gezelschapsdieren
Hoofdstuk 1: Anesthesie – volwassen gezonde patiënt
1.1 Inleiding
Gebalanceerde anesthesie heeft als doel het reversibel bewustzijnsverlies, met spierrelaxatie
en analgesie. De fysiologische functies worden behouden en de recovery is vlot en
ongecompliceerd. Gebeurt op maat van de patiënt.
Het peri-anesthetisch risico wordt ingeschat aan de hand van de anamnese (signalement,
nuchter, aandoeningen, medicatie, inspanningsintolerantie, eerder verloop anesthesie) en
pre-anesthetisch onderzoek (KOZ + eventuele bijkomende onderzoeken) → risicoanalyse
voor anesthesie, weergegeven met de ASA score.
Vanaf ASA 3 neemt het peri-anesthetisch
risico 4-10 keer toe.
1.2 Volwassen gezonde patiënt
① Premedicatie: IV of IM dexmedetomidine of medetomidine + methadon of buprenorfine
+ eventueel NSAID (sneller effect indien vooraf gegeven, anders in recovery).
② Inductie: IV propofol op effect of alfaxalone op effect of midazolam en ketamine.
③ Onderhoud: isofluraan in zuurstof/lucht op effect + lokale anesthesie (indien mogelijk) of
intra-operatieve anesthesie met ketamine of fentanyl of lidocaïne.
④ Recovery: nagaan of er nog genoeg analgesie is, anders nog methadon of buprenorfine
bijgeven, of NSAID indien dit nog niet gebeurd was. Achteraf eventueel nog paracetamol
(hond) of lidocaïne of ketamine, maar dit enkel indien nog hoge pijnscore. Sedatie met
dexmedetomidine in de recovery indien excitatie (nerveuze dieren tijdens de premedicatie).
Sedatie kent dezelfde producten als voor premedicatie, maar wordt niet gevolgd door
narcose.
Low FAS = low fear, anxiety and stress. Dus eerst
bepalen welk effect gewild is. Vervolgens nagaan of
het dier gezond of ziek is. Vervolgens nagaan of het
een hond of kat is. Daarop verschillende keuzes
mogelijk.
1
,Hoofdstuk 2: Anesthesie – cardiologische aandoeningen
2.1 Algemeen
De meeste anesthetica hebben een negatieve invloed op het CV stelsel + hartpatiënten zijn
gevoeliger voor volume-overload, aritmieën en ze hebben een sterk verminderde cardiale
reserve → anesthesie is een uitdaging bij cardiologische problemen → medicamenteuze
stabilisatie pre-anesthetisch is aangeraden.
Hartdebiet CO = HF x SV. SV is afhv preload, inotropie, afterload.
Bloeddruk BP = CO x SVR.
Al deze parameters worden beïnvloed door anesthetica en door verschillende aard
onderliggende aandoeningen.
2.2 Pre-anesthetische aanpak
De anamnese en het pre-anesthetisch onderzoek worden toegespitst op het CV stelsel. In de
anamnese wordt belang gehecht aan de diersoort, ras, leeftijd, geslacht, lichaamsgewicht,
inspanningstolerantie en syncope, (hart)medicatie, nuchter. Als er geen klinische
symptomen zijn, is er een hogere anesthesie tolerantie. In het pre-anesthetisch onderzoek
wordt belang gehecht aan auscultatie, polspalpatie (sterkte, deficit), dyspnee, reutels,
hartfrequentie, bijgeruis, hartritme, CVT, kleur slijmvliezen, perifeer oedeem.
Als het KOZ afwijkend is, wordt een klinisch cardiologisch onderzoek gedaan en bijkomend
onderzoek = EKG bij onregelmatig hartritme, echografie/Doppler bij bijgeruis, RX thorax bij
hoest of versterkt vesiculair ademen, bloeddrukmeting bij hart/nierpatiënt.
2.3 Anesthesie
① Premedicatie: vermijd α2-agonisten, want (dex)medetomidine heeft een grote CV
impact (verminderde hartspiercontractiliteit, afname CO, perifere VC, initieel hoge BD →
baroreceptoren geven bradycardie, eerste- en tweedegraads AV-blocks). ACP niet geven bij
DCM of hypovolemie, eventueel wel bij mitralisklepinsufficiëntie ASA 2 vanwege daling SVR
en afterload. Opiaat en midazolam goed voor hartpatiënten.
② Inductie: pre-oxygenatie tijdens inductie.
ASA 2 en 3 propofol of alfaxalone + midazolam co-inductie (dosis propofol/alfaxalone doen
dalen met midazolam → minder CV effect).
ASA 4 en 5 (= hebben symptomen van hartaandoening) fentanyl en midazolam of etomidaat
en midazolam (+ beetje alfaxalone). Minder goede inductiekwaliteit → daarom combinatie
met beetje alfaxalone, maar wel veilig CV effect.
③ Onderhoud: isofluraan in 100% zuurstof bij start anesthesie, dosis reductie door
combinatie met opiaat. Aandacht voor matig infuusbeleid van 2-3 mL/kg/u.
④ Recovery: monitoring en eventueel zuurstofsupplementatie (afbouwen).
2.4 Specifieke aandoeningen
- Mitralisklepinsufficiëntie (MMVD) is een chronische verandering in de mitralisklep met
prolaps en insufficiëntie van de klep → regurgitatie, linkeratrium dilatatie, linker congestief
hartfalen. Stage B1 is ASA 2, stage B2 is ASA 3, stage C is ASA 4.
2
,Belangrijk om bradycardie en stijging in SVR te vermijden (geen α2-agonisten), voorzichtig
met vochttherapie (2-3 mL/kg/u). Een kleine reductie in afterload kan regurgitatie
verminderen, kan met ACP.
- Dilatorische cardiomyopathie (DCM) is een systolische dysfunctie → gedilateerde hartspier,
linkeratrium overbelasting, linker congestief hartfalen. Er is verminderde contractiliteit en
frequent ventriculaire aritmieën.
Belangrijk om de systolische functie te ondersteunen (dobutamine), SV is beperkt dus
normaal hartritme en preload behouden, aritmieën behandelen (lidocaïne bolus en CRI).
- Hypertrofische cardiomyopathie (HCM) bij de kat is een linkerventrikel diastolische
dysfunctie → verdikte hartspier, inadequate ventrikelvulling, verstoorde outflow, druk
linkerventrikel stijgt, linkeratrium dilateert, linkeratrium druk stijgt, linker congestief
hartfalen. De hypertrofie van het myocard is niet evenredig met de coronaire perfusie.
Myocard hypoxie zorgt voor aritmieën en een hoge hartfrequentie. De linkeratrium dilatatie
verhoogt het risico op trombi.
Belangrijk om sympathicus activatie te vermijden (dus geen ketamine geven), hypovolemie
vermijden → 3 mL/kg/u vloeistoftherapie, bolus kan indien linkeratrium oké.
Hoofdstuk 3: Anesthesie – (acute) respiratoire aandoeningen
3.1 Algemeen
Alle anesthetica/sedativa hebben een negatieve invloed op de respiratie = hypoventilatie met
lage AH frequentie en klein TV + zorgen voor spierrelaxatie waardoor AH extra bemoeilijkt
wordt. Dit kan aanleiding geven tot acuut ontstaan/verergeren van cyanose, dyspnee en
hypoxie. De oorzaak ligt in de bovenste/onderste luchtwegen → alles ongeveer dezelfde
anesthetische aanpak.
Aandoeningen bovenste luchtwegen = larynxparalyse, tracheacollaps, externe druk op
trachea, obstructie bovenste luchtwegen, BOAS. Het longweefsel functioneert in principe
wel.
Aandoeningen onderste luchtwegen = astma, COPD, pneumonie, pneumo/chylo/
hemothorax, longoedeem, longbloeding, atelectase, interstitiële longaandoening, hernia
diafragmatica, aandoeningen die bewegingen van thoraxwand beperken. Het longweefsel is
meestal afwijkend.
3.2 Pre-anesthetische aanpak
Klachten in de anamnese gaan over hoesten, dyspnee, stridor, verminderde uithouding,
syncope. Tijdens het KOZ moet aandacht gevestigd worden op het inspecteren van de AH
(frequentie, type, ritme), dyspnee (inspiratoir met extrathoracale oorzaak of expiratoir met
intrathoracale en intra luchtweg oorzaak), auscultatie van de thorax, slijmvliezen (CVT, kleur).
