Te hoge bloeddruk
De man heeft een hoge bloeddruk, want een normale bloeddruk is 120/80. De hoge bloeddruk wordt
gemeten door de barosensoren. Die bevinden zich op 2 plaatsen in het lichaam: op het glomus
aorticum thv de aortaboog en het glomus caroticum in de arteria carotis met zowel baro- als
chemosensoren (aangezien de hersenen ook CO2 controle nodig hebben).
De prikkels (hoge bloeddruk) die de sensoren hebben opgevangen, worden doorgeven aan een
regelcentrum in de hersenen, namelijk de medulla oblongata (in de hersenstam). Daar bevinden zich
2 centra die instaan voor het regelen van de bloeddruk: het vasomotorisch centrum (OS) en het
cardio-inhiberend centrum (PS).
Wanneer de bloeddruk te hoog is zal het cardio-inhiberend centrum geactiveerd worden, want deze
werkt met een parasympathische bezenuwing. De neurotransmitter van de parasympaticus is
acetylcholine. Het vasomotorisch centrum zal minder actief zijn. Acetylcholine zal binden op zowel
het hart op M2, als het bloedvat op M5 muscarinereceptoren.
Door de vrijstelling van het acetylcholine aan het hart krijgen we dus een negatieve chrono-en
inotropie, respectievelijk een verminderde hartfrequentie en slagkracht. Doordat deze 2 factoren
zullen dalen zal het hartdebiet ook dalen, want hartdebiet = slagvolume x hartfrequentie.
Acetylcholine zal ook binden op muscarinereceptoren in het bloedvat, waardoor er een vasodilatatie
ontstaat. Door de vasodilatatie zal de perifere weerstand ook afnemen. Een gedaald hartdebiet en
een gedaalde perifere weerstand zorgen samen voor een bloeddrukverlaging.
Te lage bloeddruk
De man heeft een lage bloeddruk, want een normale bloeddruk is 120/80. De lage bloeddruk wordt
gemeten door de barosensoren. Die bevinden zich op 2 plaatsen in het lichaam: op het glomus
aorticum thv de aortaboog en het glomus caroticum in de arteria carotis met zowel baro- als
chemosensoren (aangezien de hersenen ook CO2 controle nodig hebben).
De prikkels (lage bloeddruk) die de sensoren hebben opgevangen, worden doorgeven aan een
regelcentrum in de hersenen, namelijk de medulla oblongata (in de hersenstam). Daar bevinden zich
2 centra die instaan voor het regelen van de bloeddruk: het vasomotorisch centrum (OS) en het
cardio-inhiberend centrum (PS).
Wanneer de bloeddruk te laag is zal het vasomotorisch centrum geactiveerd worden, want deze
werkt met een orthosympatische bezenuwing. De neurotransmitter van de orthosympaticus is
noradrenaline. Het cardio-inhiberend centrum zal minder actief zijn. Noradrenaline zal binden op
zowel het hart op β 1, als het bloedvat op α 1adrenergereceptoren.
Door de vrijstelling van het noradrenaline aan het hart krijgen we dus een positieve chrono-en
inotropie, respectievelijk een verhoogde hartfrequentie en slagkracht. Doordat deze 2 factoren
zullen stijgen zal het hartdebiet ook stijgen, want hartdebiet = slagvolume x hartfrequentie.
Noradrenaline zal ook binden op adrenergereceptoren in het bloedvat, waardoor er een
vasoconstrictie ontstaat. Door de vasoconstrictie zal de perifere weerstand ook stijgen. Een
gestegen hartdebiet en een gestegen perifere weerstand zorgen samen voor een
bloeddrukverhoging.
, Humorale controle van de bloeddruk
Snelle systemen: Noradrenaline, acetylcholine, adrenaline, renine & histamine
Trage systemen: ADH & aldosteron
Noradrenaline
Noradrenaline is een neurotransmitter die wordt vrijgesteld door het
orthosympathisch zenuwstelsel (OS). Deze stof heeft een sterkere voorkeur voor
alfareceptoren dan voor bètareceptoren, wat invloed heeft op zowel het hart
als de bloedvaten.
