Samenvatting Etnografie 1.3
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 3 – geit ..................................................................................................................................... 2
Hoofdstuk 3 – het rund ............................................................................................................................ 15
1
,Hoofdstuk 3 – geit
3.7 inleiding
Populatie/herkomst:
• tamme geit stamt hoofdzakelijk af van de wilde ‘Bezoargeit’
• wilde geiten leven in principe in de zomer boven de ‘boomgrens’ en brengen veelal tweelingen
voort
• gedomesticeerd na de hond en voor het schaap, rond 9.000 vot, in bergachtige West Aziatische
gebieden
• wereldwijd 460 miljoen geiten, waarvan 90% in Azië en Afrika
• wilde geiten kunnnen worden onderverdeeld in 3 groepen (onderling vruchtbaar):
− Bezoargeit
− Alpensteenbok
− Schroefhoorngeit
Populatie/algemene eigenschappen:
• geiten voeden zich met dezelfde plantaardige voedingsbestanddelen als schapen, maar zijn nog
soberder (dan schapen)
• geiten hebben voorliefde voor schors en bladeren van bomen en struiken: eigenschap die werd
benut door geiten in te zetten om ‘kreupelhout te ontsluiten’
• in marginale en dorre gebieden vernietigen geiten echter spaarzaam struikgewas waardoor
erosie van de bodem ontstaat
• geiten kunnen nagenoeg onbeheerd en verwilderd voorkomen
• geiten beschikken over een enorm klimatologisch adaptatievermogen: gedijen in nagenoeg alle
klimatologische omstandigheden
• geiten beschikken ook over een seizoensgebonden voortplanting:
− drachtduur van 5 maanden
− brengen éénlingen of meerlingen voort (gemiddeld 2-2,2 nakomelingen per worp is goed)
− jonge geiten worden gedekt vanaf leeftijd van 7 maanden, met een gewicht van 35-40 kg
(en een groeisnelheid van 175 g/dag)
• geiten zijn veel individueler ingesteld dan schapen, grillig en wispelturig; zijn uitzonderlijk goede
‘klimmers’
• in gemengde kuddes met schapen nemen geiten steeds de bovenhand
• bokken bezitten rond de hoornen en aan de staartbasis typische klieren die de ‘bokkengeur’
verspreiden; daarbij sproeien ze ook urine tijdens het dekseizoen (geur zit niet in de weefsels, itt
met varkensbeer)
• (woestijn)geiten lijken van ver in zekere mate op (woestijn)schapen, toch belangrijke verschillen:
− geitenbokken hebben (zoals veel geiten) een sik of kinbaard
− korte staart van de geiten is steeds naar boven gericht, (woestijn)schapen dragen hun
lange (vet)staart naar beneden
− geiten hebben GEEN pre-orbitale traanklier in de ooghoek en daardoor ook geen diepe
groef in het traanbeen onder de oogkas
2
, • geiten kunnen worden aangehouden voor verschillende doelen: huid, vlees, haarvezels, melk,
gezelschapsdier
• geitenhuid levert een fijne ledersoort op: van handtassen tot … djembe’s!
