Samenvatting Etnografie 1.4
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 3 – schaap ............................................................................................................................... 2
Hoofdstuk 4 – de kat ............................................................................................................................... 17
Rundvee rassen ..................................................................................................................................... 25
1
,Hoofdstuk 3 – schaap
3.5 inleiding
Populatie/herkomst:
• nogal vroegtijdig gedomesticeerd (7.500 jaar vot) door nomaden in het huidge Irak
• schapen laten zich makkelijk in kudden drijven, snelle uitbreiding west- waarts en naar
Middellandse Zee gebied
• schapen werden maar ingevoerd in Australië en Nieuw-Zeeland in de 19de eeuw
• zeer belangrijke diersoort op wereldschaal: ongeveer 1,2 miljard schapen
• tussen de 800 en 1.000 (lokale) rassen en variëteiten
• in ‘ontwikkelde’ landen is er duidelijk een tendens tot afname; prioriteit gaat naar ‘niet-grond
gebonden’ dierlijke productie (pluimvee, varkens)
• belangrjkste schapenlanden in de EU zijn Groot-Brittanië (42 miljoen), Spanje, Italië, Frankrijk,
Griekenland, Portugal, Ierland, Duitsland, Nederland (ongeveer 1,5 miljoen) en … België
(ongeveer 150.000)
• alle gedomesticeerde schapen (= Ovis aries) stammen af van de
− Moeflon
− Urialschaap: reeds vroeg in Europa ingevoerd en ingekruist met Moeflons = stamvorman
van praktische alle belangrijke rassen van ‘huisschapen’
• gedomesticeerde schapen: meestal een langere staart (zelfs vetstaart of vetstuit) en veelal geen
hoorns in tegenstelling tot wilde schapen
• gedomesticeerde schapen produceren een ‘wolvlies’ (zie verder)
Vergelijkingen tussen het houden van schapen en runderen:
• schapen kunnnen gehouden worden in koudere, gematigde en subtropische streken;
vetstaarten en vetstuiten werken waterbesparend: geschikt voor het houden in
woestijngebieden
• daartegenover, schapen hebben het moeilijk in vochtige tropische gebieden: minder hitte-
bestand en vocht is nefast voor wolkwaliteit
• schapen gedijen op marginale, bergachtige bodemtypes, zonder ‘erosie’ te veroorzaken (itt.
geiten!) ; ook in brakwatergebieden
• schapen hebben in tegenstelling tot runderen een ‘seizoensgebonden’ voortplanting (‘korte dag
kwekers’); sommige subtypes zijn minder vruchtbaar (slechts één lam)
• schapen verspreiden hun uitwerpselen gelijkmatiger dan runderen = voordeliger voor
grondverbetering
• de opbrengstprijzen van schapenproducten (lamsvlees en wol) zijn dikwijls laag en fluctueren
nogal sterk en afhankelijk van economische (geo-politieke factoren), itt. vlees en melkproductie
bij het rund
• schapen grazen de grasmat korter af dan runderen (zie verder): kunnen daardoor na runderen op
de weide grazen: verbetering kwaliteit grasmat
• schapenvleesconsumptie is sterk afhankelijk van lokale eetgewoonten
− Engeland is zeer grote verbruiker
− in Noord-Amerika en West-Europa wordt veel minder schapenvlees geconsumeerd, met
uitzondering van de Mediterrane landen
− Islamitische en Arabische bevolking zijn grootverbruikers van schapenvlees
• schapen noch runderen zijn ‘bladeters’, maar schapen verwerken ruwvoeders efficiënter dan
runderen
• schapen worden gehouden in kuddes; het herders-leven is echter een fenomeen uit het
verleden in geïndustrialiseerde landen; inzetbaarheid is gelinkt aan zeer speficieke situaties
(campus CDE!); weiden vragen speciale afrastering
2
, • schapen produceren uiteenlopende producten: vlees, wol, melk, huiden, die bovendien in
verschillende perioden worden ‘gewonnen’
• het geïnvesteerde kapitaal in de schapenhouderij ‘roteert sneller’ (snellere generatiewissels),
