eisen:
• Capaciteit & Oppervlakte: Minimaal 3 zalen per 50-60 bedden; elke zaal is minstens 30
m².
• Inrichting: Gladde, naadloze en afwasbare wanden/vloeren. Alleen noodzakelijke
apparatuur is toegestaan om stofophoping te vermijden.
• Techniek: Aansluitingen voor medische gassen, noodstroom en dimbare verlichting.
Alle apparatuur moet ARAB/AREI-gekeurd zijn.
• Luchtbehandeling: * Minstens 20 luchtverversingen per uur via absolute filters.
o Overdruk: Om vuile lucht buiten te houden.
o Klimaat: Temperatuur tussen 18-23°C en luchtvochtigheid tussen 40-60%.
• Communicatie: Intercom en telefoon zijn verplicht om onnodig in- en uitlopen
(deurbewegingen) te beperken.
1.2 Functionele normen
= logistieke sturing cruciaal voor de patiëntveiligheid.
• Scheiding van stromen: Patiënten, personeel en materiaal (clean vs. dirty) volgen strikt
gescheiden routes om kruisbesmetting te voorkomen.
• Reglement van Inwendige Orde (RIO): Bindende afspraken tussen het diensthoofd en
de ziekenhuishygiëne over wie waar mag komen en hoe er wordt schoongemaakt.
• Planning & Registratie:
➢ Tijdige communicatie van operatieprogramma.
➢ Verplichte registratie per ingreep (wie, wat, wanneer) en
gedetailleerd operatieverslag in het patiëntendossier.
• Strikte Controles:
➢ Aseptie: Elke 3 maanden controle op steriliteit.
➢ Techniek: 2x per jaar keuring van anesthesie- en elektrische
apparatuur.
➢ Telling: Verplicht systeem (bijv. instrumenten- en komprestels)
om te voorkomen dat materiaal in de wond achterblijft.
• Weefselonderzoek: Verdacht weefsel gaat standaard naar de patholoog voor
onderzoek.
1.3 Organisatorische normen
= vereisten er moet voldaan worden in het operatiekwartier inzake personeel.
,1.3.1 Medische staf
toezicht naleving van interne voorschriften en veiligheidsregels bij 1 of meerdere aangeduide
artsen. Altijd oproepbaar: erkend specialist in heelkunde en een erkend specialist in
anesthesiologie. dragen eindverantwoordelijkheid voor medische aspecten van operatie en de
patiëntveiligheid.
1.3.2 Verplegend en ander personeel
• leiding: dagelijkse werking aangestuurd door hoofdverpleegkundige
• Ratio: 1 hoofdverpleegkundige per 12 verpleegkundigen
• BezettingHet aantal verpleegkundigen (inclusief recovery) in verhouding tot de werkdruk
en het type ingrepen.
• Ondersteuning: voldoende bekwaam technisch, hulp- en onderhoudspersoneel
aanwezig zijn, afgestemd op de specifieke activiteiten van het OK.
1.3.3 Specifieke bijkomende eisen
Safe Surgery Procedure: Verplicht gebruik van checklist tijdens 4 sleutelmomenten
(voorbereiding, inductie, incisie en vertrek) menselijke fouten minimaliseren.
Pre-operatieve screening: Alle medische gegevens en het gesprek met de anesthesist moeten
afgerond zijn vóórdat de patiënt de OK-zone (of pre-anesthesieruimte) binnengaat.
Handovers: Vastgelegde procedures voor informatieoverdracht tussen afdelingen om de
continuïteit van zorg te waarborgen.
Medicatiebeheer: Strikte richtlijnen van de ziekenhuisapotheker voor opslag en gebruik om
medicatiefouten te voorkomen.
Hygiëne: Verplichte chirurgische handontsmetting volgens de meest recente nationale
richtlijnen.
HOOFSTUK 2 - VERPLEEGKUNDIG FUNCTIONEREN IN OK
zelfde beschermende kledij -> elk lid specifieke, wettelijk verankerde rol:
Samenstelling:
✓ Anesthesist
✓ anesthesieverpleegkundige,
✓ chirurg
✓ instrumenterende verpleegkundige
✓ omloopverpleegkundige.
• Wettelijke bezetting: Elke actieve zaal minstens 1 omloopverpleegkundige.
Instrumenterenden en assistenten (zoals artsen in opleiding) toegevoegd op basis van
de complexiteit van de ingreep.
, • Beschikbaarheid: wachtdiensten -> strikte protocollen die bepalen binnen welke
tijdspanne het personeel fysiek in het ziekenhuis aanwezig moet zijn.
Opleiding en Bekwaamheid
• Reanimatie: volledige team (artsen én verpleegkundigen) moet 2x / jaar een
basisopleiding reanimatie (BLS) volgen.
• Uitzondering: Personeel met - geldig ALS-attest (Advanced Life Support) zijn vrijgesteld,
certificaat niet ouder is dan 2 tot 5 jaar.
2.1 Anesthesist
= bepaalt medisch beleid rondom vitale functies, operatie technisch mogelijk maken.
• Preoperatief: Beoordeelt patiënt, schat risico's in en bepaalt het type anesthesie in
overleg met het team.
• Intra-operatief (tijdens de ingreep): * Continue monitoring van hartslag, bloeddruk,
ademhaling en saturatie.
o Aanwezigheidsplicht: Mag wettelijk geen simultane anesthesieën uitvoeren;
moet continu bij patiënt blijven (behalve bij vitale nood elders).
o Delegatie: Bij tijdelijke afwezigheid neemt een anesthesieverpleegkundige de
exclusieve bewaking over, maar de eindverantwoordelijkheid blijft bij de arts.
• Postoperatief: Verantwoordelijk voor de nazorg op de recovery, pijnbestrijding en
monitoring tot 24 uur na de ingreep.
2.1.1 Anesthesieverpleegkundige
= ondersteunt anesthesist en zorgt voor veiligheid en comfort van de patiënt gedurende het hele
proces.
• Voorbereiding & Ontvangst:
o Klaarmaken van anesthesiemateriaal, medicatie en monitors.
o Ontvangen, geruststellen en correct positioneren van de patiënt.
• Assistentie bij Anesthesie:
o Inleiding: Aanleggen van infusen en monitoring (ECG, bloeddruk, saturatie).
o Intubatie: Aanreiken van laryngoscoop, tube en andere benodigdheden.
o Loco-regionaal: Aanreiken van specifiek materiaal en medicatie.
o Bescherming: Toedienen van oogzalf en afplakken van de ogen.
• Tijdens de ingreep:
o Continue bewaking van vitale functies en bloedafnames via de arteriële lijn.
o Onder strikte voorwaarden (tijdelijke) exclusieve bewaking bij afwezigheid van de
anesthesist.
HOOFSTUK 1- HET OPERATIEKWARTIER
= waar chirurgie word uitgevoerd onder algemene, locoregionale of lokale anesthesie. omgeving moet
volledig afgestemd zijn op veiligheid, hygiëne, efficiëntie en samenwerking.
1.1 Architectonische en fysische normen
Strategische ligging: Afgezonderd van algemeen verkeer, met directe verbinding naar Spoed, IZ
en de sterilisatieafdeling (CSA).
Beveiligde toegang: Geen doorgangszone; alleen toegankelijk voor bevoegden via badges of
codes.
Zonering: Indeling in 3 zones met toenemende graad van steriliteit om micro-organismen buiten
de operatiekamer te houden.
1.1.1 sluiszone of niet-kritische zone
= (Overgangszone) buffer tegen vuil van buitenaf
• Personeelssluis: kleedkamers met douches en toiletten; verplichte wissel van dag
kledij naar OK-kledij en -schoeisel.
• Patiëntensluis: Overdrachtspunt waar bedden van afdeling worden geruild;
ziekenhuisbedden mogen de zone niet in.
• Facilitaire ruimtes: Ruimte voor pauzes, overleg en administratie.
