1
SAMENVATTING HANDICAPS EN
ONTWIKKELINGSTOORNISSEN
Ongeveer 3 kwartier voorbereiding
HET IS OP BASIS VAN DE MODULES
Samenvatting handicaps en ontwikkelingstoornissen ...................................................................................................... 1
Module 1: gedrags- en psyschische problemen bij personen met een verstandelijke beperking en/of autisme. .......... 2
Les 1+2: Analyse en aanpak van probleemgedrag bij mensen met verstandelijke en meervoudige beperkingen...... 2
Les 3: Analyse en aanpak van probleemgedrag bij mensen met verstandelijke en meervoudige beperkingen........ 24
Casussen...................................................................................................................................................................... 29
Module 2 : sociale inclusie .............................................................................................................................................. 41
LES 4: sociale inclusie .................................................................................................................................................. 41
Les 5: Sociale netwerken............................................................................................................................................. 52
Module 3: autisme .......................................................................................................................................................... 62
Les 7: autisme als uitdrukking van neurodiversiteit ................................................................................................... 62
Les 9: Communicatie bij mensen met autisme en VB................................................................................................. 71
Les 10: diagnostiek en interventies............................................................................................................................. 84
Module 4: specifieke werkvormen en thema’s doorheen de levensloopt ..................................................................... 96
Les 6: INOVHO ............................................................................................................................................................. 96
Les 8: OUDERE MENSEN MET EEN VERSTANDELIJKE BEPERKING ............................................................................ 126
Les 11: seksualiteit en imtimiteitenzorg in een zorgcontext .................................................................................... 112
Les 12: Ouders met licht verstandelijke beperkingen .............................................................................................. 118
, 2
MODULE 1: GEDRAGS- EN
PSYSCHISCHE PROBLEMEN BIJ
PERSONEN MET EEN
VERSTANDELIJKE BEPERKING EN/OF
AUTISME.
LES 1+2: ANALYSE EN AANPAK VAN PROBLEEMGEDRAG BIJ MENSEN MET
VERSTANDELIJKE EN MEERVOUDIGE BEPERKINGEN
Examen: accent beeldvorming / accent integratief beeld
PROBLEEMGEDRAG
DEFINITIE
“Probleemgedrag is internaliserend en/of externaliserend gedrag dat door de persoon zelf en/of de omgeving in een
specifieke context als sociaal-cultureel ongewenst wordt gezien en dat van zodanige intensiteit, frequentie of duur
is, dat het voor de persoon zelf en/of de naaste omgeving nadelig, stressvol of schadelijk is.”
• Of je nu iets als probleemgedrag beschouwd of niet ligt niet per definitie vast en je kan niet op voorhand
formuleren of iets probleemgedrag is of niet. Het hangt af van de intensiteit, frequentie en duur
Benoemen van gedrag als probleemgedrag: kenmerken
• Afhankelijk van aard, intensiteit, frequentie en duur
o Vb. schreeuwen wordt niet als problematisch gezien
o Maar: komt vaak voor, houdt lang aan en hevig → wel als problematisch worden gezien.
• Afhankelijk van leeftijd en ontwikkelingsniveau
o Wat bij een peuter normaal gedrag is
o Kan bij een adolescent problematisch zijn.
• Afhankelijk van consequenties (negatief voor zichzelf of anderen)
• Afhankelijk van diverse perspectieven
o Ouders, leerkrachten, persoon zelf … kunnen het gedrag anders beoordelen.
Probleemgedrag is vaak gevolg van de interactie tussen een persoon en diens omgeving en moet daarom moet gedrag
altijd in een context te begrijpen zijn en niet los beoordelen.
➔ Moeilijk op voorhand aan te geven omdat het afhangt van vele factoren en ook hoe de omgeving er mee
omgaat.
➔ Gedragsproblemen is interactioneel: iets waar de omgeving een impact op heeft. Het is een resultaat van het
gedrag en de reactie van de omgeving.
, 3
TYPES VAN PROBLEEMGEDRAG
Zelfverwondend gedrag (bijna altijd per definitie een probleemgedrag)
• Herhaalde handelingen die schade (kunnen) aanbrengen aan het eigen lichaam
• Vb. zichzelf bijten, krabben, slaan,…
Agressief of destructief gedrag
• Gedragingen die letsel of schade (kunnen) toebrengen aan andere personen of materialen
Stereotiep/repetitief gedrag
• Herhaalde motorische bewegingen (ernst en interferentie met dagelijkse activiteiten)
• Repetitief gedrag is een type probleemgedrag dat zich uit in herhaaldelijke, stereotiepe handelingen zoals
wiegen, handfladderen of herhaaldelijk dezelfde vragen stellen.
