Het strafprocesrecht heeft een rechtsinstrumentele werking= het strafprocesrecht moet
voldoende effectief zijn om onderzoek te voeren naar de waarheidsvinding.
Strafprocesrecht heeft een rechtsbeschermende werking= degene die in het vaarwater van
een strafprocedure terechtkomt, moet een aantal waarborgen hebben. Hij moet in zijn
grondrechten beschermd worden.
Men moet een evenwicht zoeken tussen de effectiviteit van het strafprocesrecht en de
rechtsbescherming die elke rechtsonderhorigen moet genieten.
Deze cursus bestaat uit 10 HS’en:
-In het HS 1 bestuderen we alle organen die betrokken zijn bij een strafprocedure en ook de
personen die in een strafproces aanwezig kunnen zijn.
-In het HS 2 en 3 bestuderen we de 2 vorderingen die voortvloeien uit een misdrijf (de
strafvordering die altijd voortvloeit uit een misdrijf en de burgerlijke vordering die vaak maar
niet altijd voortvloeit uit een misdrijf).
-In HS 4 en 5 behandelen we de 2 vormen van vooronderzoek: het opsporingsonderzoek
o.l.v. de procureur des konings en het gerechtelijk onderzoek o.l.v. de onderzoeksrechter.
-In HS 6 gaan we dieper in op de voorlopige hechtenis, dat maakt deel uit van het
gerechtelijk onderzoek maar het is zo’n uitgebreide materie geworden, dat we er een apart
HS aanbesteden.
-In HS 7 kijken we wat er gebeurt op het einde van het opsporings- en gerechtelijk
onderzoek.
-In HS 8 kijken we wat er van toepassing is op alle vonnisgerechten (bijv. het bewijs in
strafzaken of de motivering van vonnissen en arresten).
-In HS 9 kijken we naar de concrete procedure voor de 5 verschillende vonnisgerechten die er
zijn: politierechtbank, de correctionele rechtbank, de jeugdrechtbank, de hoven van beroep
en de hoven van assisen.
-In HS 10 kijken we de rechtsmiddelen die mogelijk zijn in een strafzaak: het verzet, het hoger
beroep en het cassatieberoep.
,Hoofdstuk 1: Organen en partijen betrokken bij het strafproces
De politiediensten:
1) De bestuurlijke politie met preventieve werking (orde en handhaving).
Staat o.l.v. de administratieve autoriteiten (de minister van binnenlandse zaken).
2) De gerechtelijke politie met repressieve werking (opsporen van misdrijven) .
Staat o.l.v. de gerechtelijke overheden (de procureur-generaal bij het HvB en de
minister van justitie).
Er zijn een aantal toezichtsorganen op de politiediensten, met name: het comité P en de
inlichtingendiensten (=> dit zijn geen politiediensten).
De structuur van de politiediensten is sinds 1998 op 2 niveaus georganiseerd: de lokale
politie en de federale politie:
De lokale politie voert taken uit van administratieve tot taken die ze krijgt van de
gerechtelijke politie, en doet dit op lokaal niveau. Ze heeft ook een ondersteunende
taak t.a.v. de federale politie.
De lokale politie is ingedeeld per politiezone:
Er is oftewel sprake van 1 gemeentepolitiezone; waarbij de burgemeester het hoofd
is van de politiedienst en de lokale politiedienst en de gemeenteraad. Oftewel is er
sprake van een meergemeentezone; waarbij je een politiecollege hebt, deze bestaat
uit de burgemeesters van de deelnemende gemeenten en een politieraad (die dan
evenredig is samengesteld uit de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten).
De federale politie zal dan over het hele grondgebied van het rijk, eerder
gespecialiseerde taken (zowel bestuurlijke als gerechtelijke politietaken) uitoefenen.
Het moet om bijzondere zaken gaan die men lokaal niet kan doen, deze taken zullen
dan door de federale politie gebeuren (principe van specialiteit en subsidiariteit).
De federale politie staat o.l.v. een commissaris-generaal en bestaat uit 3 directies
(algemene directie van: bestuurlijke politie, gerechtelijke politie, middelenbeheer en
informatie). De algemene directies van de gerechtelijke politie staat o.l.v. de
commissaris-generaal.