• Ontwaakzaal (Recovery):
o Capaciteit: Minstens 1,5 bed per operatiekamer.
o Inrichting: Rechtstreeks verbonden met de aseptische zone, voorzien van
medische gassen en nooduitrusting (reanimatiekar, beademing, alarmknop).
o Veiligheid: Continu zicht op patiënt en verplichte monitoring (hartslag,
bloeddruk, saturatie).
o Personeel: Altijd 1 verpleegkundige aanwezig; ratio van 1 verpleegkundige per 3
patiënten.
1.1.2 reine zone of semi-kritische zone:
=directe voorbereiding op de ingreep met strengere voorschriften:
• In- en uitleidingskamer: Voor de voorbereiding en afronding van de anesthesie bij de
patiënt.
• Rubruimte: Sluis naar de operatiezaal voor chirurgische handontsmetting.
o handvrije kranen (elleboog, voet of sensor).
o automatische deuren naar OK en klok om de 'rubtijd' te bewaken.
, • Steriele berging: gescheiden opslag voor rein en steriel materiaal; gangen en zalen
vrijgehouden van onnodige spullen.
• Materiaalreserve: aparte ruimte voor groot toebehoren zoals extra operatietafels of
beenstukken.
1.1.3 De aseptische zone of kritische zone:
= waar ingreep plaatsvindt onder de strengste hygiëne-eisen:
• Capaciteit & Oppervlakte: Minimaal 3 zalen per 50-60 bedden; elke zaal is minstens 30
m².
• Inrichting: Gladde, naadloze en afwasbare wanden/vloeren. Alleen noodzakelijke
apparatuur is toegestaan om stofophoping te vermijden.
• Techniek: Aansluitingen voor medische gassen, noodstroom en dimbare verlichting.
Alle apparatuur moet ARAB/AREI-gekeurd zijn.
• Luchtbehandeling: * Minstens 20 luchtverversingen per uur via absolute filters.
o Overdruk: Om vuile lucht buiten te houden.
o Klimaat: Temperatuur tussen 18-23°C en luchtvochtigheid tussen 40-60%.
• Communicatie: Intercom en telefoon zijn verplicht om onnodig in- en uitlopen
(deurbewegingen) te beperken.
1.2 Functionele normen
= logistieke sturing cruciaal voor de patiëntveiligheid.
• Scheiding van stromen: Patiënten, personeel en materiaal (clean vs. dirty) volgen strikt
gescheiden routes om kruisbesmetting te voorkomen.
• Reglement van Inwendige Orde (RIO): Bindende afspraken tussen het diensthoofd en
de ziekenhuishygiëne over wie waar mag komen en hoe er wordt schoongemaakt.
• Planning & Registratie:
➢ Tijdige communicatie van operatieprogramma.
➢ Verplichte registratie per ingreep (wie, wat, wanneer) en
gedetailleerd operatieverslag in het patiëntendossier.
• Strikte Controles:
➢ Aseptie: Elke 3 maanden controle op steriliteit.
➢ Techniek: 2x per jaar keuring van anesthesie- en elektrische
apparatuur.
➢ Telling: Verplicht systeem (bijv. instrumenten- en komprestels)
om te voorkomen dat materiaal in de wond achterblijft.
• Weefselonderzoek: Verdacht weefsel gaat standaard naar de patholoog voor
onderzoek.
1.3 Organisatorische normen
= vereisten er moet voldaan worden in het operatiekwartier inzake personeel.
,1.3.1 Medische staf
toezicht naleving van interne voorschriften en veiligheidsregels bij 1 of meerdere aangeduide
artsen. Altijd oproepbaar: erkend specialist in heelkunde en een erkend specialist in
anesthesiologie. dragen eindverantwoordelijkheid voor medische aspecten van operatie en de
patiëntveiligheid.
1.3.2 Verplegend en ander personeel
• leiding: dagelijkse werking aangestuurd door hoofdverpleegkundige
• Ratio: 1 hoofdverpleegkundige per 12 verpleegkundigen
• BezettingHet aantal verpleegkundigen (inclusief recovery) in verhouding tot de werkdruk
en het type ingrepen.