• Als problematisch beschouwd worden?
o Hangt af van de intensiteit, frequentie, duur + impact op het dagelijks functioneren en de omgeving.
• Vb. spelen met speeksel: als dat voor de persoon zelf en voor de omgeving lastig is en de persoon kan niet
goed meer functioneren dan is het probleemgedrag.
Andere
POPULATIESTUDIES
PREVALENTIE (=VOORKOMEN)
Bijna 18% hebben probleemgedrag
Mensen vertonen ook combinaties
Redelijk frequent komen ze voor.
SAMENHANGENDE FACTOREN
De kans op probleemgedrag neemt toe bij aanwezigheid van risicofactoren zoals ernstige verstandelijke beperking,
communicatieproblemen, medische aandoeningen of gebrek aan dagstructuur.
= Bepaalde risicofactoren zijn die samenhangen met een hogere kans op het ontwikkelen van probleemgedrag. Hoe
meer van deze risicofactoren iemand heeft, hoe groter de kans én de ernst van het probleemgedrag. Dit noemt men
de cumulatieve risicobenadering.
Bij alle categorieën
• Moeilijkheden met communicatie: mensen die moeilijkheden hebben met communiceren gaan meer kans
hebben op probleemgedrag.
• Ernstig/diep VB: als het niveau van verstandelijke beperking lager is → kans op probleemgedrag = groter
o Minder bij Licht tot matig VB
o Meer bij ernstige tot diepe VB.
Bij specifieke categorieën: sommige risicofactoren zijn meer gekoppeld aan bepaalde soorten probleemgedrag.
• Stoornissen / problemen
o Mobiliteitsproblemen
o Visuele beperkingen
o Epilepsie
o ASS: vaak repetitief gedrag
o Genetische syndroom
• Geen dagactiviteiten
• Leven in residentiële setting
➔ Cumulatieve risk index: voor mensen die een combinatie hebben van samenhangende factoren hebben, is er een
ernstigere diagnose van de probleemgedrag.
, 4
GEVOLGEN VAN PROBLEEMGEDRAG
Kwaliteit van leven is in het gedrang
• Schade aan zichzelf of anderen, op materieel, lichamelijk, psychisch vlak
• Belemmert functioneren, sociale interacties en maatschappelijke participatie
o Begint met bepaalde activiteiten niet meer mogen meedoen → niet deelnemen → kamer niet meer
verlaten → vastgebonden
• Verhoogde stress en draaglast bij persoon zelf of direct betrokkenen
➔ Probleemgedrag is het begin van de negatieve cyclus.
MULTIFACTORIËLE ANALYSE VAN PROBLEEMGEDRAG
Dit model wordt vaak gebruikt in de hulpverlening en opvoedingsondersteuning om gedrag van kinderen of jongeren
goed te begrijpen en passende interventies te kiezen
•Herkenning en definiëring van het probleemgedrag in multidisciplinair
1 overleg (ouders, hulpverleners, ...)
•Wat doet het kind precies? Wanneer? In welke situatie?
•Leren van de voorgeschiedenis
2 •Was het gedrag in het verleden ook aanwezig? Hoe was het aanwezig?
•Wanneer is het gedrag voor het eerst opgemerkt?
•Analyse van de factoren die verband kunnen houden met het
probleemgedrag
3 •Informatie over verschillende levensdomeinen.
•Niet enkel probleemgedrag, maar ook krachten en hulpbronnen
4 •Analyse omzetten naar interventies
•Wat zijn logisch haalbare, contextgevoelige internventies.
STAP 1: HERKENNING EN DEFINIËRING
Het doel is om duidelijk te krijgen wat het probleem precies is, zowel in zichtbare gedragingen als in de beleving en
betekenis ervan.
Beschrijving van het gedrag en beleving
• Hoe ziet het gedrag er concreet uit?
• Hoe wordt het gedrag beleefd door de persoon zelf?
• Hoe wordt het gedrag beleefd door betrokkenen (ouders, begeleiders, leerkrachten...)?
• Welke betekenis geeft men aan het gedrag?
• Welke belangen of behoeften kunnen met het gedrag samenhangen?
2. Frequentie, duur en context
• Sinds wanneer komt het gedrag voor?
• In welke situaties of op welke momenten doet het zich voor?
• Hoe vaak gebeurt het?
3. Gevolgen van het gedrag voor de persoon zelf
• Welke gevolgen heeft het gedrag voor de persoon?
• Beperkt het zijn/haar ontplooiingskansen?
• Heeft het gedrag een negatieve impact op de levenskwaliteit van de persoon?
