hoofdstuk 1
eerste definitie van sociologie
aanvullende info: verschil sociologische lens en sociale bril?
hoofdstuk 2
kenmerken van wicked problems (moeilijk oplosbare maatschappelijke problemen)
1. geen duidelijke probleemdefinitie.
→ mensen zijn het niet eens over wat precies het probleem is.
2. elk probleem is uniek.
→ geen enkel wicked probleem is hetzelfde; wat werkt in één situatie, werkt niet per se
in een andere.
3. geen eenduidige of definitieve oplossing.
→ probleem niet volledig oplossen, alleen verminderen of tijdelijk beheersen.
4. oplossingen zijn niet “juist” of “fout”, maar beter of slechter.
→ hangt af van wie oordeelt en vanuit welk standpunt.
, 5. elke oplossing heeft gevolgen voor andere delen van het systeem.
→ maatregel op één domein (bv werk) kan onbedoelde effecten hebben op een ander
(bv gezondheid).
6. elk wicked probleem hangt samen met andere problemen.
→ armoede is bv verbonden met werkloosheid, onderwijs, huisvesting, gezondheid
7. veel betrokken partijen met tegenstrijdige belangen.
→ overheden, organisaties, burgers en bedrijven willen vaak verschillende dingen.
8. grenzen tussen beleidsdomeinen en vakgebieden zijn star.
→ problemen raken meerdere sectoren tegelijk (economie, zorg, onderwijs), maar beleid
is meestal opgesplitst.
9. oorzaken zijn meervoudig en onderling verbonden.
→ geen enkele oorzaak; micro-, meso- en macroniveaus grijpen in elkaar.
10.duurt lang om het effect van oplossingen te beoordelen.
→ pas na jaren blijkt of een maatregel echt werkt (soms verandert de context intussen
alweer).
warme vs koude solidariteit: uitbreiding
mattheus-effecten in kinderopvang
● Vlaanderen: grote sociale kloof in gebruik van formele kinderopvang: gebruikers
doorgaans hogere socio-economische positie, vaker twee inkomens en gemiddeld
dubbel zoveel inkomen als niet-gebruikers
● niet-gebruikers: vier keer vaker kinderen die opgroeien in kansarmoede
○ bij gebruikers meer hoogopgeleide moeders
○ moeders géén opvang gebruiken = meer dan dubbel zo vaak
migratieachtergrond
● toegankelijkheidsdrempels
○ dispositionele drempel: gebrek aan vertrouwen in kwaliteit
○ situationele drempel: gepercipieerde kostprijs
○ institutionele drempel: beperkte beschikbaarheid, onvoldoende flexibilitei =
opvanguren, reservatietermijnen, openingstijden
● wegnemen van drempels = grote impact hebben op arbeidsmarkt:
○ quota/voorrang organiseren dat eenoudergezinnen en niet-voltijds werkenden
niet achterophinken
○ alleen zo opvang hefboom tegen, ipv motor van, Mattheuseffect
● nieuwe voorrangsregels 1 april 2024 in gesubsidieerde opvang: organisatoren mogen
max. 10% van plaatsen reserveren voor kwetsbare kinderen (voorheen verplicht 20%) +
moeten voorrang geven aan ouders die minstens vier vijfde (4/5e) werken of opleiding
volgen
● sector waarschuwt: voorrangsregel versterkt Mattheuseffect
, ○ = groepen die opvang hardst nodig hebben, dreigen uitgesloten te worden
○ voordelen (toegang en kwaliteit) vooral bij gezinnen die al sterker staan, terwijl
kwetsbare gezinnen drempels ervaren
● vroege stimulering cruciaal: hoe vroeger baby’s en peuters worden gestimuleerd, hoe
beter ze later integreren en zich ontwikkelen
○ voor kinderen uit kwetsbare thuissituaties maakt extra aandacht in opvang wereld
van verschil
● regel kan eenoudergezinnen benadelen: in gezin met twee werkende ouders volstaat 1
voltijds + 1 aan 60% om voorrang te krijgen, maar in eenoudergezin blijft ondergrens
4/5e = verhoogt uitvalkans + ongelijkheid
Walter Weyns - sociologisch perspectief op solidariteit (ruimer bekeken)
● solidariteit = groepswerk: ontstaat in relaties en instituties, altijd met (impliciete) grens
tussen “wij” en “zij”
● vormen/lagen: van warme, particuliere solidariteit (familie, vrienden) → georganiseerde
solidariteit (verenigingen) → geïnstitutionaliseerde solidariteit (sociale zekerheid) →
ruimere/abstracte solidariteit (globaal, ecologisch, intergenerationeel)
● logica’s die meespelen: wederkerigheid (do ut des), herverdeling (via belastingen/sociale