MAAR schapen-uitbating is arbeidsintensief en weinig lucratief
• schapen hebben uitgesproken kudde-instinct, leven bij voorkeur in groep
• schapen zijn zeer gevoelig aan besmettelijke ziekten (parasitaire infecties, uierontsteling,
schurft …) die door hechte kudde-verband dikwijls snel spreiden
Wilde schapen: 2 belangrijke hoofdsoorten:
Moeflon:
• Europese (onder bescherming nog op Sardinië en Corsica) en Aziatische tak (Klein Azië en
Kaukasus)
• hoogbenige schapen met een draadharige buitenvacht en een wolachtige binnenvacht
• grauwbruin tot roodachtig, bleke buik
• sterk naar achter gekrulde hoorns (ook mogelijk bij ooien)
Urialschaap:
• Centraal-Azië (steppenschaap), minstens 13 ondersoorten
• kleiner, maar ook hoogbenig
• slank gebouwd, voorzien van draadhartige ‘halsmanen’
• hoorns in beide geslachten sterk spiraalvormig gewonden
1. productie van schapenmelk
• vooral in Zuid-Europa, Klein-Azië, zuiden van Aziatisch Rusland en Noord- Afrika (=80 miljoen
melkschapen)
• in Azië vooral ‘drinkmelk’
• in Europa vooral melk om kaas te maken (ongeveer 28 kg kaas uit 100 kg melk), vb. de productie
van ‘Roquefort’ kaas in Frankrijk
• lactatieduur ongeveer 5-6 maanden, korter in vergelijking met rund en geit
• melksamenstelling is rijker: 7,5% melkvet en 6% melkeiwit
3
, • sterk doorgeselecteerde melkrassen kunnen 500-800 kg melk per jaar produceren (vb. de
Franse Lacaune)
• machinaal melken met aangepaste melkmachines
• er wordt tevens KI toegepast met sperma van rammen met bewezen melkproductie van de
dochters
2. productie van schapenvlees
• slechts 4% van de wereldvlees-productie
• in West-Europa is lamsvlees erg gegeerd
• binnen de moslimgemeenschap worden ook veel ‘reform’ dieren afgezet (oudere dieren voor
vleesconsumptie)
• zelfvoorzieningsgraad voor lamsvlees in België is slechts 20% = veel import
• de consumptie van schapen- en lamsvlees in België is ongeveer 2 kg per inwoner per jaar
(slechts 2% van de totale vleesconsumptie)
• schapen- en lamsvlees wordt vooral ingevoerd uit Nieuw-Zeeland (75%) en Australië (18%),
Groot-Brittanië en Ierland
• het reproductie-seizoen loopt van juli tot december (ras-afhankelijk), drachtduur 5 maanden
• bij inlands geproduceerde slachtlammeren heeft men:
• ‘vroege of paaslammeren’ van 30-40 kg; wegens de nogal vroege geboorten (half januari – half
februari): vooral Hampshire en Suffolk geschikt als paaslam- producent (na stalvoedering);
groei ongeveer 300 g per dag
• ‘weide-lammeren’ van 45-50 kg: de Texel lammert doorgaans vanaf eind februari en produceert
vooral weide-lammeren
3. productie van schapenwol
• in België is de wolproductie slechts een minimale ‘bijverdienste’
• op wereldschaal echter een zeer belangrijke industrie
• 70% van de wereldwolproductie situeert zich in beperkt aantal landen: Australië, voormalige
Sovjet-Unie, Nieuw-Zeeland, Argentinië en Zuid-Afrika
• wol heeft zich als basisproduct gehandhaafd tegenover de ‘kunstvezels’ omwille van belangrijke
voordelen:
− wol heeft een zeer goed thermisch isolerend vermogen
− wol draagt heel licht als kledingstuk
− eigenschappen van de wolvezel: sterkte, duurzaamheid, spinbaarheid, soepelheid en
mengbaarheid met allerhande (kunst)vezels
− wolvezel is weerstandig tov brand
− de grotere prijsstijging van de op petroleum gebaseerde kunstvezels
− wol kan gestockeerd worden bij ongunstige prijszetting
3.6 beoordeling van het shcaap
1. signalement (GHROKAD)
• meestal beperkt tot het geslacht, ras en leeftijd
• officieel is het Sanitel-systeem in voegen (oormerken)
• verder vooral de leeftijdsbepaling en de kleuren
• geslacht: ram, hamel (gecastreerde ram) en ooi
• rassen: zie verder
Tanden:
• tandformule (kaakhelften boven, respectievelijk onder): zijn idem als deze voor rund en geit (zie