SAMENVATTING HANDICAPS EN
ONTWIKKELINGSTOORNISSEN
Ongeveer 3 kwartier voorbereiding
HET IS OP BASIS VAN DE MODULES
Samenvatting handicaps en ontwikkelingstoornissen ...................................................................................................... 1
Module 1: gedrags- en psyschische problemen bij personen met een verstandelijke beperking en/of autisme. .......... 2
Les 1+2: Analyse en aanpak van probleemgedrag bij mensen met verstandelijke en meervoudige beperkingen...... 2
Les 3: Analyse en aanpak van probleemgedrag bij mensen met verstandelijke en meervoudige beperkingen........ 24
Casussen...................................................................................................................................................................... 29
Module 2 : sociale inclusie .............................................................................................................................................. 41
LES 4: sociale inclusie .................................................................................................................................................. 41
Les 5: Sociale netwerken............................................................................................................................................. 52
Module 3: autisme .......................................................................................................................................................... 62
Les 7: autisme als uitdrukking van neurodiversiteit ................................................................................................... 62
Les 9: Communicatie bij mensen met autisme en VB................................................................................................. 71
Les 10: diagnostiek en interventies............................................................................................................................. 84
Module 4: specifieke werkvormen en thema’s doorheen de levensloopt ..................................................................... 96
Les 6: INOVHO ............................................................................................................................................................. 96
Les 8: OUDERE MENSEN MET EEN VERSTANDELIJKE BEPERKING ............................................................................ 126
Les 11: seksualiteit en imtimiteitenzorg in een zorgcontext .................................................................................... 112
Les 12: Ouders met licht verstandelijke beperkingen .............................................................................................. 118
, 2
MODULE 1: GEDRAGS- EN
PSYSCHISCHE PROBLEMEN BIJ
PERSONEN MET EEN
VERSTANDELIJKE BEPERKING EN/OF
AUTISME.
LES 1+2: ANALYSE EN AANPAK VAN PROBLEEMGEDRAG BIJ MENSEN MET
VERSTANDELIJKE EN MEERVOUDIGE BEPERKINGEN
Examen: accent beeldvorming / accent integratief beeld
PROBLEEMGEDRAG
DEFINITIE
“Probleemgedrag is internaliserend en/of externaliserend gedrag dat door de persoon zelf en/of de omgeving in een
specifieke context als sociaal-cultureel ongewenst wordt gezien en dat van zodanige intensiteit, frequentie of duur
is, dat het voor de persoon zelf en/of de naaste omgeving nadelig, stressvol of schadelijk is.”
• Of je nu iets als probleemgedrag beschouwd of niet ligt niet per definitie vast en je kan niet op voorhand
formuleren of iets probleemgedrag is of niet. Het hangt af van de intensiteit, frequentie en duur
Benoemen van gedrag als probleemgedrag: kenmerken
• Afhankelijk van aard, intensiteit, frequentie en duur
o Vb. schreeuwen wordt niet als problematisch gezien
o Maar: komt vaak voor, houdt lang aan en hevig → wel als problematisch worden gezien.
• Afhankelijk van leeftijd en ontwikkelingsniveau
o Wat bij een peuter normaal gedrag is
o Kan bij een adolescent problematisch zijn.
• Afhankelijk van consequenties (negatief voor zichzelf of anderen)
• Afhankelijk van diverse perspectieven
o Ouders, leerkrachten, persoon zelf … kunnen het gedrag anders beoordelen.
Probleemgedrag is vaak gevolg van de interactie tussen een persoon en diens omgeving en moet daarom moet gedrag
altijd in een context te begrijpen zijn en niet los beoordelen.
➔ Moeilijk op voorhand aan te geven omdat het afhangt van vele factoren en ook hoe de omgeving er mee
omgaat.
➔ Gedragsproblemen is interactioneel: iets waar de omgeving een impact op heeft. Het is een resultaat van het
gedrag en de reactie van de omgeving.
, 3
TYPES VAN PROBLEEMGEDRAG
Zelfverwondend gedrag (bijna altijd per definitie een probleemgedrag)
• Herhaalde handelingen die schade (kunnen) aanbrengen aan het eigen lichaam
• Vb. zichzelf bijten, krabben, slaan,…
Agressief of destructief gedrag
• Gedragingen die letsel of schade (kunnen) toebrengen aan andere personen of materialen
Stereotiep/repetitief gedrag
• Herhaalde motorische bewegingen (ernst en interferentie met dagelijkse activiteiten)
• Repetitief gedrag is een type probleemgedrag dat zich uit in herhaaldelijke, stereotiepe handelingen zoals
wiegen, handfladderen of herhaaldelijk dezelfde vragen stellen.