Binnen de schoot van de federale politie zijn er een aantal diensten met een speciaal
statuut maar zij maken gewoon deel uit van de federale politie: DJSOC and organised
crime.
Gerechtelijke autoriteiten (de procureur in het kader van een opsporingsonderzoek of de
onderzoeksrechter in het kader van een gerechtelijk onderzoek) hebben een
aanwijzingsrecht en vorderingsrecht t.a.v. de politiediensten. Dit betekent dat zij opdrachten
kunnen geven aan de politiediensten, echter moeten ze zich hierbij wel aan 2 regels houden:
, 1) Ze mogen zich niet inlaten met de concrete organisatie van de betrokken
politiedienst. Ze mogen hun vorderingen wel richten aan de politiedienst maar dus
niet aan een specifieke politieambtenaar. Het is de chef van de politiedienst die zal
beslissen wie welke taak zal uitoefenen. Echter zijn er uitzonderingen waar de
gerechtelijke politie wel iemand specifiek kan aanduiden (zoals bij de telefoontap,
dan zal de onderzoeksrechter wel zelf iemand aanduiden).
2) Ze mogen zich niet inlaten met de operationele leiding, deze leiding gebeurt o.l.v. de
chefs van de politiediensten van de officieren van de gerechtelijke politie.
Een belangrijk onderscheid bij de politiediensten is het onderscheid tussen de agenten en de
officieren van de gerechtelijke politie.
Er zijn 2 kaders binnen de politiediensten: een operationeel kader (behandelen we wel in de
les) en een logistiek kader (behandelen we niet in de les).
Het operationeel kader wordt opgevuld door politieambtenaren en agenten van
politie. Politieambtenaren worden dan nog eens onderverdeeld in 3 kaders: het
officierskader, middenkader en het basiskader.
--> De politieambtenaren hebben een algemene bevoegdheid voor de
uitoefening van taken voor de gerechtelijke en bestuurlijke politie. Ze zijn
bevoegd voor het opsporen van allerlei misdrijven (BOEK II Sw. bijz. straffen).
--> Agenten van politie zijn geen ambtenaren en hebben geen algemene
opsporingsbevoegdheid maar hebben een ondersteunende rol bij de
politieambtenaren. Ze mogen wel zelfstandig verkeersongevallen en de
gevolgen daarvan vaststellen.
Politieambtenaren worden onderverdeeld in officiëren en agenten van de gerechtelijke
politie. De officieren worden nog eens onderverdeeld in 3 categorieën: de hogere officieren
(alle parketmagistraten van het OM), hulpofficieren van de procureur des konings
(politieambtenaren uit het officiers- en middenkader), lagere officiëren (boswachters en
veldwachters). Iedereen die geen officier is van de gerechtelijke politie, is agent van de
gerechtelijke politie. Het gaat defacto om politieambtenaren van het basiskader.
Bijzondere wetten of decreten kunnen aan bepaalde ambtenaren die krachtens de globale
politiewetgeving geen agent of officier van de gerechtelijke politie zijn, die hoedanigheid
toekennen.
Art. 41 Sv.: “Misdrijven bij heterdaad zijn misdrijven die gepleegd zijn, terwijl het bestond of
nadat het is gepleegd” (het bloed hangt nog aan je handen). Bij wijze van uitbreiding is er
heterdaad wanneer de dader achtervolgt wordt door het openbaar geroep (“houd de dief”)
of wanneer hij gevonden wordt in het bezit van zaken die erop doen wijzen dat hij net een
misdrijf heeft gepleegd (bijv. een wapen of gestolen voorwerp).
Bij assimilatie of gelijkstelling is er ook heterdaad: d.w.z. dat wanneer er een misdrijf is, dat
gepleegd is in een woning en de procureur wordt bijgevolg door het hoofd van het huis (of
, door een slachtoffer van partnergeweld) gevraagd om het misdrijf vast te stellen, voor gelijk
welk misdrijf.
Als deze situatie van heterdaad er is (assimilatie), dan krijgen de procureur des konings en de
officieren van gerechtelijke politie: extra bevoegdheden.
Bijv. een huiszoeking of een onderzoek aan het lichaam bevelen.
Elke officier van gerechtelijke politie mag bij heterdaad verdachten arresteren.
