Samenvatting urologie
1. Anatomie en fysiologie van de urinewegen
Urinewegen:
We onderscheiden de hogere en de lagere urinewegen:
- hogere urinewegen
- nier
- pyelum/nierbekken
- ureter: vormt verbinding tussen nier en blaas
- lagere urinewegen
- blaas
- urethra: vormt verbinding tussen blaas en buitenwereld
- prostaat
- scrotum en liesregio
functie nieren: uitscheiding van afvalstoffen, circulerend volume op peil houden
(vochthuishouding en elektrolyten) = nefrologie → geen vragen van krijgen, behalve waar de
nieren gelegen zijn en wat de belangrijke bloedvaten zijn. De nieren liggen
retroperitoneaal. Dit is belangrijk om te weten, omdat pathologieën van de nieren niet
meteen problemen gaan geven in de buikholte.
De blaas ligt retroperitoneaal, ook de ureter. Als we bijvoorbeeld een blaaslokkage of een
blaaszwelling hebben, dan kunnen we hier niet veel aan doen, omdat ze retroperitoneaal
ligt. Er is een uitzondering. Het blaasdak wordt begrensd door het peritoneum, dus als je
daar lekkage hebt, dan kan de urine in de buikholte lopen en dan heb je wel een probleem.
De nieren liggen voor een deel voor de ribben en voor een deel erachter. Dit is belangrijk
want op een RX kun je dan kunnen identificeren waar de nieren liggen. Ook voor het klinisch
onderzoek en echografie is dit belangrijk.
Nieren:
→ medulla vs cortex: de cortex is het buitenste stuk waar de filtratie van het bloed
plaatsvindt (functioneel deel van de nier). Bij chronische pathologie gaat de cortex dunner
worden (hoeveelheid glomeruli vermindert). De medulla is waar de rest van het nefron zit,
maar is minder belangrijk.
→ 1/5 van je circulerend volume gaat door je nieren. Bij een nefrectomie en je klemt de
bloedvaten niet af, dan gaat de patiënt binnen een paar minuten doodbloeden.
→ vena testicularis: Aan de rechterkant mondt ze uit in de vena cava. In de linkerkant mondt
ze uit in de vena renalis. Aan de linkerkant vinden we meer spataders van de v testicularis.
Histologie van de urinewegen:
1
,→ overgangsepitheel tot de laatste paar cm plasbuis (kanker: transitioneel celcarcinoom)
→ zo weinig mogelijk absorptie want afvalstoffen moeten juist weggevoerd worden
→ ureter heeft 2 spierlagen:
- binnenste longitudinale spierlaag: zorgt voor uitrekking en inkrimping van boven nr
onder
- buitenste circulaire spierlaag: peristaltiek
Urine:
→ steriel, geel, helder en normaal gezien geurloos. Bij bepaalde voeding gaat de urine wel
een geur krijgen. Urine kan ook een geur krijgen bij stase of infectie.
→ Normale urineproductie: 1,5-2,5 l per dag → dit wil niet zeggen dat de patiënt 2,5 l water
per dag moet drinken. Er zit ook vocht in fruit, groenten, soep…
Lengte ureter: 25-30 cm
Breedte ureter: 1-3 mm
Ureterovesicale overgang: de ureter komt schuin in de blaas en gaat dus een lang verloop
hebben door de blaaswand. Je hebt een passief mechanisme om reflux van urine te
voorkomen.
Dit passief mechanisme komt tot stand door de intramurale ligging van de ureter (in de
blaas). Wanneer de blaas zich vult, dan zal de blaaswand uitrekken en dunner worden.
Hierdoor wordt de ureter afgeplat. We spreken van ‘passief’ omdat er geen actieve kracht
aan de pas komt, enkel mechanische druk.
drukopbouw hoge urinewegen:
De urinewegen is een lagedruksysteem. De blaas heeft normaal gezien altijd een druk van
5-10ml/min max. Dit is heel laag. Een van de afwijkingen die kan voorkomen, is als men het
lagedruksysteem niet meer heeft, De nieren kunnen hoge druk niet aan. Bij lange
aanhouding krijg je nierschade. Gedurende het plassen ga je een hogere druk krijgen. Maar
gedurende deze tijdspannes ga je geen schade hebben.
→ grote diurese (veel water drinken):
- aantal samentrekkingen stijgt
- kracht van contracties stijgt
- volume bolus stijgt
trigonum= structuur tussen 2 uitmondingen ureters
→ bevat grootste hoeveelheid afferente zenuwen
(gevoeligste deel vd blaas).
De uitmonding van de zaadblaasjes is in het
midden van de prostaat via de ductus ejaculatoris.
→ 2 sfincters:
● externe sfincter: dwarse spier, controle
● interne sfincter: sympatisch, adrenerg
2
,Histologie van de blaas:
→ De blaas heeft een bepaalde rekbaarheid
en het epitheel moet hier aangepast voor
zijn. Cellen versmelten met elkaar bij een
gevulde blaas en gaan terug uit elkaar
wanneer de blaas leeg is.
