Gedragsneurowetenschappen:
Inleiding:
Studieobject van de gedragsneurowetenschappen
- Wetenschappelijk studie van het gedrag begrepen vanuit werking van
hersenen (in interactie met de omgeving; ademen, hart dat klopt,
rechtzitten,…)
- Zowel vanuit gezonde brein als beschadigde brein
- Recent meer en meer belangstelling voor de hersenen (ADHD, autisme,
hersenletsel, stress, veroudering…)
Het menselijke brein: een informatie verwerkend orgaan (cruciale functie)
- Zintuigen die brein prikkels geven gedrag reguleren
- Weten wat je moet doen in bepaalde situatie
!! Limieten op brein (niet alles multi-tasken)
Voorbeelden:
- Toblerone: brein kan niet alles verwerken wat ogen zien
oplossing: geheugen! Iets eerder gezien, blijf je het zien en vergeet je
het niet
- Klok mensen met dementie of hersenletsel kennen dit niet (meer)
ervaren angst
Dus: hersenen hebben soms eerst info nodig om dingen te zien of weten
Maar ! hersenen kunnen ons ook op een verkeerd spoor zetten (bv. Illusies)
Hoofdstuk 1: conceptueel kader
Inleiding:
Orgaansystemen en dus ook het zenuwstelsel maken deel uit van ingewikkelde
ecosystemen
Systeembiologie = heel ecosysteem in natuur in lagen geordend als hiërarchisch
continuüm waarbij complexere grotere eenheden zijn samengevoegd uit minder
complexere eenheden
Zo beschrijven we in elk biologisch systeem in opklimmende volgorde
volgende lagen
Kwantumdeeltjes – Subatomaire deeltjes – Atomen – Moleculen –
Macromoleculen – Organellen – Cellen – Weefsels – Organen en
Orgaansystemen – Zenuwstelsel – Organismen en persoon – Populaties –
Leefgemeenschappen – Cultuursubcultuur – Maatschappij-staat –
Ecosystemen – Biosfeer
1.1 Evolutie heeft geleid tot een toenemende complexiteit van neurale
structuren en hersenen
Evolutie tot toenemende complexiteit van neurale structuren en hersenen
Toenemende flexibiliteit in aanpassingsvermogen aan omgeving
- Fylogenetische veranderingen over generaties heen
- Ontogenetische veranderingen binnen de levensloop
- Veranderingen van moment tot moment (neuroplasticiteit)
1.4 Een conceptueel biopsychosociaal kader van hersenen en gedrag
Endogeen: processen binnen je lichaam (endofenotype)
Exogeen: vanuit de omgeving (exofenotype)
Binnen lichaam
Neuron: biologische basiseenheid
- Zenuwcel, start van leven
- Morfologie = bouw = structuur
1
, o Cellulair – moleculair
o Plasticiteit
- Werking = functie
o Cellulaire neurofysiologie
Hersenen – zenuwstelsel – neurale circuits:
- Netwerken, series van lampjes
- Cellulaire neurofysiologie
Gedragsfuncties (beweging-cognitie-emotie) –
viscerale functies
- Ademhalen = brein doet dit voor jou
(automatisch)
- Viscerale functies: onder invloed van
autonome functies
- Gedragsfuncties: motoriek, cognitie, emotie
onder invloed van centrale zenuwstelsel
- Ook persoonlijkheid
o Vanuit hersenen bewust over wie je
bent, anderen, rol in leven
o Endogeen: genetische processen
overgeërfd
o Exogeen: andere beïnvloeden je
Losgekoppeld
Activiteiten- en maatschappelijke participatie
- Andere dingen eigen aan lichaam, hangt
samen vast
- Activiteiten in dagelijks leven (rechtstaan,
koffie maken, mikken)
Tijdsafhankelijke veranderingen
- Fylogenese: evolutie (generaties)
- Ontogenese: hoe groeien hersenen doorheen levensloop (conceptie
dood) (individueel)
- Neuroplasticiteit: elasticiteit, veranderen en info opnemen, structuur van 1
zenuwcel verandert elke seconde (moment op moment)
Persoon
- Persoonsgebonden variabelen
Volledig model:
- Kenmerken
o Interactie tussen genetica en omgeving
o Toenemende complexiteit
o Gelaagde niveaus
o Hiërarchisch continuüm
o Emergente eigenschap
o Bouw (structuur) versus werking (functie)
- Hersenen begrijpen, kijken naar 1 cel = zenuwcel
- ! verbindingen (=connecties)
Wat als er iets mis is
