Een plant herkennen als je ze ziet (P. 228-
229)
Plantkundige: personen die zich bezighouden met de indeling van organismen
Planten: komen vh woord PLANTAE
Indeling vd planten: indeling van Woese (1977)--> 6 rijken
Planten zijn:
- Meercellige organismen: iedere cel heeft een celkern en met daarin chromosomen
(erfelijk materiaal)
- Maken zelf hun voedsel aan --> fotosynthese dankzij bladgroenkorrels (drm zijn
planten groen)
Organismen die voedsel zelf aanmaken: autotroof
- Hebben een celwand (vezelig netwerk)
Stevigheid, vormvastheid en doorgang vd stoffen
Dierlijke cellen hebben geen celwand
- Hebben celorganellen ‘celorganen’ met belangrijke functies
Vb. vacuole: vloeistofblaadjes
Bladgroenkorrels: groene plastiden
Andere plastiden (voor opslag zetmeel, vetten etc.)
Planten kennen ook een evolutie (P. 228-
232)
Planten hebben ook een afstammingsgeschiedenis
Adhv DNA-technologie & fossiele vondsten
Loopt nog verder (evolueren verder)
Sommige soorten staan onder druk en verdwijnen zelfs door de kenmerken die
niet overleven in huidige omstandigheden
Sommige planten kunnen in nieuwe omstandigheden andere planten voordelen
geven
Planten moeten zoals alle andere levende wezens letterlijk hun ‘plaatsje’
verdienen
Enkel plantensoorten die aan de gegeven omstandigheden het best zijn
aangepast, verdienen hun plaats
Het gaat dus over aanpassing in termen van EVOLUTIE
Planten kennen ook een evolutie en het is te danken aan hen dat het leven van water op
het land is gekomen!!!
1
,De grote stap is gezet door de huidige ‘kranswieren’ (van water naar land)
Worden gezien als start vh ontstaan van landplanten
Kranswieren: pioniers vb.
- Op de grens van water en land
- Het feit dat deze konden overleven op deze grens, was te danken aan enkele
aanpassingen:
Duurzame kiemcellen
Groeiwijze met opgerichte delen
Prototypes
Hierna hebben alle andere aanpassingen de evolutie van de planten bepaald
- Aanpassingen op 2 niveaus:
1. Bouw en structuur
Opname van water en voedingsstoffen via blad, ging prima onder water maar op
land was er een transportsysteem nodig (bij mossen ontbreekt dit systeem nog
steeds)
Op land moet uitdroging worden voorkomen: dankzij wasachtig laagje ‘cuticula’
Steun en stevigheid niet meer door water maar gaat nu door steunweefsels
2. Ontwikkeling qua voortplanting
Mossen, wolfsklauwen en varens: doen aan geslachtelijke voortplanting en
hebben een vochtig substraat nodig
Ongeslachtelijke voortplanting: dankzij wind of dieren de mannelijke gameten tot
de eicellen brengen --> embryo in moederplant en groeit uit tot (sporenvormend)
varen, bladmossen (sporendrager) of een zaad (kant en klaar overlevingspakket
met reservevoedsel)
2
, Een indeling in grote groepen (P. 232- 245)
Afstammingsschema: cladogram
- Met grote herkenbare groepen
Vaatloze planten: kranswieren en mossen
Vaatplanten: wolfsklauwen, varens, naaktzadigen en bedektzadigen
Sporenplanten: mossen, wolfsklauwen en varens
Zaadplanten: naaktzadigen en bedektzadigen
Sporenplanten - De mossen
- Geen vaatweefsel
- Kan enkel water, voedingsstoffen etc opnemen of voortplantingscellen bijeenbrengen
als het voldoende vochtig is in omgeving
- Bouw:
Liggend op substraat
Geen blaadjes, geen stengel(=thalleus) OF met eenvoudige stengel en blaadjes
Geen wortels maar hebben ‘wortelachtige celdraden= rizoîden’
- 3 groepen mossen
1. Levermossen
2. Bladmossen
3. Hauwmossen
1. Levermossen
- Primitieve landplanten
- Eenvoudige bouw
- Flinterdunne, nerfloze blaadjes op vaatloze stengel
Met eencellige wortelachtige structuurtjes ‘rizoiden’ houden ze zich vast aan
substraat
- Parapluutjesmos
Geen stengel en geen bladeren
Liggend, leerachtig plantenlichaam (thallus)
Thallus groeit als vel over substraat (bodem) om vochtgehalte te regelen
Rizioden houden deze mossen stevig op hun plaats en zorgen voor wateropname
Deze mossen zijn van belang bij de vorming van de geslachtscellen en de sporen
(in vrouwelijke parapluutjes)
Planten zich ook ongeslachtelijk voor met de broedbekers
3