Blaas:
De blaas heeft een volume van ongeveer 500 ml en een dunne wand van 1-2 mm dik.
Een blaas is normaal gezien altijd in rust. Maar eigenlijk is ze van nature altijd actief. We
hebben een rem op de blaas vanuit het ruggenmerg. De blaas moet voor meer dan 99,9%
geremd worden, omdat we maar 2 min van onze dag een plasfase hebben. Heel veel
pathologieën waarvan de remming wegvalt, verhoogt de druk verhoogt, wat heel slecht is
voor je nieren.
perifere zenuwbanen:
Dit is een SUPER BELANGRIJK deel!!
Er zijn 3 belangrijke zenuwen van het urinair stelsel:
● nervus hypogastricus (D11-L2): orthosympathisch systeem → geeft blaascontractie
● nervus pelvinus (S2-S4): parasympatisch systeem → wordt actief als we willen
plassen
● nervus pudendus (S2-S4): somatische bezenuwing van de sluitspier: we kunnen
deze aanspannen of ontspannen
→ wij beslissen niet wanneer onze blaas samentrekt, maar wel wanneer de sluitspier
ontspant: als we de sluitspier ontspannen, dan gaat er een signaal doorgegeven
worden waardoor de blaas samentrekt
Conus medullaris:
= einde van het ruggenmerg op niveau van L1
→ blaaskernen: niveau T11-L1
→ sacrale zenuwen worden gevormd uit de conus medullaris:
bij schade aan de conus medullaris zal er dus schade zijn aan
S2-S4
→ mensen met discus hernia (thv L4-L5) hebben vaak
blaasproblemen, omdat de cauda equina geraakt kan zijn
→ T5: tepellijn
→ T10: navellijn
3
, Perifere innervatie-neurotransmissie:
→ belangrijke dia waar zeker een examenvraag van komt
● nervus pelvinus: parasympathische bezenuwing via acetylcholine als
neurotransmitter
→ acetylcholine kan binden aan M3 receptor: contractie gladde spieren van de blaas
voor blaaslediging
● nervus hypogastricus: sympathische bezenuwing via noradrenaline als
neurotransmitter
→ noradrenaline kan binden aan:
- beta-3 receptor: ontspanning van detrusor (spierwand van blaas)
- alfa-1 receptor: contractie inwendige urethrale sfincter
● nervus pudendus: somatische bezenuwing via acetylcholine als neurotransmitter
→ acetylcholine kan binden aan nicotinereceptor: contractie externe urethrale
sfincter (willekeurige controle)
Normale blaasvulling en lediging:
Vulling Mictie
4
1. Anatomie en fysiologie van de urinewegen
Urinewegen:
We onderscheiden de hogere en de lagere urinewegen:
- hogere urinewegen
- nier
- pyelum/nierbekken
- ureter: vormt verbinding tussen nier en blaas
- lagere urinewegen
- blaas
- urethra: vormt verbinding tussen blaas en buitenwereld
- prostaat
- scrotum en liesregio
functie nieren: uitscheiding van afvalstoffen, circulerend volume op peil houden
(vochthuishouding en elektrolyten) = nefrologie → geen vragen van krijgen, behalve waar de
nieren gelegen zijn en wat de belangrijke bloedvaten zijn. De nieren liggen
retroperitoneaal. Dit is belangrijk om te weten, omdat pathologieën van de nieren niet
meteen problemen gaan geven in de buikholte.
De blaas ligt retroperitoneaal, ook de ureter. Als we bijvoorbeeld een blaaslokkage of een
blaaszwelling hebben, dan kunnen we hier niet veel aan doen, omdat ze retroperitoneaal
ligt. Er is een uitzondering. Het blaasdak wordt begrensd door het peritoneum, dus als je
daar lekkage hebt, dan kan de urine in de buikholte lopen en dan heb je wel een probleem.
De nieren liggen voor een deel voor de ribben en voor een deel erachter. Dit is belangrijk
want op een RX kun je dan kunnen identificeren waar de nieren liggen. Ook voor het klinisch
onderzoek en echografie is dit belangrijk.
Nieren:
→ medulla vs cortex: de cortex is het buitenste stuk waar de filtratie van het bloed
plaatsvindt (functioneel deel van de nier). Bij chronische pathologie gaat de cortex dunner
worden (hoeveelheid glomeruli vermindert). De medulla is waar de rest van het nefron zit,
maar is minder belangrijk.
→ 1/5 van je circulerend volume gaat door je nieren. Bij een nefrectomie en je klemt de
bloedvaten niet af, dan gaat de patiënt binnen een paar minuten doodbloeden.
→ vena testicularis: Aan de rechterkant mondt ze uit in de vena cava. In de linkerkant mondt
ze uit in de vena renalis. Aan de linkerkant vinden we meer spataders van de v testicularis.
Histologie van de urinewegen:
1
,→ overgangsepitheel tot de laatste paar cm plasbuis (kanker: transitioneel celcarcinoom)
→ zo weinig mogelijk absorptie want afvalstoffen moeten juist weggevoerd worden
→ ureter heeft 2 spierlagen:
- binnenste longitudinale spierlaag: zorgt voor uitrekking en inkrimping van boven nr
onder
- buitenste circulaire spierlaag: peristaltiek
Urine:
→ steriel, geel, helder en normaal gezien geurloos. Bij bepaalde voeding gaat de urine wel
een geur krijgen. Urine kan ook een geur krijgen bij stase of infectie.
→ Normale urineproductie: 1,5-2,5 l per dag → dit wil niet zeggen dat de patiënt 2,5 l water
per dag moet drinken. Er zit ook vocht in fruit, groenten, soep…
Lengte ureter: 25-30 cm
Breedte ureter: 1-3 mm
Ureterovesicale overgang: de ureter komt schuin in de blaas en gaat dus een lang verloop
hebben door de blaaswand. Je hebt een passief mechanisme om reflux van urine te
voorkomen.
Dit passief mechanisme komt tot stand door de intramurale ligging van de ureter (in de
blaas). Wanneer de blaas zich vult, dan zal de blaaswand uitrekken en dunner worden.
Hierdoor wordt de ureter afgeplat. We spreken van ‘passief’ omdat er geen actieve kracht
aan de pas komt, enkel mechanische druk.
drukopbouw hoge urinewegen:
De urinewegen is een lagedruksysteem. De blaas heeft normaal gezien altijd een druk van
5-10ml/min max. Dit is heel laag. Een van de afwijkingen die kan voorkomen, is als men het
lagedruksysteem niet meer heeft, De nieren kunnen hoge druk niet aan. Bij lange
aanhouding krijg je nierschade. Gedurende het plassen ga je een hogere druk krijgen. Maar
gedurende deze tijdspannes ga je geen schade hebben.
→ grote diurese (veel water drinken):
- aantal samentrekkingen stijgt
- kracht van contracties stijgt
- volume bolus stijgt
trigonum= structuur tussen 2 uitmondingen ureters
→ bevat grootste hoeveelheid afferente zenuwen
(gevoeligste deel vd blaas).
De uitmonding van de zaadblaasjes is in het
midden van de prostaat via de ductus ejaculatoris.
→ 2 sfincters:
● externe sfincter: dwarse spier, controle
● interne sfincter: sympatisch, adrenerg
2
,Histologie van de blaas:
→ De blaas heeft een bepaalde rekbaarheid
en het epitheel moet hier aangepast voor
zijn. Cellen versmelten met elkaar bij een
gevulde blaas en gaan terug uit elkaar
wanneer de blaas leeg is.
Blaas:
De blaas heeft een volume van ongeveer 500 ml en een dunne wand van 1-2 mm dik.
Een blaas is normaal gezien altijd in rust. Maar eigenlijk is ze van nature altijd actief. We
hebben een rem op de blaas vanuit het ruggenmerg. De blaas moet voor meer dan 99,9%
geremd worden, omdat we maar 2 min van onze dag een plasfase hebben. Heel veel
pathologieën waarvan de remming wegvalt, verhoogt de druk verhoogt, wat heel slecht is
voor je nieren.
perifere zenuwbanen:
Dit is een SUPER BELANGRIJK deel!!
Er zijn 3 belangrijke zenuwen van het urinair stelsel:
● nervus hypogastricus (D11-L2): orthosympathisch systeem → geeft blaascontractie
● nervus pelvinus (S2-S4): parasympatisch systeem → wordt actief als we willen
plassen
● nervus pudendus (S2-S4): somatische bezenuwing van de sluitspier: we kunnen
deze aanspannen of ontspannen
→ wij beslissen niet wanneer onze blaas samentrekt, maar wel wanneer de sluitspier
ontspant: als we de sluitspier ontspannen, dan gaat er een signaal doorgegeven
worden waardoor de blaas samentrekt
Conus medullaris:
= einde van het ruggenmerg op niveau van L1
→ blaaskernen: niveau T11-L1
→ sacrale zenuwen worden gevormd uit de conus medullaris:
bij schade aan de conus medullaris zal er dus schade zijn aan
S2-S4
→ mensen met discus hernia (thv L4-L5) hebben vaak
blaasproblemen, omdat de cauda equina geraakt kan zijn
→ T5: tepellijn
→ T10: navellijn
3
, Perifere innervatie-neurotransmissie:
→ belangrijke dia waar zeker een examenvraag van komt
● nervus pelvinus: parasympathische bezenuwing via acetylcholine als
neurotransmitter
→ acetylcholine kan binden aan M3 receptor: contractie gladde spieren van de blaas
voor blaaslediging
● nervus hypogastricus: sympathische bezenuwing via noradrenaline als
neurotransmitter
→ noradrenaline kan binden aan:
- beta-3 receptor: ontspanning van detrusor (spierwand van blaas)
- alfa-1 receptor: contractie inwendige urethrale sfincter
● nervus pudendus: somatische bezenuwing via acetylcholine als neurotransmitter
→ acetylcholine kan binden aan nicotinereceptor: contractie externe urethrale
sfincter (willekeurige controle)
Normale blaasvulling en lediging:
Vulling Mictie
4