- Etiologie: oorzaak/reden waarom iets gebeurt
- Neuroradioloog kijkt of alles nog goed is
- Als er te lang stress is = schade aan hersenweefsel
2
, - Re-integratie/re-participatie = terug rol in samenleving innemen
Deel 1: cellulaire neuroanatomie en neurofysiologie
Hoofdstuk 3: cellulaire neuroanatomie
Inleiding:
Zenuwcellen of neuronen
= Opvangen en doorsturen van informatie naar hersenen, ordenen en
interpreteren van al de binnenkomende informatie en voorbereiden/insturen van
instructies naar organen in periferie
Steun- of neurogliacellen
- Helpen de neuronen op verschillende manieren bij uitoefening van hun
informatieverwerkende taak
3.1 Neuronen = zenuwcel
3.1.1 Celstructuur
Cellichaam/soma/perikaryon = beslist hoe cel
zal reageren
- Functie: celmetabolisme (=
energieproductie en stofaanmaak
nodig voor informatieverwerking)
Bestaan uit:
Nucleus/celkern
Cytoplasma
- Moleculen: organische (eiwitten,
suikers) en anorganische stoffen
(natrium, chloor)
Organellen = bestanddelen van cel
- Orgaantjes of organellen
o Mitochondriën
Zetten voedingsstoffen
om in brandstof of
energie die cel kan
gebruiken (energieleveranciers van cel (ATP)
o Ribosomen
Zorgen voor de aanmaak van specifieke eiwitten en spelen rol
in eiwitsynthese
o Endoplasmatisch reticulum
Netwerk van platte verbindingsbuizen, blaasjes en holten die
dienstdoen als transportkanalen voor celproducten en onder
andere eiwitsynthese verzorgen
o Golgli-apparaat of -complex
Zorgt voor verpakken en versturen van celproducten in
blaasjes of vesicula (transport van celproducten door
celmembraan)
o Microtubuli
Uiterst dunne buisje, die soort skelet vormen voor cel
o Vacuolen
Holtes in cytoplasma die soms dienen om bestanddelen naar
celmembraan te vervoeren om de cel uit te gaan
o Lysosomen
Zakjes met verteringsenzymen, die instaan voor de afbraak
van schadelijke stoffen, speler rol in celvernieuwing
3
Inleiding:
Studieobject van de gedragsneurowetenschappen
- Wetenschappelijk studie van het gedrag begrepen vanuit werking van
hersenen (in interactie met de omgeving; ademen, hart dat klopt,
rechtzitten,…)
- Zowel vanuit gezonde brein als beschadigde brein
- Recent meer en meer belangstelling voor de hersenen (ADHD, autisme,
hersenletsel, stress, veroudering…)
Het menselijke brein: een informatie verwerkend orgaan (cruciale functie)
- Zintuigen die brein prikkels geven gedrag reguleren
- Weten wat je moet doen in bepaalde situatie
!! Limieten op brein (niet alles multi-tasken)
Voorbeelden:
- Toblerone: brein kan niet alles verwerken wat ogen zien
oplossing: geheugen! Iets eerder gezien, blijf je het zien en vergeet je
het niet
- Klok mensen met dementie of hersenletsel kennen dit niet (meer)
ervaren angst
Dus: hersenen hebben soms eerst info nodig om dingen te zien of weten
Maar ! hersenen kunnen ons ook op een verkeerd spoor zetten (bv. Illusies)
Hoofdstuk 1: conceptueel kader
Inleiding:
Orgaansystemen en dus ook het zenuwstelsel maken deel uit van ingewikkelde
ecosystemen
Systeembiologie = heel ecosysteem in natuur in lagen geordend als hiërarchisch
continuüm waarbij complexere grotere eenheden zijn samengevoegd uit minder
complexere eenheden
Zo beschrijven we in elk biologisch systeem in opklimmende volgorde
volgende lagen
Kwantumdeeltjes – Subatomaire deeltjes – Atomen – Moleculen –
Macromoleculen – Organellen – Cellen – Weefsels – Organen en
Orgaansystemen – Zenuwstelsel – Organismen en persoon – Populaties –
Leefgemeenschappen – Cultuursubcultuur – Maatschappij-staat –
Ecosystemen – Biosfeer
1.1 Evolutie heeft geleid tot een toenemende complexiteit van neurale
structuren en hersenen
Evolutie tot toenemende complexiteit van neurale structuren en hersenen
Toenemende flexibiliteit in aanpassingsvermogen aan omgeving