Het is van groot belang de dieren bij het pre-anesthetisch onderzoek zo weinig te
stresseren → work of breathing (WOB) zal anders alleen maar toenemen. De perifere
zuurstofsaturatie moet nagegaan worden met een pulseoximeter (best op lip, oor,
preputium). De dieren zo snel mogelijk zuurstof geven (masker). Alles klaarleggen om
eventueel een spoedinductie te doen nodig voor endotracheale intubatie. Uitstel van
3
, anesthesie indien dyspnee bij lichte inspanning of rust, pneumonie, longoedeem,
longcontusie, atelectase, pneumothorax, hydrothorax.
Bij erge gevallen van pneumo/hydrothorax eerst de thorax puncteren met thoracocentesis en
een vlinderkatheter of permanente thoraxdrain, onder lokale verdoving (lidocaïne).
Hyperthermie moet zo snel mogelijk behandeld worden (hijgen leidt tot opzetting in
luchtwegen met ademnood). Pre-oxygenatie is een absolute must om desaturatie bij
inductie te voorkomen, 2-3 L/min voor 5-10min, met masker.
3.3 Anesthesie
① Premedicatie: milde sedatie tegen stress (stress verhoogt WOB), sedativa met minimale
invloed op AH.
ACP kan, maar nadeel dat het geen analgesie biedt en langwerkend is.
Benzodiazepines nooit aan hoge dosis want geeft centrale spierrelaxatie waardoor ventilatie
verslechtert.
Opiaten onderdrukken de AH, maar dit is dosis gebonden en product afhankelijk →
butorfanol en buprenorfine zijn geschikt, beiden goede sedatie en weinig AH depressie,
buprenorfine meer analgesie en werkt langer. Methadon en fentanyl zijn beter analgetisch,
maar meer AH depressie. Bij methadon zullen dieren initieel hijgen door invloed op het
thermoregulerend centrum. Opiaten (buprenorfine en butorfanol voorkeur) wel gebruiken
bij pijn, want dit kan hypo- of hyperventilatie geven.
Lage dosis α2-agonisten kunnen, bv. (dex)medetomidine. Antidoteren met atipamezole is
mogelijk. Nadeel is wel dat ze cyanose kunnen camoufleren door het induceren van perifere
VC → altijd goed de mucosae checken voor en na toediening! Wordt niet aangeraden bij
uitgesproken AH problemen/dyspnee.
② Inductie: snelle inductie is essentieel, dus altijd IV en altijd snel intuberen om controle
op de luchtwegen te hebben. Ventilatie is gewenst tijdens de inductie om inductie-apnee
tegen te gaan. Propofol of alfaxalone gebruiken, titreren op effect over 30-60s. ketamine/
midazolam of tiletamine/zolazepam minder aangewezen, want de luchtwegreflexen blijven
intact → dieren nog gevoelig voor laryngo- en bronchospasmen + hoest kan nog uitgelokt
worden + bij korte anesthesie niet gebruiken want dan excitatie in recovery.
③ Onderhoud: inhalatie-anesthesie of TIVA met zuurstofsupplementatie. Bij
hypoventilatie AH controleren door patiënt te ventileren. Indien nodig inspiratoire zuurstof
hoog houden. Monitoring met capnografie/pulseoximeter/ECG, eventueel bloedgasanalyse.
④ Recovery en postoperatieve zorgen: geleidelijk afbouwen anestheticum, brachycefalen
langdurig geïntubeerd opvolgen. Dieren rustig en sternaal laten wakker worden (niet
antidoteren om te versnellen), luchtwegen vrijhouden door voorzichtig aan de tong te
trekken, dosis inductiemiddel en tracheotube en laryngoscoop bij de hand hebben voor
noodsituaties, spontane AH stimuleren, neussonde plaatsen voor zuurstofsupplementatie of
via masker, controle ventilatieparameters, geleidelijk afbouwen zuurstofsupplementatie
(nagaan via pulseoximeter).
4