In het hart bevinden zich uitsluitend β₁-receptoren, waarop noradrenaline kan
binden. Deze activatie leidt tot een positieve chronotropie (verhoogde
hartfrequentie) en een positieve inotropie (toegenomen contractiekracht).
Hierdoor stijgt het hartdebiet (HD), wat bijdraagt aan een verhoogde
bloeddruk.
Daarnaast bindt noradrenaline in de bloedvaten voornamelijk aan α₁-
receptoren, wat zorgt voor vasoconstrictie (VC). Deze vernauwing van de
bloedvaten verhoogt de perifere weerstand (PW), wat een significante
stijging van de bloeddruk veroorzaakt.
Acetylcholine
Acetylcholine is een neurotransmitter die wordt vrijgesteld door het
parasympathisch zenuwstelsel (PS) en een voorkeur heeft voor
muscarinereceptoren. Deze stof speelt een grote rol bij het verlagen van de
bloeddruk door zowel het hart als de bloedvaten te beïnvloeden.
In het hart bindt acetylcholine aan M2-receptoren, wat leidt tot een negatieve
inotropie (verminderde contractiekracht). Hierdoor daalt het hartdebiet (HD),
wat bijdraagt aan een lagere bloeddruk.
Daarnaast bindt acetylcholine in de bloedvaten aan M5-receptoren, wat een
vasodilatatie (VD) veroorzaakt. Dit zorgt voor een daling van de perifere
weerstand (PW), wat eveneens bijdraagt aan een bloeddrukverlaging.
Adrenaline
Adrenaline is een neurotransmitter en hormoon dat wordt vrijgesteld door het
orthosympathisch zenuwstelsel (OS) en heeft een wisselend effect op de
bloeddruk, afhankelijk van de concentratie.
Bij lage concentraties bindt adrenaline in de bloedvaten voornamelijk aan β₂-
receptoren, wat leidt tot vasodilatatie (VD) en een daling van de perifere
weerstand (PW). In het hart heeft adrenaline eenzelfde effect als noradrenaline
door binding aan β₁-receptoren, wat resulteert in een positieve chronotropie
en inotropie (verhoogde hartfrequentie en contractiekracht).
Bij hoge concentraties adrenaline worden de β-receptoren verzadigd,
waardoor adrenaline ook op α₁-receptoren in de bloedvaten begint te binden,
wat leidt tot vasoconstrictie (VC). In het hart blijft het effect hetzelfde als bij
lage concentraties, namelijk een stijging van de hartfrequentie en
contractiekracht.
, Humorale controle van de bloeddruk
Uiteindelijk zal de bloeddruk stijgen, ondanks de initiële vasodilatatie bij lage
concentraties. Dit komt doordat de stijging van het hartdebiet (HD) groter is
dan de daling van de perifere weerstand (PW). Het effect van adrenaline is
echter minder krachtig dan dat van noradrenaline.
Renine
Renine is een enzym dat geproduceerd wordt in de nieren, meer specifiek in de
tubuluscellen. De nieren hebben een mechanisme van autoregulatie, waarbij
het juxtaglomerulair apparaat de bloeddoorstroming (flow en snelheid) meet.
Wanneer de doorstroming in de nier daalt, wordt dit geïnterpreteerd als een
daling van de bloeddruk, waardoor de nieren meer renine gaan produceren
om dit te compenseren.
Renine is een splitsend enzym dat angiotensinogeen (afkomstig uit de lever)
omzet in angiotensine I. Dit wordt vervolgens door angiotensine converting
enzyme (ACE) omgezet in angiotensine II, wat twee belangrijke effecten heeft:
1. Vasoconstrictie (VC) van de bloedvaten, wat leidt tot een directe
stijging van de bloeddruk en een verbeterde bloedflow naar de nieren.
2. Stimulatie van de bijnieren om aldosteron (mineralocorticoïde
aangezien het invloed heeft op de Na/K-homeostase) te produceren. Dit is
een trager werkend mechanisme, maar zorgt voor zout- en
waterretentie via Na/K-pompen in de distale tubulus en
verzamelbuis van de nieren. Door de verhoogde Na⁺-retentie stijgt de
osmotische waarde van het bloed, waardoor water door osmose wordt
teruggeresorbeerd. Hierdoor stijgt het bloedvolume, de preload, het
einddiastolisch volume (VEDV), het slagvolume (SV) en uiteindelijk
het hartdebiet (HD), wat bijdraagt aan een verhoogde bloeddruk.