• geitenvlees van jonge dieren is een lekkernij in Afrika en Azië, uitslachtings% is ongeveer 60%
(10% hoger dan bij het schaap)
• vetgehalte van geitenkarkassen is over het algemeen lager dan bij het schaap en rund
• Angorageiten leveren ‘mohairvezels’, jaarlijks 2-2,5 kg
• huidklieren produceren minder ‘olie’ waardoor en geen ‘wolvlies’ wordt gevormd
• meer en meer dwerggeiten worden gehouden als gezelschapsdier
1. productie van geitenmelk
• in Europa en Noord-Amerika is de geitenhouderij verdrongen door de rundveehouderij
• in sterke economieën is weinig plaats voor geitenproducten op de (wereld)markt
• het aanhouden van een melkschaap is economischer dan het houden van een geit: naast de
melk is er ook nog de wol en de slachtlammeren
• door recente toename van de vraag naar geitenkaas is er echter een (lokale) heropleving
• in Zwitserland is de populatie er sterk op achteruit gegaan, maar heerste vroeger wel een traditie
van melkgeiten-rasveredeling
• geiten zijn in principe wel erg geschikt voor melkproductie
• in sommige landen wordt de selectie ondersteund door melkcontrole- systemen/
melkproductie-registratie
• in Turkije staat de geit in voor 10% van de melkproductie, in Griekenland 25%, in Frankrijk 1,5%
• in Frankrijk:
− 1 miljoen melkgeiten
− op gespecialiseerde bedrijven: van 100 tot 500 melkgeiten
− productie van ‘beschermde’ geitenkaassoorten: ‘Chabichou de Poitou’ en ‘Pouligny’
− veredeling van de melkrassen met behulp van KI (ook NL, D en B)
Algemene kenwerken van melkgeiten:
• drachtduur 5 maanden (zoals bij schaap)
• op 7 maanden bevrucht kunnen eerstelingsgeiten op 12 maanden hun eerste lactatie
aanvangen
• lactatieduur is 9-10 maanden (cfr. Rund en veel langer dan bij het schaap)
• melksamenstelling is minder rijk dan bij het schaap: 4% melkvet en 3% melkeiwit)
• 1.000-2.500 kg melk per lactatie (afhankelijk van het ras), topproducties tot boven de 3.500 kg
3
, • goede melkgeiten kunnen 25x hun levend gewicht aan melk produceren
• 3de lactatie is meestal de meest productieve
• melkgeiten worden in principe 2x daags gemolken
• in minder ontwikkelde landen baat men ook dubbeldoelrassen uit melk/vlees met
melkproduktie van 400-500 kg
• veel aandacht aan goede uierophanging en correcte tepelinplanting = waarborgt goede
melkbaarheid met de machine
• in Frankrijk worden ook ‘bokkenmoederprogramma’s’ uitgewerkt voor de productie van KI-
bokken: enkel geiten met jaarlijkse producties van meer dan 2.000 liter worden toegelaten
(minimaal 3,8% vet en 2,5% eiwit)
3.8 beoordeling van de geit
1. signalement (GHROKAD)
• meestal beperkt tot het vermelden van het geslacht, ras (dwerggeiten zijn aparte categorie) en
de leeftijd
• officieel is het SANITEL systeem in voege
• we gaan verder in op de leeftijdsbepaling en de kleuren
Leeftijd:
• tandformules zijn dezelfde als deze van rund en schaap (kaakhelften boven resp. onder):
• melksnijtanden zijn langwerpig zonder een duidelijke hals, worden kleiner en korter naar de
hoeken toe (alle 8 aanwezig op 3 weken ouderdom)
• wisselen van de tanden (oriënterend): I1 op 14-16 mnd, I2 op 19-23 mnd, I3 op 22-26 mnd en I4
op 30 -36 mnd
• blijvende snijtanden vertonen een duidelijke kroon en een hals
• de kiezen kunnen eventueel gebruikt worden voor de leeftijdsbepaling
Kleur van het haarkleed:
• haarkleur is zoals bij rund en schaap veelal een raskenmerk
• beharing kan lang, middellang of kort zijn
• men onderscheidt:
− éénvormige kleuren:
o wit (bijv. Saanen, Angora)
o bruin-rood, al of niet met ‘tan-aftekening’ (bijv. Alpengeit)
o vaalbruin met kop-aftekeningen (bijv. Toggenburger)
o zwart (bijv. Verzasca Nera)
− tweekleurige dieren: meestal zijn de kop en de hals zwart of brui gepigmenteerd (bijv.