zekerheid) en verzekering (risico delen)
○ vullen elkaar aan maar kunnen ook botsen
● spanningen bij ‘ruimer’ denken: hoe groter schaal, hoe abstracter band wordt:
○ mensen vallen sneller terug op verdienstelijkheid (“wie verdient hulp?”) en
grenswerk (uitsluiting)
● risico’s van verenging: individualisering en vermarkting kunnen warme en publieke
solidariteit uithollen + bureaucratie kan menselijke betrokkenheid afkoelen
● wat werkt om solidariteit te verbreden:
○ brug-instituties: scholen, verenigingen, buurtwerk
○ universele voorzieningen met extra steun voor wie nodig heeft = “progressief
universalisme”
○ verhalen/ervaringen die nabijheid creëren met onbekenden bv toekomstige
generaties of mensen buiten eigen kring
● ecologische & intergenerationele dimensie: ruimer bekeken omvat solidariteit ook met
natuur en met wie nog niet geboren is:
○ kosten/voordelen moeten dus in tijd en ruimte gedeeld worden
walter weyns - over solidariteit en utopie
● solidariteit heeft lagen: van warme, nabije zorg (familie/vrienden) naar georganiseerde en
geïnstitutionaliseerde solidariteit (sociale zekerheid) = vervolgens ruimer in ruimte (buiten
de eigen kring, globaal) en tijd (naar volgende generaties)
● werkt via meerdere logica’s:
○ wederkerigheid: ik help jou, jij helpt mij
○ verzekering: risico spreiden
○ herverdeling: via belastingen/rechten
○ → vullen elkaar aan maar botsen soms met ideeën over verdienstelijkheid = “wie
verdient hulp?”
● grenswerk onvermijdelijk: elke solidariteit tekent wij/zij → verbreden ervan vraagt
instituties die bruggen slaan (school, buurtwerk, verenigingen) en verhalen die nabijheid
creëren met onbekenden
, ● utopie ≠ blauwdruk, eerder kompas/horizon dat denkbare oprekt en bestaande
instellingen kritisch maakt:
○ wat normaliseren we? wie sluiten we uit?
● reële utopieën: kleine, concrete praktijken waar ruimer delen al gebeurt bv coöperaties,
commons, basisdiensten
○ → tonen dat het anders kan en oefenen andere vormen van samenleven
● risico’s: individualisering en vermarkting kunnen publieke solidariteit uithollen = te
bureaucratische aanpak maakt ze koud en distant
● ecologisch & intergenerationeel: ruimer bekeken omvat solidariteit ook met natuur en met
wie nog niet geboren is = kosten en baten horen in tijd en ruimte gedeeld
Sociale fenomenen die solidariteit onder druk zetten
● individualisering
○ mensen meer gericht op eigen leven, keuzes en verantwoordelijkheid
○ traditionele collectieve verbanden (kerk, buurt, familie) verliezen invloed
○ gevolg: minder ‘wij-gevoel’, meer focus op persoonlijke vrijheid en
zelfontplooiing
effect op solidariteit: minder bereid om bij te dragen aan collectieve voorzieningen
● superdiversiteit
○ dynamisch samenspel van veel verschillende factoren bij migratie, zoals
herkomst, taal, religie, socio-economische positie en verblijfsstatus.
○ niet alleen meer migranten, maar ook meer variatie binnen migratiegroepen
zelf (bv eerste vs derde generatie, verschillen in opleidingsniveau, religie)
effect op solidariteit: moeilijker om een gemeenschappelijk referentiekader of ‘wij’-gevoel te
behouden.
● erosie van burgerlijke solidariteitsvormen: ontzuiling
○ 20e eeuw: solidariteit sterk georganiseerd via zuilen (katholiek, socialistisch,
liberaal).
○ mensen behoorden tot duidelijke groepen met eigen partijen, mutualiteiten,
vakbonden, scholen…
○ vandaag: systeem grotendeels verdwenen (ontzuiling).
effect op solidariteit: mensen zijn vrijer om te kiezen, maar er is minder institutioneel kader
dat solidariteit ondersteunt.
● emancipatiebewegingen
○ streven naar gelijke rechten en vrijheid (vrouwen, LGBTQ+)
○ nadruk op individuele vrijheid en gelijke behandeling, maar soms tkv
collectieve verplichtingen of traditionele samenhorigheid
effect op solidariteit: meer gelijkheid en inclusie, maar nadruk op persoonlijke rechten kan
leiden tot verminderde collectieve verantwoordelijkheid.
, wat is armoede nu precies?
extra: alienatie vs anomie
extra: conscience collective (durkheim)
extra: repressief vs restitutief