• Ondersteuning: voldoende bekwaam technisch, hulp- en onderhoudspersoneel
aanwezig zijn, afgestemd op de specifieke activiteiten van het OK.
1.3.3 Specifieke bijkomende eisen
Safe Surgery Procedure: Verplicht gebruik van checklist tijdens 4 sleutelmomenten
(voorbereiding, inductie, incisie en vertrek) menselijke fouten minimaliseren.
Pre-operatieve screening: Alle medische gegevens en het gesprek met de anesthesist moeten
afgerond zijn vóórdat de patiënt de OK-zone (of pre-anesthesieruimte) binnengaat.
Handovers: Vastgelegde procedures voor informatieoverdracht tussen afdelingen om de
continuïteit van zorg te waarborgen.
Medicatiebeheer: Strikte richtlijnen van de ziekenhuisapotheker voor opslag en gebruik om
medicatiefouten te voorkomen.
Hygiëne: Verplichte chirurgische handontsmetting volgens de meest recente nationale
richtlijnen.
HOOFSTUK 2 - VERPLEEGKUNDIG FUNCTIONEREN IN OK
zelfde beschermende kledij -> elk lid specifieke, wettelijk verankerde rol:
Samenstelling:
✓ Anesthesist
✓ anesthesieverpleegkundige,
✓ chirurg
✓ instrumenterende verpleegkundige
✓ omloopverpleegkundige.
• Wettelijke bezetting: Elke actieve zaal minstens 1 omloopverpleegkundige.
Instrumenterenden en assistenten (zoals artsen in opleiding) toegevoegd op basis van
de complexiteit van de ingreep.
, • Beschikbaarheid: wachtdiensten -> strikte protocollen die bepalen binnen welke
tijdspanne het personeel fysiek in het ziekenhuis aanwezig moet zijn.
Opleiding en Bekwaamheid
• Reanimatie: volledige team (artsen én verpleegkundigen) moet 2x / jaar een
basisopleiding reanimatie (BLS) volgen.
• Uitzondering: Personeel met - geldig ALS-attest (Advanced Life Support) zijn vrijgesteld,
certificaat niet ouder is dan 2 tot 5 jaar.
2.1 Anesthesist
= bepaalt medisch beleid rondom vitale functies, operatie technisch mogelijk maken.
• Preoperatief: Beoordeelt patiënt, schat risico's in en bepaalt het type anesthesie in
overleg met het team.
• Intra-operatief (tijdens de ingreep): * Continue monitoring van hartslag, bloeddruk,
ademhaling en saturatie.
o Aanwezigheidsplicht: Mag wettelijk geen simultane anesthesieën uitvoeren;
moet continu bij patiënt blijven (behalve bij vitale nood elders).
o Delegatie: Bij tijdelijke afwezigheid neemt een anesthesieverpleegkundige de
exclusieve bewaking over, maar de eindverantwoordelijkheid blijft bij de arts.
• Postoperatief: Verantwoordelijk voor de nazorg op de recovery, pijnbestrijding en
monitoring tot 24 uur na de ingreep.
2.1.1 Anesthesieverpleegkundige
= ondersteunt anesthesist en zorgt voor veiligheid en comfort van de patiënt gedurende het hele
proces.
• Voorbereiding & Ontvangst:
o Klaarmaken van anesthesiemateriaal, medicatie en monitors.
o Ontvangen, geruststellen en correct positioneren van de patiënt.
• Assistentie bij Anesthesie:
o Inleiding: Aanleggen van infusen en monitoring (ECG, bloeddruk, saturatie).
o Intubatie: Aanreiken van laryngoscoop, tube en andere benodigdheden.
o Loco-regionaal: Aanreiken van specifiek materiaal en medicatie.
o Bescherming: Toedienen van oogzalf en afplakken van de ogen.
• Tijdens de ingreep:
o Continue bewaking van vitale functies en bloedafnames via de arteriële lijn.
o Onder strikte voorwaarden (tijdelijke) exclusieve bewaking bij afwezigheid van de
anesthesist.