- Fylogenetische veranderingen over generaties heen
- Ontogenetische veranderingen binnen de levensloop
- Veranderingen van moment tot moment (neuroplasticiteit)
1.4 Een conceptueel biopsychosociaal kader van hersenen en gedrag
Endogeen: processen binnen je lichaam (endofenotype)
Exogeen: vanuit de omgeving (exofenotype)
Binnen lichaam
Neuron: biologische basiseenheid
- Zenuwcel, start van leven
- Morfologie = bouw = structuur
1
, o Cellulair – moleculair
o Plasticiteit
- Werking = functie
o Cellulaire neurofysiologie
Hersenen – zenuwstelsel – neurale circuits:
- Netwerken, series van lampjes
- Cellulaire neurofysiologie
Gedragsfuncties (beweging-cognitie-emotie) –
viscerale functies
- Ademhalen = brein doet dit voor jou
(automatisch)
- Viscerale functies: onder invloed van
autonome functies
- Gedragsfuncties: motoriek, cognitie, emotie
onder invloed van centrale zenuwstelsel
- Ook persoonlijkheid
o Vanuit hersenen bewust over wie je
bent, anderen, rol in leven
o Endogeen: genetische processen
overgeërfd
o Exogeen: andere beïnvloeden je
Losgekoppeld
Activiteiten- en maatschappelijke participatie
- Andere dingen eigen aan lichaam, hangt
samen vast
- Activiteiten in dagelijks leven (rechtstaan,
koffie maken, mikken)
Tijdsafhankelijke veranderingen
- Fylogenese: evolutie (generaties)
- Ontogenese: hoe groeien hersenen doorheen levensloop (conceptie
dood) (individueel)
- Neuroplasticiteit: elasticiteit, veranderen en info opnemen, structuur van 1
zenuwcel verandert elke seconde (moment op moment)
Persoon
- Persoonsgebonden variabelen
Volledig model:
- Kenmerken
o Interactie tussen genetica en omgeving
o Toenemende complexiteit
o Gelaagde niveaus
o Hiërarchisch continuüm
o Emergente eigenschap
o Bouw (structuur) versus werking (functie)
- Hersenen begrijpen, kijken naar 1 cel = zenuwcel
- ! verbindingen (=connecties)
Wat als er iets mis is
- Etiologie: oorzaak/reden waarom iets gebeurt
- Neuroradioloog kijkt of alles nog goed is
- Als er te lang stress is = schade aan hersenweefsel
2
, - Re-integratie/re-participatie = terug rol in samenleving innemen
Deel 1: cellulaire neuroanatomie en neurofysiologie
Hoofdstuk 3: cellulaire neuroanatomie
Inleiding:
Zenuwcellen of neuronen
= Opvangen en doorsturen van informatie naar hersenen, ordenen en
interpreteren van al de binnenkomende informatie en voorbereiden/insturen van
instructies naar organen in periferie
Steun- of neurogliacellen
- Helpen de neuronen op verschillende manieren bij uitoefening van hun
informatieverwerkende taak
3.1 Neuronen = zenuwcel
3.1.1 Celstructuur
Cellichaam/soma/perikaryon = beslist hoe cel
zal reageren
- Functie: celmetabolisme (=
energieproductie en stofaanmaak
nodig voor informatieverwerking)
Bestaan uit:
Nucleus/celkern
Cytoplasma
- Moleculen: organische (eiwitten,
suikers) en anorganische stoffen
(natrium, chloor)
Organellen = bestanddelen van cel
- Orgaantjes of organellen
o Mitochondriën
Zetten voedingsstoffen
om in brandstof of
energie die cel kan
gebruiken (energieleveranciers van cel (ATP)
o Ribosomen
Zorgen voor de aanmaak van specifieke eiwitten en spelen rol
in eiwitsynthese
o Endoplasmatisch reticulum
Netwerk van platte verbindingsbuizen, blaasjes en holten die
dienstdoen als transportkanalen voor celproducten en onder
andere eiwitsynthese verzorgen
o Golgli-apparaat of -complex
Zorgt voor verpakken en versturen van celproducten in
blaasjes of vesicula (transport van celproducten door
celmembraan)
o Microtubuli
Uiterst dunne buisje, die soort skelet vormen voor cel
o Vacuolen
Holtes in cytoplasma die soms dienen om bestanddelen naar
celmembraan te vervoeren om de cel uit te gaan
o Lysosomen
Zakjes met verteringsenzymen, die instaan voor de afbraak
van schadelijke stoffen, speler rol in celvernieuwing
3