CELBIOLOGIE 2025
HOOFDSTUK 1: INLEIDING TOT DE BIOLOGIE
WAT IS LEVEN?
- Biologie = de studie van leven in al zijn facetten
o Biotische factoren = relaties organisme onderling
o Abiotische factoren = afhankelijk van niet-levende organisme
- Leven is gekenmerkt door:
1) Stofwisseling of metabolisme = voedingsstoffen opnemen en afbreken, energie vrijstellen
2) Reproductie of voortplanting = planten voort om soort in stand te houden
3) Erfelijkheid = erfelijke eigenschappen doorgeven van ene generatie op de andere
4) Reactievermogen en perceptieprocessen = reageren op verandering in milieu
5) Beweging = in staat om te bewegen. Beweging kan inwendig of uitwendig zijn
- Homeostase = regelsysteem dat min of meer het inwendige milieu constant houd
ORGANISATIENIVEAU VAN MULTICELLULAIRE ORGANISMEN
- Prokaryoten = bacteriën
- Eukaryoten = alle meercellige of eencellige
- Complexere organismen worden gevormd door weefsel (vb spierweefsel, bindweefsel,…)
- Volgende niveau zijn organen, specifieke functie vervult
- Orgaanstelsel = alle organen die samenwerken
- Organisme = alle orgaanstelsels samen 1 geheel
➔ Organismen gaan deel uit maken van een populatie -> vormen samen levensgemeenschap,
die dan deel uit maken van de biosfeer.
DISCIPLINES IN DE BIOLOGIE
- Biochemie = moleculen
- Celbiologie = cel
- Histologie = weefsel
- Anatomie & fysiologie = orgaan- en orgaanstelsel
- Systematiek en taxonomie = soortniveau
ONTSTAAN VAN AARDE EN LEVEN
,HOOFDSTUK 2: INDELING VAN ORGANISMEN
TAXONOMIE EN SYSTEMATIEK
- Taxonomie = tak van de biologie die zich bezighoudt met de classificatie, nomeclatuur en
identificatie van levende organismen
1) Homologe structuur = organen of lichaamsdelen die eenzelfde bouwplan, maar
verschillende functie
2) Primitieve kenmerken = kenmerken die lang geleden ontstonden en bij verschillende groepen
voorkomen
3) Afgeleide kenmerken = recenter geëvolueerd en wijzen op nauwere verwantschappen
4) Anatomische en fysiologische kenmerken = eruit zien en daar overeenkomsten in vinden
5) Aminozuursequenties in eiwitten = overeenkomst hierin
6) Nucleotidesequenties in DNA en RNA = erfelijk materiaal dat overeen komt
CLASSIFICATIE IN RIJKEN
TAXA
➔ soort is belangrijk
➔ Binominale naamgeving = elk organisme heeft een naam
➔ Schuingedrukt of onderlijnd
➔ Eerste woord met hoofdletter, tweede zonder
➔ Sp staat voor species -> niet onderlijnd of cursief
,MODELORGANISMEN
➔ Populair voor onderzoek
1) Bacteriën = Escherichia coli
2) Fungi = Saccharomyces cerevisiae (bakkersgist)
3) Animalia
3.1. Nematoda (rondwormen) = Caenorhabditis elegans
3.2. Arthropoda = Drosophila melanogaster (fruitvlieg)
4) Echinodermata = Paracentrotus lividus (zee-egel)
5) Chordata =
5.1. Amphioxus sp (lancetvisje)
5.2. Danio rerio (zebravis)
, 6) Amfibien
6.1. Xenopus laevis = klauwkikker
7) Mammalia
7.1. Mus musculus = huismuis
7.2. Rattus norvegicus = ratten
7.3. Pan sp = chimpansees
8) Planten
8.1. Nicotinia sp = tabaksplant
8.2. Arabidopsis thaliana = zandraket
HOOFDSTUK 1: INLEIDING TOT DE BIOLOGIE
WAT IS LEVEN?
- Biologie = de studie van leven in al zijn facetten
o Biotische factoren = relaties organisme onderling
o Abiotische factoren = afhankelijk van niet-levende organisme
- Leven is gekenmerkt door:
1) Stofwisseling of metabolisme = voedingsstoffen opnemen en afbreken, energie vrijstellen
2) Reproductie of voortplanting = planten voort om soort in stand te houden
3) Erfelijkheid = erfelijke eigenschappen doorgeven van ene generatie op de andere
4) Reactievermogen en perceptieprocessen = reageren op verandering in milieu
5) Beweging = in staat om te bewegen. Beweging kan inwendig of uitwendig zijn
- Homeostase = regelsysteem dat min of meer het inwendige milieu constant houd
ORGANISATIENIVEAU VAN MULTICELLULAIRE ORGANISMEN
- Prokaryoten = bacteriën
- Eukaryoten = alle meercellige of eencellige
- Complexere organismen worden gevormd door weefsel (vb spierweefsel, bindweefsel,…)
- Volgende niveau zijn organen, specifieke functie vervult
- Orgaanstelsel = alle organen die samenwerken
- Organisme = alle orgaanstelsels samen 1 geheel
➔ Organismen gaan deel uit maken van een populatie -> vormen samen levensgemeenschap,
die dan deel uit maken van de biosfeer.
DISCIPLINES IN DE BIOLOGIE
- Biochemie = moleculen
- Celbiologie = cel
- Histologie = weefsel
- Anatomie & fysiologie = orgaan- en orgaanstelsel
- Systematiek en taxonomie = soortniveau
ONTSTAAN VAN AARDE EN LEVEN
,HOOFDSTUK 2: INDELING VAN ORGANISMEN
TAXONOMIE EN SYSTEMATIEK
- Taxonomie = tak van de biologie die zich bezighoudt met de classificatie, nomeclatuur en
identificatie van levende organismen
1) Homologe structuur = organen of lichaamsdelen die eenzelfde bouwplan, maar
verschillende functie
2) Primitieve kenmerken = kenmerken die lang geleden ontstonden en bij verschillende groepen
voorkomen
3) Afgeleide kenmerken = recenter geëvolueerd en wijzen op nauwere verwantschappen
4) Anatomische en fysiologische kenmerken = eruit zien en daar overeenkomsten in vinden
5) Aminozuursequenties in eiwitten = overeenkomst hierin
6) Nucleotidesequenties in DNA en RNA = erfelijk materiaal dat overeen komt
CLASSIFICATIE IN RIJKEN
TAXA
➔ soort is belangrijk
➔ Binominale naamgeving = elk organisme heeft een naam
➔ Schuingedrukt of onderlijnd
➔ Eerste woord met hoofdletter, tweede zonder
➔ Sp staat voor species -> niet onderlijnd of cursief
,MODELORGANISMEN
➔ Populair voor onderzoek
1) Bacteriën = Escherichia coli
2) Fungi = Saccharomyces cerevisiae (bakkersgist)
3) Animalia
3.1. Nematoda (rondwormen) = Caenorhabditis elegans
3.2. Arthropoda = Drosophila melanogaster (fruitvlieg)
4) Echinodermata = Paracentrotus lividus (zee-egel)
5) Chordata =
5.1. Amphioxus sp (lancetvisje)
5.2. Danio rerio (zebravis)
, 6) Amfibien
6.1. Xenopus laevis = klauwkikker
7) Mammalia
7.1. Mus musculus = huismuis
7.2. Rattus norvegicus = ratten
7.3. Pan sp = chimpansees
8) Planten
8.1. Nicotinia sp = tabaksplant
8.2. Arabidopsis thaliana = zandraket