Buiten heterdaad mag alleen de procureur des konings die beslissing nemen.
Agenten van politie mogen bij heterdaad personen ophouden, voertuigen tegenhouden en
een veiligheidsfouillering uitvoeren.
De bevoegdheden van de gerechtelijke politie buiten heterdaad zijn (hier zegt het wetboek
van strafvordering weinig over, het somt de bevoegdheden niet limitatief op):
1e vorm van bevoegdheden bij buiten heterdaad situaties:
Het HvC zegt dat de politie buiten heterdaad alles mag doen dat nuttig is om de waarheid te
achterhalen, zolang het maar niet in strijd is met de formele wettekst en zolang het maar niet
in strijd is met de essentiële waarborgen van het individu op het vlak van vrijheid en het vlak
van zijn waardigheid.
Dit is vaag en onduidelijk om te bepalen wat de politie mag doen bij buiten
heterdaad situaties.
2e vorm van bevoegdheden bij buiten heterdaad situaties:
Op basis van bijz. strafwetten: binnentredingsregeling (plaatsen die niet publiekelijk
toegankelijk zijn voor de normale burger).
Op basis van delegatie mag een onderzoeksrechter de uitvoering van een huiszoeking
delegeren aan haar officiëren van gerechtelijke politie, dus niet aan agenten van gerechtelijke
politie.
Het O.M. is een spilfiguur in het strafprocesrecht.
In het onderzoek, het opsporingsonderzoek, is er altijd het O.M.
Vervolging is het prerogatief voor het O.M.
-Berechting
-Strafuitvoering
De leden worden benoemd door de Koning (na tussenkomst van de Hoge raad voor de
justitie).
Het HvC heeft gewezen dat het O.M. een partij is, maar geen tegenpartij in het proces is, en
dat zij moet waken over de wet.
In eerste aanleg wordt het O.M. => procureur des konings genoemd.
In hoger beroep wordt het O.M. => procureur-generaal genoemd.
Bij het O.M. heb je parketjuristen (zij zijn geen parketmagistraten), ze oefenen de
strafvordering niet uit maar hebben een voorbereidende taak en staan onder het gezag van
de procureur des konings.
voldoende effectief zijn om onderzoek te voeren naar de waarheidsvinding.
Strafprocesrecht heeft een rechtsbeschermende werking= degene die in het vaarwater van
een strafprocedure terechtkomt, moet een aantal waarborgen hebben. Hij moet in zijn
grondrechten beschermd worden.
Men moet een evenwicht zoeken tussen de effectiviteit van het strafprocesrecht en de
rechtsbescherming die elke rechtsonderhorigen moet genieten.
Deze cursus bestaat uit 10 HS’en:
-In het HS 1 bestuderen we alle organen die betrokken zijn bij een strafprocedure en ook de
personen die in een strafproces aanwezig kunnen zijn.
-In het HS 2 en 3 bestuderen we de 2 vorderingen die voortvloeien uit een misdrijf (de
strafvordering die altijd voortvloeit uit een misdrijf en de burgerlijke vordering die vaak maar
niet altijd voortvloeit uit een misdrijf).
-In HS 4 en 5 behandelen we de 2 vormen van vooronderzoek: het opsporingsonderzoek
o.l.v. de procureur des konings en het gerechtelijk onderzoek o.l.v. de onderzoeksrechter.
-In HS 6 gaan we dieper in op de voorlopige hechtenis, dat maakt deel uit van het
gerechtelijk onderzoek maar het is zo’n uitgebreide materie geworden, dat we er een apart
HS aanbesteden.
-In HS 7 kijken we wat er gebeurt op het einde van het opsporings- en gerechtelijk
onderzoek.
-In HS 8 kijken we wat er van toepassing is op alle vonnisgerechten (bijv. het bewijs in
strafzaken of de motivering van vonnissen en arresten).
-In HS 9 kijken we naar de concrete procedure voor de 5 verschillende vonnisgerechten die er
zijn: politierechtbank, de correctionele rechtbank, de jeugdrechtbank, de hoven van beroep
en de hoven van assisen.
-In HS 10 kijken we de rechtsmiddelen die mogelijk zijn in een strafzaak: het verzet, het hoger
beroep en het cassatieberoep.