onder)
4
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 3 – schaap ............................................................................................................................... 2
Hoofdstuk 4 – de kat ............................................................................................................................... 17
Rundvee rassen ..................................................................................................................................... 25
1
,Hoofdstuk 3 – schaap
3.5 inleiding
Populatie/herkomst:
• nogal vroegtijdig gedomesticeerd (7.500 jaar vot) door nomaden in het huidge Irak
• schapen laten zich makkelijk in kudden drijven, snelle uitbreiding west- waarts en naar
Middellandse Zee gebied
• schapen werden maar ingevoerd in Australië en Nieuw-Zeeland in de 19de eeuw
• zeer belangrijke diersoort op wereldschaal: ongeveer 1,2 miljard schapen
• tussen de 800 en 1.000 (lokale) rassen en variëteiten
• in ‘ontwikkelde’ landen is er duidelijk een tendens tot afname; prioriteit gaat naar ‘niet-grond
gebonden’ dierlijke productie (pluimvee, varkens)
• belangrjkste schapenlanden in de EU zijn Groot-Brittanië (42 miljoen), Spanje, Italië, Frankrijk,
Griekenland, Portugal, Ierland, Duitsland, Nederland (ongeveer 1,5 miljoen) en … België
(ongeveer 150.000)
• alle gedomesticeerde schapen (= Ovis aries) stammen af van de
− Moeflon
− Urialschaap: reeds vroeg in Europa ingevoerd en ingekruist met Moeflons = stamvorman
van praktische alle belangrijke rassen van ‘huisschapen’
• gedomesticeerde schapen: meestal een langere staart (zelfs vetstaart of vetstuit) en veelal geen
hoorns in tegenstelling tot wilde schapen
• gedomesticeerde schapen produceren een ‘wolvlies’ (zie verder)
Vergelijkingen tussen het houden van schapen en runderen:
• schapen kunnnen gehouden worden in koudere, gematigde en subtropische streken;
vetstaarten en vetstuiten werken waterbesparend: geschikt voor het houden in
woestijngebieden
• daartegenover, schapen hebben het moeilijk in vochtige tropische gebieden: minder hitte-
bestand en vocht is nefast voor wolkwaliteit
• schapen gedijen op marginale, bergachtige bodemtypes, zonder ‘erosie’ te veroorzaken (itt.
geiten!) ; ook in brakwatergebieden
• schapen hebben in tegenstelling tot runderen een ‘seizoensgebonden’ voortplanting (‘korte dag
kwekers’); sommige subtypes zijn minder vruchtbaar (slechts één lam)
• schapen verspreiden hun uitwerpselen gelijkmatiger dan runderen = voordeliger voor
grondverbetering
• de opbrengstprijzen van schapenproducten (lamsvlees en wol) zijn dikwijls laag en fluctueren
nogal sterk en afhankelijk van economische (geo-politieke factoren), itt. vlees en melkproductie
bij het rund
• schapen grazen de grasmat korter af dan runderen (zie verder): kunnen daardoor na runderen op
de weide grazen: verbetering kwaliteit grasmat
• schapenvleesconsumptie is sterk afhankelijk van lokale eetgewoonten
− Engeland is zeer grote verbruiker
− in Noord-Amerika en West-Europa wordt veel minder schapenvlees geconsumeerd, met
uitzondering van de Mediterrane landen
− Islamitische en Arabische bevolking zijn grootverbruikers van schapenvlees
• schapen noch runderen zijn ‘bladeters’, maar schapen verwerken ruwvoeders efficiënter dan
runderen
• schapen worden gehouden in kuddes; het herders-leven is echter een fenomeen uit het
verleden in geïndustrialiseerde landen; inzetbaarheid is gelinkt aan zeer speficieke situaties
(campus CDE!); weiden vragen speciale afrastering
2
, • schapen produceren uiteenlopende producten: vlees, wol, melk, huiden, die bovendien in
verschillende perioden worden ‘gewonnen’
• het geïnvesteerde kapitaal in de schapenhouderij ‘roteert sneller’ (snellere generatiewissels),