Walliser Zwarthals, Boerebok)
− bonte kleurpatronen en roeaankleuren: veel bij rustieke populaties in Azië en Afrika
4
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 3 – geit ..................................................................................................................................... 2
Hoofdstuk 3 – het rund ............................................................................................................................ 15
1
,Hoofdstuk 3 – geit
3.7 inleiding
Populatie/herkomst:
• tamme geit stamt hoofdzakelijk af van de wilde ‘Bezoargeit’
• wilde geiten leven in principe in de zomer boven de ‘boomgrens’ en brengen veelal tweelingen
voort
• gedomesticeerd na de hond en voor het schaap, rond 9.000 vot, in bergachtige West Aziatische
gebieden
• wereldwijd 460 miljoen geiten, waarvan 90% in Azië en Afrika
• wilde geiten kunnnen worden onderverdeeld in 3 groepen (onderling vruchtbaar):
− Bezoargeit
− Alpensteenbok
− Schroefhoorngeit
Populatie/algemene eigenschappen:
• geiten voeden zich met dezelfde plantaardige voedingsbestanddelen als schapen, maar zijn nog
soberder (dan schapen)
• geiten hebben voorliefde voor schors en bladeren van bomen en struiken: eigenschap die werd
benut door geiten in te zetten om ‘kreupelhout te ontsluiten’
• in marginale en dorre gebieden vernietigen geiten echter spaarzaam struikgewas waardoor
erosie van de bodem ontstaat
• geiten kunnen nagenoeg onbeheerd en verwilderd voorkomen
• geiten beschikken over een enorm klimatologisch adaptatievermogen: gedijen in nagenoeg alle
klimatologische omstandigheden
• geiten beschikken ook over een seizoensgebonden voortplanting:
− drachtduur van 5 maanden
− brengen éénlingen of meerlingen voort (gemiddeld 2-2,2 nakomelingen per worp is goed)
− jonge geiten worden gedekt vanaf leeftijd van 7 maanden, met een gewicht van 35-40 kg
(en een groeisnelheid van 175 g/dag)
• geiten zijn veel individueler ingesteld dan schapen, grillig en wispelturig; zijn uitzonderlijk goede
‘klimmers’
• in gemengde kuddes met schapen nemen geiten steeds de bovenhand
• bokken bezitten rond de hoornen en aan de staartbasis typische klieren die de ‘bokkengeur’
verspreiden; daarbij sproeien ze ook urine tijdens het dekseizoen (geur zit niet in de weefsels, itt
met varkensbeer)
• (woestijn)geiten lijken van ver in zekere mate op (woestijn)schapen, toch belangrijke verschillen:
− geitenbokken hebben (zoals veel geiten) een sik of kinbaard
− korte staart van de geiten is steeds naar boven gericht, (woestijn)schapen dragen hun
lange (vet)staart naar beneden
− geiten hebben GEEN pre-orbitale traanklier in de ooghoek en daardoor ook geen diepe
groef in het traanbeen onder de oogkas
2
, • geiten kunnen worden aangehouden voor verschillende doelen: huid, vlees, haarvezels, melk,
gezelschapsdier
• geitenhuid levert een fijne ledersoort op: van handtassen tot … djembe’s!
• geitenvlees van jonge dieren is een lekkernij in Afrika en Azië, uitslachtings% is ongeveer 60%
(10% hoger dan bij het schaap)
• vetgehalte van geitenkarkassen is over het algemeen lager dan bij het schaap en rund
• Angorageiten leveren ‘mohairvezels’, jaarlijks 2-2,5 kg
• huidklieren produceren minder ‘olie’ waardoor en geen ‘wolvlies’ wordt gevormd
• meer en meer dwerggeiten worden gehouden als gezelschapsdier
1. productie van geitenmelk
• in Europa en Noord-Amerika is de geitenhouderij verdrongen door de rundveehouderij
• in sterke economieën is weinig plaats voor geitenproducten op de (wereld)markt
• het aanhouden van een melkschaap is economischer dan het houden van een geit: naast de
melk is er ook nog de wol en de slachtlammeren
• door recente toename van de vraag naar geitenkaas is er echter een (lokale) heropleving
• in Zwitserland is de populatie er sterk op achteruit gegaan, maar heerste vroeger wel een traditie
van melkgeiten-rasveredeling
• geiten zijn in principe wel erg geschikt voor melkproductie
• in sommige landen wordt de selectie ondersteund door melkcontrole- systemen/
melkproductie-registratie
• in Turkije staat de geit in voor 10% van de melkproductie, in Griekenland 25%, in Frankrijk 1,5%
• in Frankrijk:
− 1 miljoen melkgeiten
− op gespecialiseerde bedrijven: van 100 tot 500 melkgeiten
− productie van ‘beschermde’ geitenkaassoorten: ‘Chabichou de Poitou’ en ‘Pouligny’
− veredeling van de melkrassen met behulp van KI (ook NL, D en B)
Algemene kenwerken van melkgeiten:
• drachtduur 5 maanden (zoals bij schaap)
• op 7 maanden bevrucht kunnen eerstelingsgeiten op 12 maanden hun eerste lactatie
aanvangen
• lactatieduur is 9-10 maanden (cfr. Rund en veel langer dan bij het schaap)
• melksamenstelling is minder rijk dan bij het schaap: 4% melkvet en 3% melkeiwit)
• 1.000-2.500 kg melk per lactatie (afhankelijk van het ras), topproducties tot boven de 3.500 kg
3
, • goede melkgeiten kunnen 25x hun levend gewicht aan melk produceren
• 3de lactatie is meestal de meest productieve
• melkgeiten worden in principe 2x daags gemolken
• in minder ontwikkelde landen baat men ook dubbeldoelrassen uit melk/vlees met
melkproduktie van 400-500 kg
• veel aandacht aan goede uierophanging en correcte tepelinplanting = waarborgt goede
melkbaarheid met de machine
• in Frankrijk worden ook ‘bokkenmoederprogramma’s’ uitgewerkt voor de productie van KI-
bokken: enkel geiten met jaarlijkse producties van meer dan 2.000 liter worden toegelaten
(minimaal 3,8% vet en 2,5% eiwit)
3.8 beoordeling van de geit
1. signalement (GHROKAD)
• meestal beperkt tot het vermelden van het geslacht, ras (dwerggeiten zijn aparte categorie) en
de leeftijd
• officieel is het SANITEL systeem in voege
• we gaan verder in op de leeftijdsbepaling en de kleuren
Leeftijd:
• tandformules zijn dezelfde als deze van rund en schaap (kaakhelften boven resp. onder):
• melksnijtanden zijn langwerpig zonder een duidelijke hals, worden kleiner en korter naar de
hoeken toe (alle 8 aanwezig op 3 weken ouderdom)
• wisselen van de tanden (oriënterend): I1 op 14-16 mnd, I2 op 19-23 mnd, I3 op 22-26 mnd en I4
op 30 -36 mnd
• blijvende snijtanden vertonen een duidelijke kroon en een hals
• de kiezen kunnen eventueel gebruikt worden voor de leeftijdsbepaling
Kleur van het haarkleed:
• haarkleur is zoals bij rund en schaap veelal een raskenmerk
• beharing kan lang, middellang of kort zijn
• men onderscheidt:
− éénvormige kleuren:
o wit (bijv. Saanen, Angora)
o bruin-rood, al of niet met ‘tan-aftekening’ (bijv. Alpengeit)
o vaalbruin met kop-aftekeningen (bijv. Toggenburger)
o zwart (bijv. Verzasca Nera)
− tweekleurige dieren: meestal zijn de kop en de hals zwart of brui gepigmenteerd (bijv.
Walliser Zwarthals, Boerebok)
− bonte kleurpatronen en roeaankleuren: veel bij rustieke populaties in Azië en Afrika
4