,Hoofdstuk 1: Organen en partijen betrokken bij het strafproces
De politiediensten:
1) De bestuurlijke politie met preventieve werking (orde en handhaving).
Staat o.l.v. de administratieve autoriteiten (de minister van binnenlandse zaken).
2) De gerechtelijke politie met repressieve werking (opsporen van misdrijven) .
Staat o.l.v. de gerechtelijke overheden (de procureur-generaal bij het HvB en de
minister van justitie).
Er zijn een aantal toezichtsorganen op de politiediensten, met name: het comité P en de
inlichtingendiensten (=> dit zijn geen politiediensten).
De structuur van de politiediensten is sinds 1998 op 2 niveaus georganiseerd: de lokale
politie en de federale politie:
De lokale politie voert taken uit van administratieve tot taken die ze krijgt van de
gerechtelijke politie, en doet dit op lokaal niveau. Ze heeft ook een ondersteunende
taak t.a.v. de federale politie.
De lokale politie is ingedeeld per politiezone:
Er is oftewel sprake van 1 gemeentepolitiezone; waarbij de burgemeester het hoofd
is van de politiedienst en de lokale politiedienst en de gemeenteraad. Oftewel is er
sprake van een meergemeentezone; waarbij je een politiecollege hebt, deze bestaat
uit de burgemeesters van de deelnemende gemeenten en een politieraad (die dan
evenredig is samengesteld uit de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten).
De federale politie zal dan over het hele grondgebied van het rijk, eerder
gespecialiseerde taken (zowel bestuurlijke als gerechtelijke politietaken) uitoefenen.
Het moet om bijzondere zaken gaan die men lokaal niet kan doen, deze taken zullen
dan door de federale politie gebeuren (principe van specialiteit en subsidiariteit).
De federale politie staat o.l.v. een commissaris-generaal en bestaat uit 3 directies
(algemene directie van: bestuurlijke politie, gerechtelijke politie, middelenbeheer en
informatie). De algemene directies van de gerechtelijke politie staat o.l.v. de
commissaris-generaal.
Binnen de schoot van de federale politie zijn er een aantal diensten met een speciaal
statuut maar zij maken gewoon deel uit van de federale politie: DJSOC and organised
crime.
Gerechtelijke autoriteiten (de procureur in het kader van een opsporingsonderzoek of de
onderzoeksrechter in het kader van een gerechtelijk onderzoek) hebben een
aanwijzingsrecht en vorderingsrecht t.a.v. de politiediensten. Dit betekent dat zij opdrachten
kunnen geven aan de politiediensten, echter moeten ze zich hierbij wel aan 2 regels houden:
, 1) Ze mogen zich niet inlaten met de concrete organisatie van de betrokken
politiedienst. Ze mogen hun vorderingen wel richten aan de politiedienst maar dus
niet aan een specifieke politieambtenaar. Het is de chef van de politiedienst die zal
beslissen wie welke taak zal uitoefenen. Echter zijn er uitzonderingen waar de
gerechtelijke politie wel iemand specifiek kan aanduiden (zoals bij de telefoontap,
dan zal de onderzoeksrechter wel zelf iemand aanduiden).
2) Ze mogen zich niet inlaten met de operationele leiding, deze leiding gebeurt o.l.v. de
chefs van de politiediensten van de officieren van de gerechtelijke politie.
Een belangrijk onderscheid bij de politiediensten is het onderscheid tussen de agenten en de
officieren van de gerechtelijke politie.
Er zijn 2 kaders binnen de politiediensten: een operationeel kader (behandelen we wel in de
les) en een logistiek kader (behandelen we niet in de les).
Het operationeel kader wordt opgevuld door politieambtenaren en agenten van
politie. Politieambtenaren worden dan nog eens onderverdeeld in 3 kaders: het
officierskader, middenkader en het basiskader.
--> De politieambtenaren hebben een algemene bevoegdheid voor de
uitoefening van taken voor de gerechtelijke en bestuurlijke politie. Ze zijn
bevoegd voor het opsporen van allerlei misdrijven (BOEK II Sw. bijz. straffen).
--> Agenten van politie zijn geen ambtenaren en hebben geen algemene
opsporingsbevoegdheid maar hebben een ondersteunende rol bij de
politieambtenaren. Ze mogen wel zelfstandig verkeersongevallen en de
gevolgen daarvan vaststellen.
Politieambtenaren worden onderverdeeld in officiëren en agenten van de gerechtelijke
politie. De officieren worden nog eens onderverdeeld in 3 categorieën: de hogere officieren
(alle parketmagistraten van het OM), hulpofficieren van de procureur des konings
(politieambtenaren uit het officiers- en middenkader), lagere officiëren (boswachters en
veldwachters). Iedereen die geen officier is van de gerechtelijke politie, is agent van de
gerechtelijke politie. Het gaat defacto om politieambtenaren van het basiskader.
Bijzondere wetten of decreten kunnen aan bepaalde ambtenaren die krachtens de globale
politiewetgeving geen agent of officier van de gerechtelijke politie zijn, die hoedanigheid
toekennen.
Art. 41 Sv.: “Misdrijven bij heterdaad zijn misdrijven die gepleegd zijn, terwijl het bestond of
nadat het is gepleegd” (het bloed hangt nog aan je handen). Bij wijze van uitbreiding is er
heterdaad wanneer de dader achtervolgt wordt door het openbaar geroep (“houd de dief”)
of wanneer hij gevonden wordt in het bezit van zaken die erop doen wijzen dat hij net een
misdrijf heeft gepleegd (bijv. een wapen of gestolen voorwerp).
Bij assimilatie of gelijkstelling is er ook heterdaad: d.w.z. dat wanneer er een misdrijf is, dat
gepleegd is in een woning en de procureur wordt bijgevolg door het hoofd van het huis (of
, door een slachtoffer van partnergeweld) gevraagd om het misdrijf vast te stellen, voor gelijk
welk misdrijf.
Als deze situatie van heterdaad er is (assimilatie), dan krijgen de procureur des konings en de
officieren van gerechtelijke politie: extra bevoegdheden.
Bijv. een huiszoeking of een onderzoek aan het lichaam bevelen.
Elke officier van gerechtelijke politie mag bij heterdaad verdachten arresteren.
Buiten heterdaad mag alleen de procureur des konings die beslissing nemen.
Agenten van politie mogen bij heterdaad personen ophouden, voertuigen tegenhouden en
een veiligheidsfouillering uitvoeren.
De bevoegdheden van de gerechtelijke politie buiten heterdaad zijn (hier zegt het wetboek
van strafvordering weinig over, het somt de bevoegdheden niet limitatief op):
1e vorm van bevoegdheden bij buiten heterdaad situaties:
Het HvC zegt dat de politie buiten heterdaad alles mag doen dat nuttig is om de waarheid te
achterhalen, zolang het maar niet in strijd is met de formele wettekst en zolang het maar niet
in strijd is met de essentiële waarborgen van het individu op het vlak van vrijheid en het vlak
van zijn waardigheid.
Dit is vaag en onduidelijk om te bepalen wat de politie mag doen bij buiten
heterdaad situaties.
2e vorm van bevoegdheden bij buiten heterdaad situaties:
Op basis van bijz. strafwetten: binnentredingsregeling (plaatsen die niet publiekelijk
toegankelijk zijn voor de normale burger).
Op basis van delegatie mag een onderzoeksrechter de uitvoering van een huiszoeking
delegeren aan haar officiëren van gerechtelijke politie, dus niet aan agenten van gerechtelijke
politie.
Het O.M. is een spilfiguur in het strafprocesrecht.
In het onderzoek, het opsporingsonderzoek, is er altijd het O.M.
Vervolging is het prerogatief voor het O.M.
-Berechting
-Strafuitvoering
De leden worden benoemd door de Koning (na tussenkomst van de Hoge raad voor de
justitie).
Het HvC heeft gewezen dat het O.M. een partij is, maar geen tegenpartij in het proces is, en
dat zij moet waken over de wet.
In eerste aanleg wordt het O.M. => procureur des konings genoemd.
In hoger beroep wordt het O.M. => procureur-generaal genoemd.
Bij het O.M. heb je parketjuristen (zij zijn geen parketmagistraten), ze oefenen de
strafvordering niet uit maar hebben een voorbereidende taak en staan onder het gezag van
de procureur des konings.