MAAR schapen-uitbating is arbeidsintensief en weinig lucratief
• schapen hebben uitgesproken kudde-instinct, leven bij voorkeur in groep
• schapen zijn zeer gevoelig aan besmettelijke ziekten (parasitaire infecties, uierontsteling,
schurft …) die door hechte kudde-verband dikwijls snel spreiden
Wilde schapen: 2 belangrijke hoofdsoorten:
Moeflon:
• Europese (onder bescherming nog op Sardinië en Corsica) en Aziatische tak (Klein Azië en
Kaukasus)
• hoogbenige schapen met een draadharige buitenvacht en een wolachtige binnenvacht
• grauwbruin tot roodachtig, bleke buik
• sterk naar achter gekrulde hoorns (ook mogelijk bij ooien)
Urialschaap:
• Centraal-Azië (steppenschaap), minstens 13 ondersoorten
• kleiner, maar ook hoogbenig
• slank gebouwd, voorzien van draadhartige ‘halsmanen’
• hoorns in beide geslachten sterk spiraalvormig gewonden
1. productie van schapenmelk
• vooral in Zuid-Europa, Klein-Azië, zuiden van Aziatisch Rusland en Noord- Afrika (=80 miljoen
melkschapen)
• in Azië vooral ‘drinkmelk’
• in Europa vooral melk om kaas te maken (ongeveer 28 kg kaas uit 100 kg melk), vb. de productie
van ‘Roquefort’ kaas in Frankrijk
• lactatieduur ongeveer 5-6 maanden, korter in vergelijking met rund en geit
• melksamenstelling is rijker: 7,5% melkvet en 6% melkeiwit
3
, • sterk doorgeselecteerde melkrassen kunnen 500-800 kg melk per jaar produceren (vb. de
Franse Lacaune)
• machinaal melken met aangepaste melkmachines
• er wordt tevens KI toegepast met sperma van rammen met bewezen melkproductie van de
dochters
2. productie van schapenvlees
• slechts 4% van de wereldvlees-productie
• in West-Europa is lamsvlees erg gegeerd
• binnen de moslimgemeenschap worden ook veel ‘reform’ dieren afgezet (oudere dieren voor
vleesconsumptie)
• zelfvoorzieningsgraad voor lamsvlees in België is slechts 20% = veel import
• de consumptie van schapen- en lamsvlees in België is ongeveer 2 kg per inwoner per jaar
(slechts 2% van de totale vleesconsumptie)
• schapen- en lamsvlees wordt vooral ingevoerd uit Nieuw-Zeeland (75%) en Australië (18%),
Groot-Brittanië en Ierland
• het reproductie-seizoen loopt van juli tot december (ras-afhankelijk), drachtduur 5 maanden
• bij inlands geproduceerde slachtlammeren heeft men:
• ‘vroege of paaslammeren’ van 30-40 kg; wegens de nogal vroege geboorten (half januari – half
februari): vooral Hampshire en Suffolk geschikt als paaslam- producent (na stalvoedering);
groei ongeveer 300 g per dag
• ‘weide-lammeren’ van 45-50 kg: de Texel lammert doorgaans vanaf eind februari en produceert
vooral weide-lammeren
3. productie van schapenwol
• in België is de wolproductie slechts een minimale ‘bijverdienste’
• op wereldschaal echter een zeer belangrijke industrie
• 70% van de wereldwolproductie situeert zich in beperkt aantal landen: Australië, voormalige
Sovjet-Unie, Nieuw-Zeeland, Argentinië en Zuid-Afrika
• wol heeft zich als basisproduct gehandhaafd tegenover de ‘kunstvezels’ omwille van belangrijke
voordelen:
− wol heeft een zeer goed thermisch isolerend vermogen
− wol draagt heel licht als kledingstuk
− eigenschappen van de wolvezel: sterkte, duurzaamheid, spinbaarheid, soepelheid en
mengbaarheid met allerhande (kunst)vezels
− wolvezel is weerstandig tov brand
− de grotere prijsstijging van de op petroleum gebaseerde kunstvezels
− wol kan gestockeerd worden bij ongunstige prijszetting
3.6 beoordeling van het shcaap
1. signalement (GHROKAD)
• meestal beperkt tot het geslacht, ras en leeftijd
• officieel is het Sanitel-systeem in voegen (oormerken)
• verder vooral de leeftijdsbepaling en de kleuren
• geslacht: ram, hamel (gecastreerde ram) en ooi
• rassen: zie verder
Tanden:
• tandformule (kaakhelften boven, respectievelijk onder): zijn idem als deze voor rund en geit (zie
onder)
4