• Als problematisch beschouwd worden?
o Hangt af van de intensiteit, frequentie, duur + impact op het dagelijks functioneren en de omgeving.
• Vb. spelen met speeksel: als dat voor de persoon zelf en voor de omgeving lastig is en de persoon kan niet
goed meer functioneren dan is het probleemgedrag.
Andere
POPULATIESTUDIES
PREVALENTIE (=VOORKOMEN)
Bijna 18% hebben probleemgedrag
Mensen vertonen ook combinaties
Redelijk frequent komen ze voor.
SAMENHANGENDE FACTOREN
De kans op probleemgedrag neemt toe bij aanwezigheid van risicofactoren zoals ernstige verstandelijke beperking,
communicatieproblemen, medische aandoeningen of gebrek aan dagstructuur.
= Bepaalde risicofactoren zijn die samenhangen met een hogere kans op het ontwikkelen van probleemgedrag. Hoe
meer van deze risicofactoren iemand heeft, hoe groter de kans én de ernst van het probleemgedrag. Dit noemt men
de cumulatieve risicobenadering.
Bij alle categorieën
• Moeilijkheden met communicatie: mensen die moeilijkheden hebben met communiceren gaan meer kans
hebben op probleemgedrag.
• Ernstig/diep VB: als het niveau van verstandelijke beperking lager is → kans op probleemgedrag = groter
o Minder bij Licht tot matig VB
o Meer bij ernstige tot diepe VB.
Bij specifieke categorieën: sommige risicofactoren zijn meer gekoppeld aan bepaalde soorten probleemgedrag.
• Stoornissen / problemen
o Mobiliteitsproblemen
o Visuele beperkingen
o Epilepsie
o ASS: vaak repetitief gedrag
o Genetische syndroom
• Geen dagactiviteiten
• Leven in residentiële setting
➔ Cumulatieve risk index: voor mensen die een combinatie hebben van samenhangende factoren hebben, is er een
ernstigere diagnose van de probleemgedrag.
, 4
GEVOLGEN VAN PROBLEEMGEDRAG
Kwaliteit van leven is in het gedrang
• Schade aan zichzelf of anderen, op materieel, lichamelijk, psychisch vlak
• Belemmert functioneren, sociale interacties en maatschappelijke participatie
o Begint met bepaalde activiteiten niet meer mogen meedoen → niet deelnemen → kamer niet meer
verlaten → vastgebonden
• Verhoogde stress en draaglast bij persoon zelf of direct betrokkenen
➔ Probleemgedrag is het begin van de negatieve cyclus.
MULTIFACTORIËLE ANALYSE VAN PROBLEEMGEDRAG
Dit model wordt vaak gebruikt in de hulpverlening en opvoedingsondersteuning om gedrag van kinderen of jongeren
goed te begrijpen en passende interventies te kiezen
•Herkenning en definiëring van het probleemgedrag in multidisciplinair
1 overleg (ouders, hulpverleners, ...)
•Wat doet het kind precies? Wanneer? In welke situatie?
•Leren van de voorgeschiedenis
2 •Was het gedrag in het verleden ook aanwezig? Hoe was het aanwezig?
•Wanneer is het gedrag voor het eerst opgemerkt?
•Analyse van de factoren die verband kunnen houden met het
probleemgedrag
3 •Informatie over verschillende levensdomeinen.
•Niet enkel probleemgedrag, maar ook krachten en hulpbronnen
4 •Analyse omzetten naar interventies
•Wat zijn logisch haalbare, contextgevoelige internventies.
STAP 1: HERKENNING EN DEFINIËRING
Het doel is om duidelijk te krijgen wat het probleem precies is, zowel in zichtbare gedragingen als in de beleving en
betekenis ervan.
Beschrijving van het gedrag en beleving
• Hoe ziet het gedrag er concreet uit?
• Hoe wordt het gedrag beleefd door de persoon zelf?
• Hoe wordt het gedrag beleefd door betrokkenen (ouders, begeleiders, leerkrachten...)?
• Welke betekenis geeft men aan het gedrag?
• Welke belangen of behoeften kunnen met het gedrag samenhangen?
2. Frequentie, duur en context
• Sinds wanneer komt het gedrag voor?
• In welke situaties of op welke momenten doet het zich voor?
• Hoe vaak gebeurt het?
3. Gevolgen van het gedrag voor de persoon zelf
• Welke gevolgen heeft het gedrag voor de persoon?
• Beperkt het zijn/haar ontplooiingskansen?
• Heeft het gedrag een negatieve impact op de levenskwaliteit van de persoon?