Dit RAAS-systeem (Renine-Angiotensine-Aldosteron-Systeem) is een zeer
efficiënt mechanisme om de bloeddruk te verhogen.
Bij pathologieën zoals renale hypertensie (bv. bij vernauwing van de
nierslagaders) blijft de nier denken dat de bloeddruk te laag is, waardoor
overmatig renine wordt geproduceerd en de bloeddruk abnormaal hoog wordt.
Behandeling kan bestaan uit:
1. Bètablokkers
- Bètablokkers remmen de β₁-receptoren in de nieren, waardoor de
afgifte van renine afneemt. Minder renine betekent minder
angiotensine II en dus minder vasoconstrictie en minder
aldosteronproductie → bloeddruk daalt.
2. Calciumantagonisten
- Calciumantagonisten blokkeren calciumkanalen in de gladde
spiercellen van de bloedvaten, waardoor vasoconstrictie wordt
verminderd en de bloeddruk daalt.
3. ACE-remmers
, Humorale controle van de bloeddruk
- ACE-remmers blokkeren het enzym angiotensine converting
enzyme (ACE), waardoor de omzetting van angiotensine I naar
angiotensine II wordt geremd. Dit voorkomt vasoconstrictie en
vermindert aldosteronafgifte, waardoor minder zout en water
worden vastgehouden en de bloeddruk daalt.
4. Angiotensine II receptorblokkers (ARB’s)
- ARB’s blokkeren direct de angiotensine II-receptoren (AT₁-
receptoren), waardoor angiotensine II zijn werking niet kan uitvoeren.
Dit leidt tot minder vasoconstrictie en minder aldosteronafgifte,
wat de bloeddruk verlaagt.
Histamine
Histamine is een vasoactieve stof die voornamelijk aanwezig is in mastcellen
en een belangrijke rol speelt bij allergische reacties. Het kan zowel lokaal als
systemisch worden vrijgegeven.
Histamine bindt in de bloedvaten aan receptoren, wat leidt tot vasodilatatie
(VD). Hierdoor neemt de veneuze capaciteit toe, waardoor de veneuze
terugstroom naar het hart afneemt. Dit draagt bij aan typische allergische
symptomen zoals een snotneus en tranende ogen door de verwijding van
bloedvaten in de slijmvliezen.
Histamine heeft slechts een klein direct effect op het hart, waardoor het
hartdebiet (HD) grotendeels ongewijzigd blijft in de beginfase. Echter, door
de afname van de preload (door verminderde veneuze terugstroom) daalt
uiteindelijk het einddiastolisch volume (VEDV) en het slagvolume (SV).
Hierdoor zal het hartdebiet (HD) na verloop van tijd ook afnemen, wat
bijdraagt aan een daling van de bloeddruk.
Vanwege deze effecten wordt bij ernstige allergische reacties (zoals
anafylaxie) antihistaminica toegediend om de vasodilatatie te beperken en
de bloeddrukdaling tegen te gaan.
ADH
ADH is een hormoon dat geproduceerd wordt in de hypothalamus en wordt
opgeslagen in de neurohypofyse. Het speelt een cruciale rol bij de
waterhuishouding en bloeddrukregulatie.
Bij een stijging van de osmotische waarde (bijvoorbeeld door uitdroging of
een hoge zoutinname) detecteren osmoreceptoren in de hypothalamus dit, wat
leidt tot:
1. Activatie van het dorstcentrum → meer wateropname via drinken
2. Vrijstelling van ADH
ADH werkt op de nieren door het aantal waterkanalen in de verzamelbuizen te
verhogen, waardoor er meer water uit de voorurine wordt
teruggeresorbeerd in het bloed. Dit leidt tot een verminderde
urineproductie en een toename van het bloedvolume.
De verhoogde hoeveelheid circulerend bloed zorgt voor: