Introductie:
Wat is biologische psychologie?
Eigenlijk is alle psychologie ook biologie. Je bent een biologisch organisme, en alles wat je doet
of denkt is een deel van jouw biologie. Maar het is wel nuttig om onderscheidt te maken tussen
verschillende verklaringniveau's:
• Verklaren aan de hand van: culturele, sociale en cognitieve invloeden.
• Verklaren aan de hand van: genetisch, evolutie, hormonen, en hersen mechanisme.
The Biological Approach to Behavior
Of all the questions that people ask, two stand out as the most profound and the most difficult.
1. “Why is there something rather than nothing?” Gottfried Leibniz (1714/1989) posed
the first of these questions.
2. WHY IS THERE / WHAT IS CONSCIOUSNESS? René Descartes (filosoof, wiskundig The mind–
brain problem or the mind–body problem, the question of how mind relates to brain
activity.
String theory
In het begin van het jaar 1980 probeerden specialisten in een tak van de natuurkunde (bekend
als string theory) wiskundig te bewijzen dat dit de enige manier is hoe het universum kan zijn.
• Terwijl deze string specialisten door hun vergelijkingen werkten, kwamen ze erachter
dat dit niet de enige manier is hoe het universum kon zijn. > manieren aangegeven hoe
het universum anders kon zijn.
The Field of Biological Psychology
Biologische psychologie is de studie van de biologische basis van psyche en gedrag.
Verwante termen:
• Psychobiologie
• Psychofysiologie
• Neuropsychologie: omvat veel wat relevant is voor gedrag maar omvat ook meer details
over anatomie en chemie.
Biologische psychologie heeft het meeste te maken met activiteiten van het brein.
Three Main Points to Remember from This Book
,Regardless of how many details you remember, at least three general points should stick with
you forever.
1. Perceptie vindt plaats in je hersenen: Wanneer je iets met je hand aanraakt, stuurt je hand
een bericht naar je hersenen. Je voelt het dan in je hersenen en niet in je hand. (Electrical
stimulation of your brain could produce a hand experience even if you had no hand.
2.Mentale activiteit en bepaalde soorten hersenactiviteit zijn, zovoor zover we kunnen zien,
onafscheidelijk. Deze positie staat bekend alsmonisme, het idee dat het universum uit slechts
één bestaatsoort wezen.
3.We moeten voorzichtig zijn met wat een verklaring is en wat niet.
4 biologische verklaringsmodellen:
1. Fysiologische verklaring: Focus op gedrag gerelateerd aan lichamelijke processen
2. Ontogenetische verklaring: Focus op beschrijving hoe het gedrag zich kon ontwikkelen
3. Evolutionaire verklaring: Focus op gedrag als gevolg van de evolutie van een soort
4. Functionele verklaring: Focus op doel van het gedrag, waarom is het zo ontwikkeld?
Enkele feiten over evolutie:
• Genen muteren random
• Fittest: de organismen die het beste zijn aangepast aan de omgeving.
• Reproductie van genen is van belang.
• Er is geen doelgerichte selectie.
Waarom doen we aan dieronderzoek?
1. De onderliggende redenen voor bepaald gedrag zijn soms makkelijker te bestuderen in
dieren. Deze redenen bij dieren zijn vaak gelijk aan de redenen bij mensen voor bepaald
gedrag.
2. We zijn geïnterreseerd in dieren.
3. Wat we leren over dieren geeft licht aan de evolutie van de mens.
4. Sommige onderzoeken mogen niet op mensen worden gedaan. Vaak wordt hierbij de
vraag gesteld: Als het onderzoek onacceptabel is bij mensen, waarom doen we het dan
wel bij dieren?
Minimalisten: minimalisten toleren sommige typen onderzoek op dieren.
Abolitionisten: abolitionisten vinden dat alle dieren dezelfde rechten hebben als mensen. In
hun optiek is het houden van een dier in een kooi, slavernij.
Week 1, Hoofdstuk 1: Neuronen
Centraal zenuwstelsel: bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg.
, 1. Het ontvangt informatie van de zintuigen over onze omgeving en over ons eigen
lichaam. Deze informatie wordt ook wel sensorische informatie genoemd.
2. Het verwerkt deze informatie en verbindt dit met andere informatie, bijvoorbeeld
dingen die in het geheugen zijn opgeslagen
3. De verwerkte informatie wordt gebruikt om
Het centraal zenuwstelsel bestaat uit verschillende cellen:
• Neuron: (bouwsteen van het zenuwstelsel) Een neuron is een cel die gespecialiseerd is
om informatie te ontvangen, te verwerken en aan andere cellen door te geven.
(bundeling van neuronen wordt een zenuw genoemd)
• Gliacellen: voeren diverse ondersteunende functies uit voor de neuronen. Denk aan:
verstevigen van de hersenen, aanmaken van myeline, opruimen van kapotte of dode
cellen.
Santiago Ramón y Cajal: tekende als eerste neuronen.
Structuur van een neuron:
• Dendrieten: Vertakte uitlopers van het cellichaam van een neuron die de informatie
binnenhalen. Dendrieten geven hun berichten door aan de soma.
• Soma: (cellichaam) gedeelte van de cel waar de kern zich bevindt. De soma evalueeert
de impulsen die het ontvangt.
• Axon: geeft informatie door aan andere neuronen. Vervoert informatie vanuit het
cellichaam naar de eindknopjes. De informatie vervoert zich in de vorm van een
elektrische lading.
Soorten neuronen:
, • Motorische neuronen (efferent= weg van CZS): Neuronen die signalen van het centrale
zenuwstelsel naar de spieren en klieren geleidt. Voorbeeld: neuronen geleiden de
signalen die je hand sturen om de kraan open te draaien.
• Sensorische neuronen (afferent= naar het CZS): Neuronen die signalen van de zintuigen
naar de hersenen leiden. Voorbeeld: je voelt met je hand hoe warm het water is, de
neuronen geleiden dit signaal naar de hersenen en daar interpreteer je het als koud of
warm.
• Interneuronen (schakelcellen): Neuronen die boodschappen van het ene type zenuwcel
doorgeeft aan en ander type. Komt vooral voor in de hersenen en het ruggenmerg.
Vorm van de neuron door de functie
• Neuronen in de kleine hersenen integreren informatie uit andere neuronen: veel
dendrieten
• Neuronen in de retina ( netvlies van het oog) krijgen input van weinig zintuigcellen:
weinig dendrieten
• Neuronen veranderen de dendrieten voortdurend door te leren en zich aan te passen.
Meer info over gliacellen: zijn dus ter ondersteuning van de neuronen.
Verschillende soorten gliacellen:
• Astrocyten: neurotransmitters opnemen en afgeven, en verteren afvalproducten.
• Microglia: verteren afvalproducten en virussen
• Oligo dendro cytes & cellen van Schwann: voeden en isoleren axonen en dendrieten
• Rediale glia & cellen van Schwann: ontwikkeling en herstel van axonen en dendrieten
Bloed-brein-barriére:
Kan worden gezien als een poortwachter, die selectief de noodzakelijke stoffen
doorlaat en schadelijke stoffen niet.